8.1 Bestemmingsomschrijving
De als zodanig op de plankaart aangegeven gronden zijn bestemd voor:
behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden;
en voor de volgendesociaal-economische doeleinden:
uitoefening van het agrarisch bedrijf;
bosbouw;
dagrecreatie;
wonen, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangeduidmet 'woning' en/of 'dubbele woning';
sportterrein, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangeduidmet 'sportterrein';
niet-agrarische bedrijven, uitsluitend voorzover de gronden op de verbeelding zijn aangeduidmet 'bedrijvencategorie B2';
maatschappelijke doeleinden,uitsluitend voor zover de gronden op de verbeeldingzijnaangeduid met 'maatschappelijke doeleinden';
verkeer, uitsluitendvoorzover het de bestaande wegen betreft;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
bestaand bos, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangeduidmet 'bestaand bos'.;
ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken.
8.1.1 Nadere uitwerking bestemmingsomschrijving
De doeleinden ten aanzien van het behoud,herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden worden nagestreefd door middel van behoud, herstel en/of ontwikkeling van de volgendeessentiële ruimtelijke randvoorwaarden:
- ecologisch en landschappelijke waardevolle beplanting;
- zowel loof- als naaldbos;
- uitgebreid padennetwerk;
- op grote schaal voorkomenvan stermos en hulst;
- enige restantenvan heideterreintjes;
- enige dobben;
- vrijwel ontbrekenvan bebouwing;
- veel bodemgradiënten;
- aardkundig waardevol.
In het doel 'uitoefening van het agrarischbedrijf' zijn kwekerijen alsmede het kwekenvan laan- en parkbomenen boomfruitteelt niet begrepen.
In het doel 'Ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken' geldt dat nieuwe ontsluitingsvoorziening alleen zijn toegestaan, voor zover de overige doeleinden uit de bestemming niet in hun doelmatig gebruiken/of hun functie worden beperkt.
In het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' is het vergisten van mest/organische bijproducten begrepen tot een doorzet van maximaal 100 ton per etmaal.
Mestopslagplaatsen, toren- en sleufsilo's zijn niet in het doel 'uitoefening vanhet agrarisch bedrijf' begrepen.
Het doel 'bosbouw'is beperkt tot bestaand bos of bosstroken en voor de aanplant van bos en bosstroken.
Het doel 'niet-agrarische bedrijven' is beperkt tot de op het moment dat de beheersverordening is vastgesteld aanwezigebedrijfsuitoefening en voor nijverheidsbedrijven of ambachtelijke of dienstverlenende bedrijven (waaronder opslag begrepen)genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijven dan wel hiermee wat betreft het leefklimaat vergelijkbare bedrijven. Bij de beoordeling of er sprake is van een bedrijf dat wat betreft het leefklimaat vergelijkbaar is met de bedrijvengenoemd in de categorieën 1 en 2, ligt de nadruk op de aspectengeluid, lucht, water,
bodem en verkeer.
Het doel 'dagrecreatie' is beperkt tot de inrichtingen het gebruik van de bestaande dagrecreatieve terreinen,de met 'dagrecreatie' aangegeven gronden en van dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeervoorzieningen, visoevers en naar de aard daarmeegelijk te stellen voorzieningen.
Van de in de bestemming begrepen wegen mag het aantal rijstroken ten hoogste het bestaande aantal bedragen.
8.1.2 Onderlinge verhoudingen
Ondergeschikte doeleinden
Alle overige doeleinden zijn ondergeschikt aan de doeleinden 'behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden' en 'dagrecreatie'.
Bovengeschikte doeleinden
De doeleinden 'behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden' en 'dagrecreatie' zijn bovengeschikt aan de overigedoeleinden.
Nevengeschikte doeleinden
Voorzover de onderlinge verhouding niet is aangemerkt als ondergeschikt of bovengeschikt zijn de doeleinden nevengeschikt aan elkaar.
Voorzover activiteiten slechts toelaatbaar zijn op grond van een afwijking of aanlegvergunning zal voorzoverhet betreft het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke en
natuurlijke waarden de onderlinge verhouding worden bepaald ten opzichte van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de in 8.1 genoemde kenmerken en kwaliteiten.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Bebouwing ten dienste van de bedrijfsmatigeuitoefening van het agrarisch bedrijf
de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende bebouwing waarbij een intensieve tak is uitgesloten, ter plaatse van de aanduiding grondgebonden agrarisch bedrijf,mits deze gegroepeerd wordt binnen een oppervlakte van 1 ha;
8.2.1.1. Bedrijfsgebouwen
- De oppervlakte van gebouwen ten behoeve van fokkerijen,mesterijen en/of pluimvee mag per bedrijf aangegevenmet 'grondgebonden agrarischbedrijf' ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen.
