Naar hoofdinhoud
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2011) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 14 juni 2011 heeft het kabinet het ontwerp van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) aan de Tweede Kamer gestuurd met daarbij een ontwerp Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte (Barro). In de structuurvisie is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, in standhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in de AMvB Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze AMvB is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Bij de inwerkingtreding van de SVIR en het Barro zullen de Nota Ruimte, de Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid en de Nota Mobiliteit komen te vervallen. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 22 november 2011 onder aanvaarding van een aantal moties door de Tweede Kamer aangenomen en deze is op 13 maart 2012 in werking getreden. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van: Rijksvaarwegen; Project Mainport ontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Ecologische hoofdstructuur; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Vertrouwen in medeoverheden is de basis voor het decentraliseren van beslissingsbevoegdheid. Om die reden bevat deze structuurvisie een beperkter aantal nationale belangen dan voorheen en bevat de AMvB Ruimte minder regels dan eerder was voorgenomen. Het Rijk gaat er vanuit dat de nationale ruimtelijke belangen die via wet- en regelgeving aan andere overheden opgedragen worden door hen goed worden behartigd. Waar de AMvB Ruimte bepalingen bevat aangaande gemeentelijke bestemmingsplannen gaat het Rijk er vanuit dat deze doorwerking krijgen. Aangezien een beheersverordening een zelfde juridische status heeft wordt gekeken of de voorgestelde maatregel een nadere beperking oplevert voor de thans aanwezige bebouwing en gebruik. In de op deze verordening betrekking hebbende gebieden dient alleen rekening te worden gehouden met het onderwerpen: Waddenzee en waddengebied; Defensie; Buisleidingen Ecologische hoofdstructuur en; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament. De overige onderwerpen zijn niet relevant met betrekking tot het verordeningsgebied. 3.1.1.1 Waddenzee en waddengebied Ten aanzien van ‘Waddenzee en waddengebied’ is artikel 2.5.6 gezien de ligging van het plangebied binnen het waddengebied relevant voor deze verordening. In het artikel is geregeld dat op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het waddengebied, dat nieuw gebruik of nieuwe bebouwing dan wel een wijziging van bestaand gebruik of bestaande bebouwing mogelijk maakt en daardoor afzonderlijk of in combinatie met ander gebruik of andere bebouwing significante gevolgen kan hebben voor de landschappelijke of cultuurhistorische kwaliteiten, bedoeld in artikel 2.5.2, zijn de artikelen 2.5.4, 2.5.5 en 2.5.12 van het Barro van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.5.2 geeft aan dat als landschappelijke kwaliteiten van de Waddenzee aangemerkt worden de rust, weidsheid, open horizon en natuurlijkheid met inbegrip van de duisternis. Significante gevolgen voor de landschappelijke kwaliteiten zijn uitgesloten, omdat de beheersverordening conserverend van aard is. Nieuwe ontwikkelingen welke mogelijk zichtbaar zijn vanaf het buitenwater zijn niet aanwezig, of zijn zo laag dat deze worden afgeschermd door de Zeewering / bestaande bebouwing. Concluderend kan gesteld worden dat de beheersverordening niet voorziet in nieuwe ontwikkelingen die voorzien in afwijkende maximale bouwhoogten en in bijzondere functies die een effect zouden kunnen hebben op de rust, weidsheid, open horizon en natuurlijkheid met inbegrip van de duisternis. Artikel 2.5.2 geeft bovendien aan dat als cultuurhistorische kwaliteiten van de Waddenzee aangemerkt worden: de in de bodem aanwezige archeologische waarden, en de overige voor het gebied kenmerkende cultuurhistorische structuren en elementen, bestaande uit: historische scheepswrakken; verdronken en ondergeslibde nederzettingen en ontginningssporen, waaronder de dam Ameland-Holwerd; zeedijken en de daaraan verbonden historische sluizen, waaronder het ensemble Afsluitdijk; landaanwinningswerken; systeem van stuifdijken; systeem van historische vaar- en uitwateringsgeulen, en