Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 1

Begrippenkader

Onderdeel van Treasurystatuut Leidschendam-Voorburg 2020

In dit statuut wordt verstaan onder: Daggeldrente: de daggeldrente is de dagelijkse vaststelling door de Europese Centrale Bank van de rente waartegen gemiddeld genomen overnight en zonder onderpand liquiditeiten zijn geleend in de eurogeldmarkt door een panel van banken (EONIA, afgerond op 2 decimalen). Depositorekening: een depositorekening is een bankrekening waarbij het gestorte bedrag gedurende een afgesproken termijn niet opeisbaar is. De rentevergoeding is echter relatief hoog. Derivaten: financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren. Dispositieruimte: het bedrag dat de gemeente maximaal kan opnemen van de bankrekening rekening houdend met het kredietplafond. Financiering: het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één aar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen. Financieringsparagraaf: paragraaf in de begroting en jaarrekening waarin de beleidskaders van het Treasurystatuut worden vertaald in beleidsvoornemens (begroting) en realisatie (jaarrekening). Garantie: middel om door borgstelling medewerking te verlenen aan het kunnen aantrekken van financiering (bankkrediet) door private instellingen om die instellingen in staat te stellen activiteiten te realiseren, die de gemeente maatschappelijk van belang acht, zonder hiervoor directe financiële middelen beschikbaar te stellen. Daarbij is de overtuiging dat deze activiteiten met publiek belang anders niet tot stand komen. Geldstromenbeheer: al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer). Hoofdsomgarantie: gegarandeerde terug ontvangst of terugbetaling van de hoofdsom van een aangetrokken of uitgezette geldlening. Intern liquiditeitsrisico: de risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen. Kasgeldlimiet: een bedrag op basis van de Wet Fido ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar. De kasgeldlimiet begrenst de omvang van de korte financiering (korter dan een jaar). Koersrisico: het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen. Kredietrisico: de risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig)na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of faillissement. Liquiditeitenbeheer: het aantrekken en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar. Liquiditeitenplanning: een gestructureerd overzicht van de toekomstige ontvangsten en betalingen ingedeeld naar aard en transactiedatum. Openbaar lichaam: een bestuursorgaan met rechtspersoon, zijnde de staat, zijn territoriale lichamen, publiekrechtelijke instellingen en verenigingen gevormd door een of meer van deze lichamen of meer van deze publiekrechtelijke instellingen. Rating: de inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier van een bank of financiële instelling. Renterisico: gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen. Rentecompensatiecircuit: Dit is een systeem waarbij de (valutaire) debet en creditsaldi van alle rekeningen van een organisatie worden samengevoegd tot één gecombineerd saldo, waarover de rente wordt berekend. Renterisiconorm: een bij de aanvang van enig jaar bepaalde norm voor de vaste schulden die in een jaar maximaal mag worden afgelost en geherfinancierd. Deze norm wordt bepaald op basis van een op de Wet Fido gefixeerd percentage van het totaal van de vaste schuld van de gemeente. In de realisatie mogen de daadwerkelijke aflossingen en herfinancieringen deze norm niet overschrijden. Bij het aantrekken van nieuwe leningen zal dan ook bij het bepalen van de looptijd van en aflossing daarop rekening moeten worden gehouden met de aflossingen op bestaande leningen. Rentetypische looptijd: het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding. Rentevisie: toekomstverwachting over de renteontwikkeling. Saldobeheer: het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen. Solvabiliteitsratio van 0%: status die door een bancaire toezichthouder in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (lidstaten van de Europese Unie uitgebreid met Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) aan het schuldpapier van een onderneming kan worden toegekend. Totaalfinanciering: Alle gemeentelijke inkomsten en uitgaven worden bij totaalfinanciering gesaldeerd voordat de gemeente zich op de geld- of kapitaalmarkt begeeft. Zie ook definitie van financiering. Treasuryfunctie: de treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: risicobeheer, gemeentefinanciering, kasbeheer en relatiebeheer. Uitzetting: het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeen gekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer. Wet Fido: de Wet financiering decentrale overheden.

Rechtspraak bij dit artikel