- Van gebouwenmag de goot- en bouwhoogte ten hoogste 4,5 m respectievelijk 12 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte bedragen. De afstand tot de perceelgrens bedraagt ten minste 2,5 m;
- Binnen het genoemde aaneengesloten oppervlak vam 1 ha zijn geen mest- en sleufsilo's toegestaan.
8.2.1.2. Bedrijfswoningen
Per bedrijf is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan. Wat betreft de bouwvoorschriften van bedrijfstwoningen, gelden de bepalingen zoals opgenomen in 8.2.2.
8.2.1.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
- Binnen het genoemde aaneengesloten oppervlak van 1 ha mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwenzijnde, ten hoogste 12 m bedragen en is de bouw van mest- en sleufsilo's niet toegestaan;
- Buiten het genoemde aaneengesloten oppervlak van 1 ha, mogen uitsluitend andere bouwwerken, niet zijnde overkappingen en mest- en sleufsilo's , worden gebouwd tot een maximalebouwhoogte van 3 m.
8.2.1.4 Overige bepalingen
De bebouwing dient per bedrijf te worden geconcentreerd binnen een denkbeeldige vierhoek. De uitbreidingsrichting dient aan te sluiten bij het aanwezige bebouwingspatroon, waarbij tevens rekening dient teworden gehouden met het uitzicht van woningen.
8.2.2 Bebouwing ten dienste van wonen
8.2.2.1 Bouwregels hoofdgebouw
Ten behoeve van wonen is per met 'woning' aangeduid gebied ten hoogste één woning toegestaan;
Per met 'dubbele woning' aangeduid gebied zijn ten hoogste twee woningen toegestaan, uitsluitend in de vorm van twee-aaneen-gebouwde woningen dan wel in de vorm van twee wooneenheden in een voormalig agrarisch bedrijf;
De goothoogte bedraagt voor ten minste 65 % van de lengte maximaal 3,5 m en voor het resterende gedeelte ten hoogste 4,5 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen;
De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m;
Het hoofdgebouw moet zijn voorzien van een kap, waarvan de helling minimaal 30° en maximaal 60° dient te bedragen;
Bij verbouw dient te worden aangesloten bij de bestaandeverschijningsvorm;
gDe oppervlakte van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 200 m², dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is.
8.2.2.2. Bouwregels bijgebouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen, waaronder begrepen aan- en uitbouwen, de volgende bepalingen gelden:
De gezamenlijke oppervlakte aan aan- en bijgebouwen per hoofdgebouw bedragen maximaal:
1. 150 m2 bij een erf met een oppervlakte tot 1.500m2;
2. 175 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 1.500m2 tot 2.000 m2;
3. 200 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 2.000m2 en groter;
met dien verstande dat:
ten hoogste 50% van het bij het hoofdgebouw aansluitende erf mag worden bebouwd;
de afstand tussen het hoofdgebouw en bijgebouwen maximaal 30 me ter mag bedragen;
de bouwhoogteniet meer dan 80% van de bouwhoogtevan het hoofdgebouw mag bedragen, met dien verstandedat de bouwhoogte in ieder geval maximaal 6 meter mag bedragen, ongeacht de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
een bijgebouw moet zijn voorzien van kap, waarvan de dakhelling niet minder dan 30°en niet meer dan 60° mag bedragen;
In aanvullingop het bepaalde onder sub a tot en met sub e is de bestaande maatvoering toegestaan, met uitzondering van op het tijdstip van inwerking treden van het plan bestaande maatvoering die is gebouwd zonder vergunningen in strijd is met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Wanneer dit bestaande bijgebouw wordt gesloopt is voor de bebouwinghet bepaalde onder sub a tot en met sub e van toepassing, met uitzondering van de oppervlakte. Hiervoor geldt dat de bestaande overschrijding van het aantal vierkantemeters aan aan- en bijgebouwen terug mag worden gebouwd,tot een maximum van 500 m2 aan aan- en bijgebouwen. Hierbij zijn de m2 die bij recht zijn toegestaan inbegrepen.
5.2.2.3. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte vanbouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 3 meter mag bedragen, met dien verstande dat voor erf- of perceelsafscheidingen geldt dat de hoogte:
maximaal1 meter mag bedragen; of
maximaal 2 meter mag bedragen,mits meer dan 1 meter achter het verlengdevan de voorgevelvan het hoofdgebouw wordt gebouwd.
