Naar hoofdinhoud
De gemeenteraad van Harderwijk heeft er voor gekozen om niet overal in de gemeente hetzelfde niveau van welstandstoetsing te hanteren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende gebieden waarvoor verschillende niveau van toetsing geldt. Onderscheiden worden: gebieden met een zware welstandstoets (o.a. binnenstad, invalswegen en wijkwinkelcentra); gebieden met een gemiddelde welstandstoets (o.a. woonwijken en het buitengebied); gebieden met een lichte welstandstoets (o.a. bedrijventerreinen en recreatieparken). In kaartbijlage 2 is de situering van de verschillende typen gebieden aangegeven. Kaartbijlage 2 Toelichting Gebieden met een zware welstandstoets De hoogste eisen worden gesteld aan bebouwing op locaties die in belangrijke mate bepalend zijn voor de beeldkwaliteit van de gemeente. Dit geldt zonder meer voor de binnenstad, mede omdat de binnenstad is aangemerkt als een 'beschermd stadsgezicht' op basis van de Monumentenwet 1988. Daarnaast zijn enkele gebieden met bijzondere kwaliteiten en karakteristieke straten (zoals de Stationslaan) aangemerkt als locaties die in belangrijke mate bepalend zijn voor de beeldkwaliteit van de gemeente. Daarom geldt daarvoor een zware welstandstoets. Dit geldt ook voor de belangrijkste invalswegen, aangezien het aanzien van de bebouwing langs deze wegen in belangrijke mate bepalend is voor de beeldkwaliteit van de gemeente; straatwanden van bedrijventerreinen langs invalswegen vallen ook onder zware welstandstoets. Daarnaast zijn ook de wijkwinkelcentra als zodanig aangemerkt. Voor de ruimtelijke kwaliteit van de woonwijken is van wezenlijk belang dat de centrumgebieden er attractief uitzien. Vandaar dat deze gebieden aan hoge eisen van beeldkwaliteit moeten voldoen. Voor gebieden met een zware welstandstoets is het beleid gericht op het behoud en waar mogelijk verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Gebieden met een gemiddelde welstandstoets Voor grote delen van de bebouwde kom, met name voor woonwijken geldt de gemiddelde welstandstoets. Uitzondering vormt de bebouwing in de wijkcentra en bebouwing in de randen van de woonwijken die langs invalswegen liggen. Voor die bebouwing geldt de zware welstandstoets (zie hierboven). Ook voor de meeste bebouwing in het buitengebied geldt de gemiddelde welstandstoets. Voor gebieden met een gemiddelde welstandstoets is het beleid gericht op het behoud van de aanwezige kwaliteiten. Gebieden met een lichte welstandstoets De lichte welstandstoets geldt met name voor bedrijventerreinen en recreatieparken. Het is hier niet noodzakelijk om hier de verschijningsvorm van bebouwing tot op detailniveau te beoordelen. De lichte welstandstoets geldt niet voor alle bedrijvenlocaties. Waar bedrijventerreinen grenzen aan woonwijken en voor kleine bedrijvenlocaties binnen woonwijken geldt de gemiddelde welstandstoets. Langs belangrijke invalswegen geldt zelfs een zware welstandstoets, omdat bebouwing langs deze wegen in belangrijke mate bijdraagt aan de beeldkwaliteit van de gemeente. In gebieden met een lichte welstandstoets wordt bebouwing alleen beoordeeld voor zover deze zichtbaar is vanuit openbaar gebied (vanaf het land of het water). Het welstandsbeleid is hier gericht op het handhaven van een basiskwaliteit van het gebied. 4.1.1 Toetscriteria voor gebieden met een lichte welstandstoets In gebieden met een lichte welstandstoets wordt bebouwing alleen beoordeeld voor zover deze zichtbaar is vanuit openbaar toegankelijk gebied (land en water). Daarbij wordt getoetst aan de hand van de onderstaande criteria Relatie met de omgeving Aansluiten bij de kenmerken van het gebied en de omliggende bebouwing, daarbij wordt gelet op: oriëntatie en ontsluiting; plaatsing op de kavel; hoofdmassa (hoogte, breedte, kapvorm); positionering aan- en uitbouwen en bijgebouwen; hoofdmateriaal- en kleurgebruik. Het bouwplan op zichzelf compositie van de hoofdmassa (verhoudingen hoofdvorm, dakvorm) gevelcompositie (vlakken, openingen, onderlinge verhoudingen); materiaal- en kleurgebruik. Detaillering In gebieden met een lichte welstandstoets wordt niet getoetst op het aspect detaillering. 4.1.2 Toetscriteria voor gebieden met een gemiddelde en zware welstandstoets Relatie met de omgeving Aansluiten bij de kenmerken van het gebied en de omliggende bebouwing, daarbij wordt gelet op: oriëntatie en ontsluiting; plaatsing op de kavel; hoofdmassa (hoogte, breedte, kapvorm, …); positionering aan- en opbouwen (dakkapellen, serres, erkers, …); hoofdmateriaal- en kleurgebruik. Het bouwplan op zichzelf compositie van de hoofdmassa (verhoudingen hoofdvorm, dakvorm, ...); gevelcompositie (vlakken, openingen, onderlinge verhoudingen); vormgeving van ‘ondergeschikte elementen’ (dakkapellen, erkers, …); materiaal- en kleurgebruik. Detaillering kozijnindeling en -detaillering; detaillering van karakteristieke bouw-elementen (zoals dakkapellen, erkers, goten, …); genuanceerd materiaal- en kleurgebruik.

Rechtspraak bij dit artikel