Wanneer een inwoner een vervoersprobleem heeft, onderzoekt het college of de belemmeringen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen, kunnen worden verminderd of weggenomen. Onder eigen kracht valt de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening als deze het ondervonden vervoersprobleem kan verminderen of wegnemen. Dit kan bijvoorbeeld een (tweedehands) fiets of een fiets met een lage instap zijn. Maar ook het aanleren van vaardigheden, zoals het leren fietsen of behalen van een scooterrijbewijs. Ook gaat het college na in welke mate er een beroep kan worden gedaan op gebruikelijke hulp of hulp vanuit het sociaal netwerk. Beschikt de partner of een meerjarige huisgenoot over een auto, kan de inwoner 1x per week met de buurvrouw meerijden naar de kaartclub of kan een vriend of vriendin ook eens naar de inwoner toekomen in plaats van andersom?
Een probleem bij het lokaal verplaatsen kan in veel gevallen ook worden verminderd of worden weggenomen door gebruik te maken van andere of algemene voorzieningen. Voorbeelden van andere voorzieningen waarop een beroep kan worden gedaan, zijn zoals eerder genoemd leerlingenvervoer (vervoer van huis naar school en visa versa), ziekenhuisvervoer vanuit de Zvw of vervoer van- en naar werk vanuit het UWV. Wanneer een inwoner op basis van een Wlz-indicatie in een instelling verblijft, dan dient ook het vervoer vanuit de Wlz te worden gefinancierd. Als iemand vanwege zijn beperking niet meer zelf mag autorijden, kan het reizen met openbaar vervoer als algemene voorziening een alternatief zijn. Of een OV-begeleiderskaart waardoor een begeleider gratis mee mag reizen in het OV als alleen reizen geen optie is. Andere voorbeelden van algemene voorzieningen die beschikbaar zijn, zijn de buurtbus zoals de GeinExpress of een OV-coach project geboden door diverse welzijnsorganisaties of vrijwilligers Zie voor een niet limitatieve lijst met voorbeelden van algemene voorzieningen ook bijlage 1.
Enkel wanneer bovenstaande opties het vervoersprobleem naar het oordeel van het college onvoldoende verminderen of wegnemen, kan vanuit de Wmo één of meerdere maatwerkvoorzieningen ‘Vervoer’ worden toegekend.
De vervoersbehoefte
Een belangrijk aspect van het vervoersprobleem is de vervoersbehoefte van de inwoner. Een aantal vragen dat onderdeel uitmaakt van het onderzoek naar de vervoersbehoefte, zijn:
Hebben de ondervonden belemmeringen betrekking op de korte, middellange of lange afstanden of een combinatie? En wat zijn de (eigen) mogelijkheden?
Welke bestemmingen/locaties wil de inwoner bereiken en zijn deze gewenste vervoersbewegingen noodzakelijk voor zijn maatschappelijke participatie?
Zijn er vaste bestemmingen/locaties aan te merken en kan een inschatting worden gemaakt van de vervoersfrequentie?
Het college kan als zij dat nodig acht voor het onderzoek onafhankelijk medisch advies inwinnen. Wanneer de echtgenoot van de inwoner ook een beperking heeft en hiervan belemmeringen ondervindt bij het lokaal verplaatsen, kan de vervoersbehoefte van de inwoner en die van de echtgenoot samen worden beoordeeld. In het onderzoek weegt het college ook de leeftijd van de inwoner en de mate waarin zijn vervoersbehoefte afwijkt van die van een leeftijdgenoot zonder een beperking mee.
Afweging openbaar vervoer als algemene voorziening
Om te beoordelen of openbaar vervoer als algemene voorziening een door een inwoner ondervonden vervoersprobleem kan verminderen of wegnemen, kijkt het college naar de volgende aspecten:
De fysieke en/of mentale beperkingen en (aan te leren) mogelijkheden/ vaardigheden van de inwoner om het openbaar vervoer te kunnen bereiken en gebruiken.
De mate waarin gebruikelijke hulp, hulp uit het sociaal netwerk, een andere voorziening, algemene voorziening of een maatwerkvoorziening Wmo kan bijdragen aan het gebruik van het openbaar vervoer door de inwoner. Denk bijvoorbeeld aan een partner of vriend die kan begeleiden, de GO-OV-app, OV-maatjesprojecten, een OV-begeleiderskaart of therapie om een angststoornis te behandelen of begeleiding om het reizen met OV aan te leren.
Voor de bereikbaarheid, het gebruik en de fysieke toegankelijkheid van het openbaar vervoer, hanteert het college de volgende uitgangspunten:
Wanneer de inwoner 400 meter of meer kan lopen al dan niet met hulpmiddel, is het openbaar vervoer voor de inwoner bereikbaar. De dekkingsgraad van het openbaar vervoer in Nieuwegein is immers redelijk hoog; op gemiddeld 300 meter van een woning is een OV-halte gelegen.
Wanneer een inwoner ondanks zijn beperking al dan niet met ondersteuning in staat is een OV-overstap te maken (ongeacht hoeveel tijd dit in beslag neemt), is het openbaar vervoer door de inwoner te gebruiken.
Wanneer een inwoner gezien zijn beperking op grond van de site van OV9292.nl (https://9292.nl/extra/toegankelijkheid) met trein/bus/tram kan reizen, is het openbaar vervoer voor de inwoner fysiek toegankelijk.
Het college kan ten behoeve van haar oordeel of openbaar vervoer het vervoersprobleem van de inwoner geheel of gedeeltelijk kan oplossen, onafhankelijk medisch advies inwinnen.
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.4
Artikel 5.4.1
Het afwegingskader
Onderdeel van Beleidsregels Wmo en Jeugdhulp gemeente Nieuwegein 2020