8.2.3 Bebouwing ten dienste van niet-agrarische bedrijven
Ten behoeve van de betreffende bedrijven op de verbeelding aangegeven met 'bedrijven, categorie B2' mag de oppervlakte van de bestaande gebouwen met maximaal 10% worden vergroot;
De goot- en bouwhoogtevan de gebouwen mogen maximaal 4,5 m respectievelijk 12 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte bedragen, indien deze meer bedragen;
De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m;
De bouwhoogtevan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen;
De bouw van bedrijfswoningen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoningen, niet toegestaan;
Wat betreft de regels van bedrijfswoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 8.2.2.
8.2.4 Bebouwing ten dienste van maatschappelijkedoeleinden
Ten behoeve van de op de verbeelding met 'maatschappelijke doeleinden' aangeduide gronden mag de oppervlakte van de bestaande gebouwen met maximaal 10% worden vergroot;
De goot- en bouwhoogtevan de gebouwen mogen maximaal 3,5 m respectievelijk 8 m, dan wel ten hoogste de bestaandegoot- en bouwhoogte bedragen, indien deze meer bedragen.
De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m;
De bouwhoogtevan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen.
8.2.5 Bebouwing ten dienste van sportterrein
Ten behoeve van de op de verbeelding met 'sportterrein' aangeduide gronden mag maximaal 4% van de oppervlakte worden bebouwd ten behoeve van beheersgebouwen en kleed- en wasruimtes;
De bouwhoogte van de gebouwen mag maximaal 10 m bedragen, dan wel ten hoogste de bestaande bouwhoogtebedragen, indien deze meer bedraagt.
De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m;
De bouwhoogtevan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag met uitzondering vanverlichting, ballenvangers en tribunes,ten hoogste 3 m bedragen. Per sportvereniging is ten hoogste 1 lichtkranttoegestaan met een hoogte van 3 m, een breedte van 1,5 m en een dikte van 0,5 m.
8.2.6 Bebouwing ten dienste van overige doeleinden
Voor het doel 'verkeer' is het bouwen beperkttot bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van maximaal 12 m.
8.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan:
de plaats van de bebouwingten behoeve van agrarischebedrijven in die zin dat: 1. dient te worden gebouwd binnen een denkbeeldige vierhoek; 2. de maximalebreedte langs de weg ten hoogste 100 m en de maximale diepte ten hoogste 200 m mag bedragen;
de goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, nokrichting en dakvorm en afmeting van de gebouwen;
de situeringvan woningen en aanbouwen en bijgebouwen;
de situeringvan gebouwen en bouwwerken bij agrarische bedrijven in die zin dat wordtgestreefd naar een geconcentreerde vorm van bebouwingbinnen een bouwvlak;
de verhouding tussen de oppervlakte van het hoofdgebouw en de aanbouwen en bijgebouwen.
8.4 Afwijken bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van:
1. van het bepaaldein 8.2.1.2 en de bouw van een tweede bedrijfswoning toestaan bij een agrarisch bedrijf, mits wordt gebouwd binnen het in 8.2.1 genoemdeaaneengesloten oppervlak, mits:de noodzaakvan de tweede bedrijfswoning is aangetoond voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf;de levensvatbaarheid van het agrarisch agrarisch bedrijf is aangetoond.
2. een vergrotingvan het oppervlak ten behoeve van fokkerijen,mesterijen en/of pluimvee, bij de met 'grondgebonden agrarischbedrijf' aangeduide bedrijven, indien dit noodzakelijk is op basis van wettelijke regels op het gebied van dierenwelzijn en -gezondheid, mits wordt gebouwd binnen het in 8.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlak;
3. een grotere goothoogtevan agrarische bedrijfsgebouwen tot een goothoogte van 5 m;
4. de bouw van een mestsilo binnen het in 8.2.1 genoemdeaaneengesloten oppervlak tot een inhoud van 2.500 m3 eneenbouwhoogte van ten hoogste 5 m (exclusief afdekking);
5. de bouw van een sleufsilo binnen het in 8.2.1 genoemdeaaneengesloten oppervlak tot een inhoud van 2.500 m3 en een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
6. het afwijken van de bestaande verschijningsvorm bij her- en/of verbouw van een bestaand hoofdgebouw, uitsluitend voorzover het pand op de verbeelding is aangeduid met 'woning' of 'dubbele woning', mits: bestaande verschijningsvorm stedenbouwkundig gezien niet de meest gewenste is; indien van toepassingbij het wijzigen van de verschijningsvorm rekening wordt gehoudenmet de ter plaatse geldende uitgangspunten zoals deze in de nota ruimtelijke kwaliteit zijn vastgelegd;
b. De onder a bedoelde afwijking mag:
1. geen onevenredige afbreuk doen aan de in 8.1 omschreven waarden;
2. geen onevenredig negatieve invloed hebben op het milieu,de kwaliteit van de bodem en het grond- en oppervlaktewater;
3. geen negatieve invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van andere gronden en gebouwen.