kapen. Artikel 2.5.12. (bebouwing in het waddengebied) geeft de volgende aanvullende bepalingen: Onverminderd wat elders in dit besluit is bepaald ter zake van bebouwing, stelt een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het waddengebied, dat het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk maakt: in het stedelijk gebied: regels die ertoe strekken dat de maximaal toelaatbare bouwhoogten aansluiten bij de hoogte van de bestaande bebouwing, en buiten het stedelijk gebied: regels die ertoe strekken dat de maximaal toelaatbare bouwhoogten evenals de aard of de functie van nieuwe bebouwing passen bij de aard van het omringende landschap. Een bestemmingsplan voor zover het betrekking heeft op haven gerelateerde en stedelijke bebouwing in Den Helder, Harlingen, Delfzijl en de Eemshaven kan afwijken van het eerste lid, aanhef, en onder a, met dien verstande dat de nieuwe bebouwing blijft binnen de verticale bebouwingscontour. Omdat het plangebied van de beheersverordening conserverend is zijn significante gevolgen voor de cultuurhistorische kwaliteiten uitgesloten. Een noodzaak tot het uitvoeren van een beoordeling van de gevolgen voor de kwaliteiten op grond van artikel 2.5.4 van het Barro en een verbod zoals opgenomen in artikel 2.5.5 van het Barro zijn daarom niet aan de orde. Ten aanzien van het gestelde in artikel 2.5.12 kan gesteld worden dat de verordening alleen doe bebouwing mogelijk maakt die al als recht is gegeven in het vorige bestemmingsplan, Bij dit plan was al aangesloten bij elders binnen het plangebied voorkomende bouwhoogten. 3.1.1.2 Defensie (Art 2.6 Barro) Ten aanzien van ‘Defensie’ is van belang dat het plangebied is gelegen binnen het ‘obstakelbeheersgebied’ van Vliegkamp De Kooy, evenals dat over het plangebied een tweetal radarzones zijn gelegen. Tot slot is ten noorden van het verordeningsgebied het militaire complex Het nieuwe Werk gelegen. Militair terrein (Art 2.6.2 Barro) Ten aanzien van ‘Defensie’ is van belang dat het militaire complex De Nieuwe Haven is gelegen ten noorden van het verordeningsgebied, waarbij de zuidpoort van het Defensieterrein en het gebied ’t Kuitje behoren tot het in de Rarro is aangewezen militair terrein. Daarnaast lopen er binnen het plangebied een aantal belemmeringzones die betrekking hebben op het militaire (mede)gebruik van die gronden. Daar waar van toepassing zal het betreffende Barro artikel worden voorzien van commentaar. Op grond van artikel 2.6.3 dienen militaire terreinen bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op die terreinen de bestemming «Maatschappelijk – militair terrein» te krijgen en mogen er geen bestemmingen worden opgenomen die een belemmering kunnen vormen voor de functionele bruikbaarheid van dat terrein. In het meest noordelijke deel van het verordeningsgebied zijn gronden gelegen die zijn aangeduid als Militair terrein. In de regels wordt verwezen naar het onderliggende bestemmingsplan Oostoever 2004, in dit plan wordt het militair gebruik van de betreffende gronden niet beperkt. Daardoor behoeft geen verdere actie ondernomen te worden. Obstakelbeheersgebied tgv. militair luchthaventerrein In artikel 2.6.4, vierde lid van het Barro is geregeld dat de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond in een obstakelbeheersgebied in overeenstemming moet zijn met artikel 16 van het Besluit militaire luchthavens. Daarin is het volgende geregeld: De maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond, die op 25 juni 2004 niet in het obstakelbeheersgebied aanwezig waren is, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer, in overeenstemming met de volgens een in de Staatscourant bekend gemaakte mededeling van Onze Minister van kracht zijnde versie van de NATO Standardization Agreement nr. 3759 betreffende NATO Supplement to ICAO DOC 8168-OPS/611, Volume II, for the preparation of instrument approach and departure Procedures – AATCP-1(B). De maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond, die op 1 november 2006 niet in het obstakelbeheersgebied aanwezig waren, is, in verband met de veiligheid van het landen van luchtvaartuigen met behulp van een instrument landingssysteem, in overeenstemming met de zoals blijkt uit een in de Staatscourant bekend gemaakte mededeling van Onze Minister van kracht zijnde versie van de ICAO EUR DOC 015. Het