Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.1.

Huidig beleid volgens provincie, rijk en gemeente

Onderdeel van Besluit van de raad van de gemeente Den Helder houdende regels omtrent het beleidskader voor archeologie

Overheden mogen vindplaatsen tot archeologisch monument verklaren, zodat deze beschermd zijn. De bescherming van archeologische monumenten aangewezen door Rijk, Provincie of de gemeente is geregeld in respectievelijk de Erfgoedwet, de provinciale en de gemeentelijke monumenten- verordening. Er zijn geen archeologische Rijksmonumenten binnen de gemeente Den Helder. Wel zijn veel gebouwen van Rijkswerf Willemsoord Rijksmonument, maar de ondergrondse (archeologische) delen zijn niet door middel van een monumentstatus beschermd. In het huidige archeologische beleid hebben deze terreinen wel een archeologische waarde. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beheert sinds 1994 een landsdekkende Archeologische Monumentenkaart (AMK). De AMK geeft een overzicht van alle bekende behoudswaardige archeologische terreinen. De gemeente heeft twee terreinen van hoge waarde volgens de AMK: Huisduinen en de historische kern met grachtengordel van Den Helder. Daarnaast zijn delen van de Stelling van Den Helder aangewezen als AMK-terrein van archeologische waarde: Forten Erfprins en Dirks Admiraal, Forten Westoever en Oostoever, en de tussengelegen Linie (verbindingswal). Ook de locatie van de ‘Omwalling van de Nieuwstad’ en Fort Kijkduin zijn van archeologische waarde. De AMK- terreinen waren reeds overgenomen op de gemeentelijke archeologische beleidskaart en behouden ook nu deze status. De Provincie heeft tien archeologische aandachtsgebieden aangewezen in Noord-Holland. Eén daarvan betreft de Waddenzee. Binnen dit gebied ziet de provincie toe dat het besluit en het archeologische onderzoek conform wetgeving wordt uitgevoerd, de motivering waarom een bodemingreep noodzakelijk is (met daarbij het aantonen van een noodzakelijk maatschappelijk belang) en de onderbouwing voor compenserend maatregelen. In de Leidraad beschrijft de provincie ook waardevolle structuren die relevant zijn voor de archeologie, zoals de Stelling van Den Helder, de Atlantikwall en aardkundige waarden. De duinen zijn door de Provincie aangewezen en beschermd als aardkundig monument. Die bescherming is gunstig voor de vele archeologische waarden die in dit aardkundige gebied liggen. Binnen de gemeente ligt één gemeentelijk archeologisch monument op het land: Het Torp. Tevens kunnen enkele scheepswrakken en archeologische resten in de Noordzee en Waddenzee worden aangewezen als gemeentelijke monumenten: het wrak van Hollandia in de Noordzee (DH5-1A), het Marsdiep (DH5-2A), het Malzwin (DH5-3A), de Texelstroom (DH5-4A) en het Balgzand in de Waddenzee (DH5-5A). Dit besluit is echter nog niet genomen. Zoals boven aangegeven gaat het om archeologische resten van internationale waarde. De schepen vertegenwoordigen internationale handel en handelsroutes, met een unieke conservering en informatiewaarde. Het advies is deze wrakken te beschermen door ze tot gemeentelijk monument te benoemen. 3.1.2. De nieuwe waarden- en verwachtingskaart Binnen het Helderse archeologische erfgoed is een onderscheid te maken tussen gebieden waarvan bekend is dat zij archeologische waarden bevatten en waarvan de kwaliteit en het belang is vastgesteld. In Den Helder zijn gebieden aanwezig met een hoge archeologische waarde en gebieden met een archeologische waarde. Er zijn echter ook gebieden waar archeologische sporen of vondsten verwacht kunnen worden. Over de kwaliteit van deze vindplaatsen kan nog geen uitspraak worden gedaan, die moeten blijken uit archeologisch onderzoek. De verwachtingen30Onder archeologische verwachting wordt verstaan: ‘de kans op het voorkomen van archeologische resten in de bodem’. De mate van archeologische verwachting zegt iets over de dichtheid waarin archeologische terreinen (vindplaatsen) binnen een bepaalde landschappelijke eenheid of bepaald terrein voorkomen of worden verwacht. In het algemeen kan gesteld worden dat: hoe groter de (verwachte) dichtheid aan archeologische resten, hoe hoger de (verwachte) archeologische waarde van een bepaald gebied.Hierbij moet worden opgemerkt, dat de verwachte dichtheid aan archeologische resten (binnen de landschappelijke eenheden) niet verward moet worden met de waarde van individuele archeologische vindplaatsen die binnen deze eenheden voorkomen. Een archeologische vindplaats in een gebied