8.5 Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdigmet deze bestemming zoals bedoeld in 8.1 jo artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
1. het gebruik van vrijstaandebijgebouwen voor bewoning met uitzondering van mantelzorg;
2. het gebruik van de gronden voor een paardenbak, met uitzondering van alle soortenagrarische bedrijven en niet agarischebedrijven categorie B1;
3. het gebruik van recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen ten behoeve vanpermanente bewoning;
4. het gebruik van kampeermiddelen ten behoeve van bewoning.
Gebruik van ruimten binnen de (bedrijfs)woning of in de daarbij behorende bijgebouwen tenbehoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, wordt als gebruikovereenkomstig de bestemming aangemerkt, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
1. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met bijbehorende bijgebouwen mag, indien dat niet meer dan 75 m² betreft, worden gebruikt voor aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten;
2. de activiteitdient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de woonomgeving;
3. de activiteit mag niet vergunningplichtig danwel meldingsplichtig ingevolge de Wetmilieubeheer zijn;
4. er mag geen detailhandel ter plaatse plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit van de aan-huis-verbonden activiteit of e-commerce;
5. ten behoeve van e-commerce is geen showroomaanwezig.
8.6 Afwijken van de gebruiksregels
Burgemeester en wethouderskunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.5 indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringenderedenen wordt gerechtvaardigd;
Burgemeester en wethouderskunnen bij omgevingsvergunning afwijken van de regels en toestaan dat mestopslagen, welke niet als bouwwerk worden aangemerkt, worden aangebracht binnen het in 8.2.1 aaneengesloten oppervlak tot een inhoud van 2500m3;
Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van het gebruik van gronden voor een paardenbakbij omgevingsvergunnning afwijken van de regels, met dien verstande dat:
1. de afwijkingalleen betrekking heeft op de aanduiding wonen;
2. de afstand tot het erf niet meer dan 30 m bedraagt;
3. de afstand tussen de paardenbaken een bestaande woning van derden ten minste 15 m bedraagt;
4. de oppervlakte van de paardenbak niet meer dan 800 m² bedraagt;
5.een open omheining wordt toegepast met een maximalehoogte van 2 m;
6. de paardenbakniet is voorzien van bestrating of andere verharding;
7. de hoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 3,5 m met dien verstande dat de lampen moeten worden voorzien van een afschermende kap, waardoor de lichtbundel uitsluitend is gericht op de paardenbakzodat de omgeving gevrijwaardblijft vanlichthinder;
8. een goede landschappelijke inpassing is gewaarborgd.
Burgemeester en wethouderskunnen ten behoeve van evenementenbij omgevingsvergunningafwijken van de regels;.
De onder b, c en d genoemdeafwijking mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in 8.1omschreven waarden.
8.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het is verbodenzonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
1. het aanleggenvan dagrecreatieve voorzieningen zoals picknickplaatsen en parkeervoorzieningen;
2. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen;
3. het aanbrengen van lijnvormige beplantingen;
4. het dempen van wijken en sloten;
5. het kappen van bos, voorzoverop de plankaart aangeduid als 'bestaand bos';
6. het aanplantenvan bos;
7. het aanbrengen van drainage en/of een greppelsysteem, het zoeken naar delfstoffen (seismisch onderzoek en exploratieonderzoek), het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergrotenof verkleinen van het doorstromingsprofiel en het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen voorzoverhet betreft de gronden op de toetsingskaartaangegeven met 'hydrologisch aandachtsgebied'.
de sub a bedoelde vergunning is niet vereist indien:
1. het werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoudtot doel hebben;
2. de sub a, onder 3 bedoelde vergunning is niet vereist indien sprake is van erfbeplanting. 1. De sub a bedoelde vergunningis niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoudtot doel hebben.
Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in z'n geheel in de beoordeling betrokken.
De sub a bedoelde vergunning mag geen onevenredige afbreukdoen aan de in 8.1 omschreven waarden.
Indien de aanlegvergunning gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding, wordt de aanvraag voor de aanlegvergunning voorgelegd aan het betreffende waterschap met het verzoek de aanvraag te voorzien van een deskundigenadvies.
Voorzover de sub a, onder 7 bedoelde vergunning betrekking heeft op gronden welke op de toetsingskaart zijn aangegeven met 'hydrologische aandachtsgebied' en tevens op deplankaartzijn voorzien vande aanduiding 'bestaand bos', zal het verzoek om aanlegvergunning mede worden afgewogenop basis van de gevolgenvoor het omliggende agrarische gebied.
De sub a onder 6 bedoelde vergunning wordt niet eerder verleenddan nadat advies is ingewonnen bij de provincie Drenthe.