beeld van de op de luchthaven aanwezige radar mag niet worden verstoord als gevolg van de hoogte van objecten in, op of boven de grond. Zoals ook uit paragraaf 4.9 van deze toelichting blijkt is het voorliggende bestemmingsplan niet in strijd met deze bepalingen. Zend- en ontvangstinstallaties Artikel 2.6.8. Barro (zend- en ontvangstinstallaties en beperkingen in de nabijheid daarvan) Ten noorden van het plangebied binnen het militaire terrein is de zend- en ontvangstinstallatie De Nieuwe Haven aanwezig. In het meest noordelijke deel van het verordeningsgebied zijn gronden gelegen die zijn aangeduid als Zend- en ontvanginstallaties. In de regels wordt verwezen naar het onderliggende bestemmingsplan Oostoever 2004, op grond van dat plan is het alleen mogelijk bebouwing te realiseren binnen bouwvlakken, in de praktijk beperkt zicht dit tot het toegangsgebouw behorende bij de zuidpoort. De verordening voorziet niet in een strijdig gebruik/bebouwing ten aanzien van zend- en ontvangst installaties. Daardoor behoeft geen verdere actie ondernomen te worden. Radarzones Artikel 2.6.9. Barro (militaire radarstations, beperkingen rondom een radarstation en beoordeling gevolgen van bouwwerken) Het plangebied ligt binnen de radarzone van het radarstation in Wier. (zie ook paragraaf 4.9.2). Lid 2, van artikel 2.6.9 Barro stelt dat bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een radarverstoringsgebied voor een radarstation, geen bestemmingen worden opgenomen die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Lid 3 geeft weer dat bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, de maximale bouwhoogten binnen de radarverstoringsgebieden, bedoeld in artikel 2.6.2, negende lid, worden vastgesteld. De beheersverordening is conserverend van aard, waarbinnen ten opzichte van het vorige bestemmingsplan geen nieuwe gebouwen worden mogelijk gemaakt. Binnen de regels zijn de bouwhoogten uit het vorige bestemmingsplan overgenomen. Gezien de maximale hoogte als gevolg van het radarverstoringsgebied in Wier (89 meter + NAP) en de maximaal toegestane hoogte binnen de verordening levert deze geen verstoring op aan de radar in Wier. Munitieopslagplaats (art. 2.6.5 Barro) In artikel 2.6.5. Barro is geregeld hoe een militaire munitieopslagplaats bestemd dient te worden indien deze niet is gelegen binnen een militair gebied alsook de daarbij behorende veiligheidszones (A-zone, B-zone en C-zone, waarbij de A-zone de kleinste afstand tot de munitieopslagplaats heeft en de C-zone de grootste afstand. De munitieopslag is gevestigd ten noorden van het verordeningsgebied waardoor artikel 2.6.7 Barro (gebruik binnen de veiligheidszones) van toepassing is. Artikel 2.6.7. Barro geeft met betrekking tot bestemmingsplannen aan dat: Bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden, gelegen binnen de veiligheidszonering van een militaire munitieopslagplaats of een civiele inrichting voor activiteiten met explosieven wordt de gebiedsaanduiding van de veiligheidszones opgenomen. Bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen de begrenzing van de A-zone worden: geen bestemmingen opgenomen die het oprichten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen mogelijk maken, of de aanleg van autowegen, autosnelwegen, spoorwegen of druk bevaren waterwegen, parkeerterreinen of recreatieve voorzieningen toestaan, en geen agrarische bestemmingen opgenomen die niet kunnen worden gerealiseerd zonder een meer dan incidentele aanwezigheid van enkele personen. Bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen begrenzing van de B-zone worden geen bestemmingen opgenomen die het oprichten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen toestaan. Bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen de begrenzing van de C-zone worden geen bestemmingen opgenomen die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken met vlies- of gordijngevel constructies of grote glasoppervlakten en waarbinnen zich doorgaans een groot aantal personen bevindt. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, kan regels stellen voor de beoordeling van de veiligheidssituatie en het risico van voorgenomen activiteiten in de veiligheidszones. In de verordeningsregels en –verbeelding wordt voor de toetsing verwezen naar het onderliggende bestemmingsplan Oostoever 2004. In dit plan zijn de verschillende zones op de plankaart opgenomen en in is het gebruik beperkt in de bijbehorende voorschriften overeenkomstig de bepalingen in de Barro. Hiermee voldoet de verordening aan het rijksbeleid ten aanzien van munitieopslag. 