met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten is niet per definitie waardevoller dan een vindplaats in een gebied met een lage verwachte dichtheid aan archeologische resten. De waarde van individuele vindplaatsen is namelijk afhankelijk van de criteria gaafheid, zeldzaamheid en de externe (landschappelijke) context en niet van de ligging binnen een bepaalde verwachtingszone. Groenewoudt (1994). zijn opgedeeld in: zones met een hoge archeologische verwachting. Hier wordt de hoogste dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht; zones met een archeologische verwachting. Hier worden archeologische vindplaatsen verwacht, maar in een lagere dichtheid dan in de zones met een hoge archeologische verwachting; Daarnaast zijn er gebieden die hetzij in voldoende mate archeologisch zijn onderzocht danwel dusdanig verstoord dat er geen archeologische sporen meer verwacht kunnen worden. Deze gebieden zijn ‘archeologie vrij ‘genoemd. Opgemerkt dient te worden dat deze kaart niet een statische eenheid vormt. Elk archeologisch onderzoek zorgt voor nieuwe kennis. Bij het hanteren van de beleidskaart dienen ook nieuwe inzichten meegewogen te worden bij de vergunningverlening. Naarmate er door onderzoek meer gegevens over archeologische gebieden bekend worden, kunnen er locaties bijkomen of juist afvallen. Het is daarom raadzaam de resultaten van het archeologisch onderzoek in de gemeente bij te houden en de kaart na vijf jaar –of eerder als dat nodig is- te herzien. Het gemeentebestuur geeft door middel van regimes aan welk niveau van archeologiebeleid in een bepaald gebied als 'redelijk' kan worden beschouwd. Dit beleid is juridisch verankerd in bestemmingsplannen en de Erfgoedverordening. De regimes bestaan uit een oppervlaktegrens met een diepte-eis. De regimes zijn gebaseerd op onderzoek naar de bekende archeologische waarden, de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied, de bodemopbouw en eventueel recente bodemverstoringen. Gezamenlijk leiden deze gegevens tot een verwachting met betrekking tot het aantreffen van archeologische sporen in de bodem. Deze verwachting is op basis van ervaring omgezet in regimes met de bijbehorende criteria. Indien een bouwplan kleiner is dan de voor het gebied aangegeven criteria, speelt archeologie geen formele rol bij het planproces. Een professioneel uitgevoerd onderzoek is hier dan niet nodig. Wel kan in goed overleg worden bekeken of vrijwilligers kunnen worden ingezet voor het doen van waarnemingen; hierbij is het uitgangspunt informatieborging zonder het bouwproces te vertragen (zie ook §3.6). De Rijksdienst heeft hier een brochure over opgesteld.31https://cultureelerfgoed.nl/publicaties/vrijwilligers-in-de-archeologie-en-de-erfgoedwet De oppervlakte- en diepte-eisen zijn gebaseerd op onderzoekservaringen van met name gemeentearcheologen in Noord-Holland. De diepte wordt gemeten vanaf het maaiveld en niet ten opzichte van NAP. Dat wil zeggen dat de dieptebepaling als het ware mee glooit met de grondlijn. Nuancering van de diepte-eis naar deelgebieden is ondoenlijk en bovendien niet reëel. Het risico dat er op minder diepte archeologie wordt aangetroffen is ingecalculeerd. De huidige Erfgoedwet vereist dat bij projecten van 100 m2 en groter, rekening moet worden gehouden met archeologie. In onze gemeente liggen vindplaatsen die van groot belang zijn zoals scheepswrakken of een kleine omvang hebben zoals bunkers. Zulke vindplaatsen zouden erg aangetast kunnen worden of ongezien vernietigd kunnen worden als de beoogde ontwikkeling kleiner is dan 100 m2. Daarom kiest de gemeente een ondergrens van 50 m2 voor dergelijke vindplaatsen. De gemeente Den Helder legt de term ‘project’ uit als: ‘de oppervlakte van het bouwwerk of van de geroerde grond door werken waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, want dat is werkbaar en helder.’ Zo wordt niet alleen bij bouwprojecten rekening gehouden met archeologie maar ook bij het baggeren van wateren, het aanplanten van bomen, het aanleggen van kabels en leidingen etcetera. Er zijn ook gebieden in de gemeente waar de kans op archeologische resten in de bodem klein is, hier is een minder streng regime op zijn plaats. Gebieden waar geen archeologische resten (meer) worden verwacht, worden op de beleidskaart aangeduid als archeologievrij. Deze gebieden hebben op bestemmingsplankaarten geen dubbelbestemming Archeologie. Voor het overige gebied van het bestemmingsplan wordt de archeologische beleidskaart als onderlegger voor de plankaart gebruikt.

Rechtspraak bij dit artikel