Artikel 1:6 van de Apv geeft aan dat een vergunning kan worden ingetrokken, geschorst of gewijzigd indien:
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;
de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen;
van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn, dan wel bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
indien de houder dit verzoekt.
Opgemerkt wordt dat - als het college overweegt om een vergunning in te trekken, te wijzigen of op te schorten- het college de belanghebbende voorafgaande hieraan in de gelegenheid moet stellen om zijn/haar zienswijze in te dienen. Dit volgt uit artikel 4:8 van de Awb.
Als na het verstrijken van een termijn van drie maanden, na vergunningverlening, geen standplaats wordt ingenomen, kan het college navraag doen/onderzoek verrichten.
Het college zal dan navragen of in de nabije toekomst gebruik zal worden gemaakt van de standplaatsvergunning. Indien verwacht wordt dat de standplaats niet zal worden ingenomen door de betreffende vergunninghouder dan kan het college de standplaatsvergunning intrekken op grond van artikel 1:6 van de Apv. Het is namelijk niet de bedoeling om slapende vergunningen te creëren en in stand te houden.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.8