1.1.1.3Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen In artikel 2.9 Barro is de Structuurvisie Buisleidingen verwerkt. In deze visie wordt aangegeven hoe om te gaan met de leidingtracés die van nationaal belang zijn. Een van die leiding tracés loopt naar het Gasbehandelingsstation op Oostoever. Dit betreft een bestaand leidingtracé waarin een 8-tal buisleidingen gelegen is. In artikel 2.9.3. van de Barro wordt aangegeven dat de gemeenteraad een nadere uitwerking mag maken van het voorkeurstracé. Deze nadere uitwerking dient minimaal het voorkeurstracé met een breedte van 70 meter te bevatten. In het bestemmingsplan Oostoever 2004 is een buisleidingstrook opgenomen welke overeenkomst met het voorkeurstracé. Deze strook eindigt echter bij de perceelgrens van de Gasbehandelingsinstallatie van de NAM. Reden hiervoor is dat binnen de gronden van de NAM buisleidingen zijn toegestaan als onderdeel van de inrichting. In de bij het leidingtracé behorende voorschriften wordt gewaarborgd dat nieuwe (ruimtelijke)ontwikkelingen een belemmering kunnen vormen voor de buisleidingen. Gezien het feit dat in de verordening verwezen wordt naar de regelgeving van het bestemmingsplan “Oostoever 2004” voldoet de verordening aan het rijksbeleid ten aanzien van buisleidingen. 3.1.1.4 Ecologische hoofdstructuur (art 2.10 Barro) In dit artikel wordt bepaald dat de gebieden vallend onder de economische hoofdstructuur (EHS) tegenwoordig Nationaal Natuur Netwerk (NNN) inhoudend een stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten in de provinciale verordening worden aangewezen en beschermd. Voor Noord-Holland is dit gebeurd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV), dit onderwerp zal in het provinciaal beleid verder aan de orde komen. 3.1.1.5Primaire waterkeringen buiten het kustfundament (Art 2.11 Barro) In deze aanvullende regels in de Barro wil men de primaire waterkering en de daarbij behorende beschermingszones buiten het kustfundament regelen. Voor de regels behorende bij de gebieden gelegen buiten het kustfundament wordt verwezen naar de wijze waarop de primaire waterkering en beschermingszone binnen het kustfundament binnen een bestemmingsplan aangegeven dient te worden. Daarnaast wordt bepaald dat de gronden waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van primaire waterkering heeft, of beschermingszones, geen wijziging plaatsvindt van de bestemming van dat gebied ten opzichte van het voorafgaande geldende bestemmingsplan, voor zover de nieuwe bestemming ontwikkelingen mogelijk maakt die het onderhoud, de instandhouding of de versterking van de primaire waterkering kunnen belemmeren. In de beheersverordening wordt niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen. Ten aanzien van de bescherming van de primaire en secundaire waterkering is dit in het onderliggende bestemmingsplan geregeld in de zeewering voor de primaire waterkering en de bestemming boezemkering voor de secundaire waterkering. Middels de constructie dat de beheersverordening verwijst naar deze bestemmingen en deze bestemmingen de functie van de primaire- en secundaire waterkering waarborgt wordt voldaan een het gestelde in de Barro. 3.1.2 Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet. Het Nationaal Waterplan door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken op 10 december 2015 vastgesteld en beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater Nederland is klimaatbestendig en water robuust ingericht Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement Nederlanders leven waterbewust. Bij de ontwikkeling van locaties in het stedelijk gebied wordt ernaar gestreefd dat de hoeveelheid groen en water per saldo toeneemt. Dit moet stedelijk gebied aantrekkelijk en leefbaar maken en houden. Bij de aanpak van de stedelijke wateropgave wordt rekening gehouden met verdergaande verstedelijking en klimaatverandering en zoveel mogelijk aangesloten bij de dynamiek van de stad en of bedrijventerrein. De combinatie van water en groen biedt volop kansen om het stedelijk watersysteem robuuster en klimaatbestendiger te maken. Het beleid van de bovenstaande nota is door vertaald naar het beleid van het Hoogheemraadschap en is daardoor gezien de conserverende aard van deze beheersverordening niet relevant. 