Naar hoofdinhoud
16.1. De erfpachter is verplicht de onroerende zaak en de opstallen overeenkomstig de in de erfpachtakte aangegeven bestemming te gebruiken. Mitsdien is het de erfpachter ook niet geoorloofd de onroerende zaak en de opstallen geheel of gedeeltelijk niet of nagenoeg niet te gebruiken. Onttrekking van DAEB-bezit aan de voorraad en mitsdien de overheveling daarvan naar niet-DAEB-bezit wordt in het kader van het in dit artikel bepaalde aangemerkt als een wijziging van de in de erfpachtakte aangegeven bestemming van de onroerende zaak en de opstallen en aldus als een wijziging in het gebruik daarvan, namelijk een wijziging van woningen met bestemming verhuur in de sociale huursector (sociale huurwoningen) met dienovereenkomstig gebruik in woningen met bestemming verhuur in de vrije huursector (geliberaliseerde of vrije sector huurwoningen) met dienovereenkomstig gebruik, in welk geval het bepaalde in artikel 16.4 van toepassing is. Datzelfde is het geval bij onttrekking van DAEB-bezit aan de voorraad door uitponding (verkoop, levering en overdracht) van sociale huurwoningen en bij een herstructurering van DAEB-bezit waarbij de onroerende zaak opnieuw wordt bebouwd en bij vernieuwbouw van DAEB-bezit waarbij de opstallen ingrijpend worden gewijzigd. 16.2. Het is de erfpachter niet geoorloofd de onroerende zaak en de opstallen zodanig te gebruiken dat zulks uit oogpunt van welstand bezwaar oplevert. 16.3. Evenmin is het de erfpachter geoorloofd door het gebruik van de onroerende zaak en de opstallen aan derden hinder en overlast te bezorgen. 16.4. De gemeente kan ontheffing verlenen van de in artikel 16.1 tot en met 16.3 genoemde verplichtingen en verboden op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de erfpachter. Indien de gemeente ontheffing van een verbod of verplichting verleent, kan zij hieraan voorwaarden verbinden, waaronder de herziening van de canon en de grondwaarde op voet van artikel 12 en voor zover van toepassing artikel 12A.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel