Een jong kind met een beperking kan bij het lokaal/ regionaal verplaatsen vaak op dezelfde manier vervoerd worden als een leeftijdgenoot zonder beperking. Vaak met een voorziening die als algemeen gebruikelijk wordt gezien. Denk aan een buikdrager, Maxi-Cosi, kinderwagen, buggy of een fietszitje/autostoeltje. Bovendien zijn jonge kinderen in hun verplaatsings- en vervoersbehoefte nog grotendeels afhankelijk van hun ouders. Toch kan ook een jong kind (onder de zes jaar) als gevolg van een beperking belemmeringen ondervinden in het meedoen (participeren) en dus een vervoersbehoefte hebben waarvoor een maatwerkvoorziening Wmo Vervoer kan worden toegekend. Denk aan het meedoen in het spel buiten met andere kinderen of het fietsen (al dan niet onder begeleiding van een volwassene) naar opa of oma in de wijk.
Ook hier geldt dat een maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ pas wordt toegekend, na het toepassen van het afwegingskader zoals gesteld in paragraaf 5.4.1, en dus wanneer andere opties onvoldoende uitkomst bieden. Zo zijn er ook algemene voorzieningen die kunnen voorzien in de vervoersbehoefte van een jong kind. Denk bijvoorbeeld aan een speel-o-theek voor kinderen met een functiebeperking of ontwikkelingsachterstand waar aangepaste kinderfietsen geleend kunnen worden, zoals driewielers of (loop)fietsen in verschillende varianten of hoogtes die kinderen met een beperking in staat stellen met leeftijdgenoten buiten te spelen of per fiets een bezoek te brengen aan opa of oma in de wijk. Wanneer een vervoersvoorziening tot doel heeft de functie over te nemen (bijvoorbeeld het lopen) in plaats van maatschappelijk te kunnen participeren, kan aanspraak worden gemaakt op ondersteuning vanuit de Zvw in plaats van de Wmo.
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.4
Artikel 5.4.6
Vervoersbehoefte kinderen
Onderdeel van Beleidsregels Wmo en Jeugdhulp gemeente Nieuwegein 2020