3.1.3 Derde Nota Waddenzee en Convenant Vaarrecreatie Waddenzee Op 31 oktober 2006 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de PKB Derde Nota Waddenzee, nadat het kabinet een zestal door de Tweede Kamer aangenomen moties had verwerkt. Deze moties betroffen de volgende onderwerpen: uitbreiding van waddenzeehavens (2), verdieping van vaargeulen (2), overgangen tussen zoet en zout water, ligplaatsen recreatievaart en hoogtebepaling nieuwe bebouwing aan de rand van de Waddenzee. Op 19 december 2006 heeft ook de Eerste Kamer ingestemd met deze PKB. De gepubliceerde nota geldt als deel 4 van de PKB waarmee het nieuwe rijksbeleid in werking treedt. De nota is gepubliceerd in de Staatscourant en ter visie gelegd vanaf 21 februari 2007. Sinds het van kracht worden van de Wet ruimtelijke ordening heeft de Derde Nota Waddenzee de werking van structuurvisie. Deze structuurvisie is gedetailleerder dan de SVIR (zie paragraaf 2.2.1) en bestrijkt een breder beleidsterrein dan alleen het ruimtelijke domein. Deze structuurvisie blijft daarom als uitwerking van de SVIR bestaan. De structuurvisie geeft ten aanzien van het verordeningsgebied geen nadere bepalingen ten opzichte van de SVIR. 3.1.4 Natuurbeschermingswet De Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) is een Nederlandse wet die oorspronkelijk in 1967 is vastgesteld maar in 1998 ingrijpend is gewijzigd. In deze wet is nu de natuurbescherming van specifieke gebieden geregeld. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) zijn in de Natuurbeschermingswet verwerkt. De volgende gebieden worden aangewezen en beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet: Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden); Beschermde Natuurmonumenten; Wetlands. De gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 biedt onder andere de juridische basis voor vergunningverlening. De wet bepaalt dat projecten die de kwaliteit van het habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Bij ruimtelijke ingrepen dient er altijd te worden nagegaan of er een vergunning nodig is op grond van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998. In het vergunningentraject speelt het voorzorgsbeginsel een belangrijke rol. Het voorzorgbeginsel houdt in dat alle aspecten die met een project samenhangen (zowel op zichzelf als in combinatie met andere projecten) en de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kan brengen, moeten worden onderzocht. Toestemming wordt alleen verleend als op basis van de beste wetenschappelijke kennis zekerheid kan worden verschaft dat het project de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengt. 3.1.5 Natura 2000 De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld uiterlijk in 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit een halt toe te roepen. Zij doet dit onder meer door het realiseren van een netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. De belangrijke Europese instrumenten om de doelstelling van Natura 2000 te realiseren zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen bepalen dat de lidstaten speciale gebieden aanwijzen, die geschikt zijn om het duurzaam voortbestaan van de meest bedreigde soorten en habitattypen te verzekeren. In en rondom de Natura 2000-gebieden zal rekening gehouden moeten worden met de voorwaarden voor het voortbestaan van die soorten en habitattypen. De bescherming van de 2000-gebieden loopt langs drie sporen: aanwijzing, beheerplan en vergunning. Dit is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998. In deze wet is Natura 2000 in de Nederlandse regelgeving verankerd. Eerst wordt voor elk gebied vastgelegd met welk doel het is aangemerkt als Natura 2000 gebied (de instandhoudings doelen) en wordt de exacte begrenzing vastgesteld. Dit gebeurt in de vorm van een aanwijzingsbesluit. Vervolgens wordt per gebied een beheerplan gemaakt, waarin staat beschreven wat er nodig is om de natuurdoelen van dat gebied te halen. Daar hoort ook een beschrijving bij van wat wel en niet is toegestaan in het gebied. Voor beschermde Natura 2000-gebieden geldt dat er door projecten en handelingen geen verslechtering van de kwaliteit van de