Op grond van de Jeugdwet (artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet) hoeft het college geen voorziening Jeugdhulp te treffen wanneer de jeugdige of de ouders in staat zijn de problemen zelf op te lossen. Dit wordt in de praktijk ook wel ‘eigen kracht’ genoemd en is gebaseerd op het principe dat ouders op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen en dus ook voor het oplossen van problemen die zich daarbij voordoen.
Om te bepalen of sprake is van voldoende eigen kracht van ouders, hanteert het college de volgende hulpvragen:
Is de ouder (en/of het sociaal netwerk) in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
Is de ouder (en of het sociaal netwerk) beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?
Levert het bieden van de hulp overbelasting van de ouder op?
Levert het bieden van de hulp financiële problemen op?
Wanneer uit het onderzoek naar deze factoren blijkt dat de ouder de benodigde hulp kan bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan het college concluderen dat er sprake is van voldoende eigen kracht. Ook bij een bovengebruikelijke hulpvraag hoeft in dat geval geen maatwerkvoorziening Jeugdhulp te worden ingezet.
Kortom, ouders zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor (boven)gebruikelijke hulp.
Wanneer uit het onderzoek blijkt dat het bieden van bovengebruikelijke hulp overbelasting van de ouder oplevert, hanteert het college als uitgangspunt dat in die situatie geen maatwerkvoorziening Jeugdhulp in de vorm van een pgb kan worden toegekend voor ondersteuning aan het kind geboden door de overbelaste ouder. Zie ook paragraaf 4.4.4.
Hoofdstuk 6. › Paragraaf 6.1
Artikel 6.1.1
Eigen kracht bij een bovengebruikelijke ondersteuningsvraag
Onderdeel van Beleidsregels Wmo en Jeugdhulp gemeente Nieuwegein 2020