habitats of een verstorend effect op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen mag optreden. De Natuurbeschermingswet kent een externe werking: zowel projecten en handelingen in als buiten een Natura 2000-gebied kunnen vergunning plichtig zijn. Voor elk plan, project of handeling die mogelijke significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied moet een passende beoordeling worden gemaakt. Er is sprake van ‘significante gevolgen’ wanneer: ‘Een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, moet worden beschouwd als een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor het gebied, wanneer het de instandhoudingsdoelstellingen daarvan in gevaar dreigt te brengen’. Ingrepen met mogelijke (negatief) significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van het beschermde gebied zijn niet toegestaan, tenzij een vergunning kan worden verkregen. Aan het verlenen van een vergunning zijn voorwaarden verbonden, deze zijn vastgelegd in artikel 19d (en volgende) Nb-wet. De beheersverordening Oostoever 2016 kent is gelegen op de grens van het aangewezen Natura 2000 gebied ‘Waddenzee’. Dit Natura 2000-gebied betreffen Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnengebied en de Beschermd Natuurmonument. Zowel op formeel aangewezen gebieden als op bij de Europese Commissie aangemelde gebieden zijn rechtsgevolgen van toepassing op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (art. 19d e.v.) of de Habitatrichtlijn (artikel 6, directe werking of richtlijnconforme toepassing). De begrenzing van de aanwijzing Waddenzee is hieronder weergegeven. Beheerplan Natura 2000 Waddengebied Voor alle Natura 2000-gebieden moeten beheerplannen opgesteld worden. In een beheerplan wordt vastgelegd hoe en wanneer de natuurdoelen voor een gebied gehaald worden (behoud- of verbeterdoelen). Activiteiten in en rondom Natura 2000-gebieden (visserij, landbouw, recreatie, waterbeheer of zelfs het huidige natuurbeheer) die mogelijk negatieve effecten op de natuur(doelen) hebben, worden in het beheerplan hieraan getoetst. Als het mogelijk is wordt dit gebruik vervolgens geregeld in het beheerplan. De provincie of het rijk is in principe verantwoordelijk voor het opstellen van beheerplannen. Het Rijk ( LNV, V&W of Defensie) stelt beheerplannen op voor Natura 2000-gebieden die worden beheerd door het Rijk (of onder verantwoordelijkheid vallen van het Rijk). Hierbij horen ook de Waddenzee. Een beheerplan moet worden vastgesteld binnen drie jaar nadat een gebied als Natura 2000-gebied is aangewezen. Het wordt voor maximaal zes jaar vastgesteld, daarna volgt een nieuw plan. Beheerplannen worden opgesteld in nauw overleg met eigenaren, gebruikers en andere betrokken overheden, in het bijzonder gemeenten, waterschappen en provincies. Het beheerplan Natura 2000 Waddengebied gaat over de zeven Natura 2000-gebieden: Noordzeekustzone, Waddenzee, Texel, Vlieland, Ameland, Terschelling en Schiermonnikoog. De bevoegde instanties, de ministeries van LNV (Dienst Landelijk Gebied), V&W (Rijkswaterstaat) en Defensie en de provincies Friesland, Groningen en Noord- Holland, zorgen samen voor één beheerplan. Voordeel is dat met één plan beter ingespeeld kan worden op de ecologische samenhang tussen de gebieden. Bovendien kan gelijktijdig worden gecommuniceerd over de gebieden. Elk deelgebied krijgt een duidelijk herkenbare plaats binnen het beheerplan. Externe werking Plannen, projecten of handelingen buiten het PKB-gebied, waarvan op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat zij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, projecten of handelingen significante gevolgen hebben voor de, op grond van deze PKB, te beschermen en te behouden waarden en kenmerken van de Waddenzee, dienen aan de hoofddoelstelling van deze PKB te worden getoetst. De beheersverordening Oostoever 2016 betreft een conserverend plan en voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen die van enige invloed kunnen zijn voor het net buiten het plangebied gelegen PKB-gebied. Schadelijke effecten ten gevolge van deze verordening zijn dan ook uit te sluiten. Geconcludeerd wordt daarom dat de beheersverordening niet kan leiden tot significant negatieve effecten op de kwalificerende habitattypen en –soorten van de Natura 2000- gebieden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel