De Vergunningen- en nalevingsstrategie omgevingsrecht is de wijze waarop wij Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving binnen de gemeente Sint-Michielsgestel uitvoeren.
1.1. Achtergrond
In het Beleid VTH Sint Michielsgestel 2020 – 2023 (hierna: het Beleid VTH) heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel (hierna: het college) vastgelegd welke doelen het wil bereiken in het kader van de vergunningverlening, toezicht en handhaving. De manier waarop deze doelen worden bereikt leggen we vast in deze uitvoeringsstrategieën. De strategieën zijn gebaseerd op de landelijke strategieën (voor gedogen en sanctioneren) en zijn aangevuld met de gemeentelijke werkwijzen. Dit document vervangt de strategieën die zijn opgenomen in het Integraal Handhavingsbeleid Sint-Michielsgestel 2016 - 2018 van 24 november 2015 (hierna: het Integraal Handhavingsbeleid). Deze strategieën maken onderdeel uit van het Beleid VTH.
Voor de handhavingstaken is in het kader van het Besluit omgevingsrecht (Bor) periodieke herijking verplicht. Ook is inmiddels een strategie voor de vergunningtaken verplicht. Naast de wens om te herijken, rust er dus ook een wettelijke verplichting op deze opgave. Ook bij samenwerking in de uitvoering van taken (zoals met de ODBN, de regionale brandweer of met omliggende gemeenten), behoudt het bevoegd gezag de wettelijke plicht om haar uitvoeringsstrategieën vast te stellen.
1.2. Afbakening
Voorliggende strategieën zijn in eerste instantie beperkt tot de VTH-taken die vallen onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), aangevuld met de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV; meer specifiek reclame, kap, inritten en evenementen), de Drank- en Horecawet, de Wet Basis Registratie Personen (hierna: BRP), de Woningwet en de Opiumwet.
Op basis van de risicoanalyse die is uitgevoerd, zijn de VTH-taken geprioriteerd. Deze prioriteiten zijn vertaald in doelstellingen en speerpunten. Daarbij is echter nog niet aangegeven hoe met de verschillende prioriteiten wordt omgegaan. Aan de hand van de prioriteiten en de in te zetten strategie kan de benodigde capaciteit worden berekend.
Samen met het Beleid VTH werken de uitvoeringsstrategieën in onze jaarlijkse uitvoerings-programma’s door. In deze uitvoeringsprogramma’s wordt concreet bepaald welke instrumenten we inzetten, in welke intensiteit en welke gevolgen dit heeft voor de capaciteit. Hierbij wordt opgemerkt dat de prioritering ziet op ongeveer 60% van de beschikbare capaciteit. De overige 40% wordt vrij gehouden voor klachten/ calamiteiten en afhandelen van verzoeken tot handhaving.
Opbouw
In hoofdstuk 2 wordt de preventiestrategie uitgewerkt. In hoofdstuk 3 de vergunningenstrategie. De toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie komen aan bod in respectievelijk de hoofdstukken 4, 5 en 6.
Preventiestrategie
Voorkomen is beter dan genezen. Door vooraf te investeren in inzicht en duidelijkheid van regels, kan een deel van de overtredingen door onze burgers en bedrijven voorkomen worden. Dit betreft dan met name de overtredingen die door goedwillende en onbewuste overtreders kunnen worden gemaakt.
Communicatie
Het is van groot belang dat er een transparante en heldere communicatie in het kader van handhaving plaatsvindt. In deze paragraaf wordt aangegeven hoe hier uitvoering aan wordt gegeven.
Algemene bekendmakingen
Het is belangrijk dat de burgers en bedrijven op de hoogte zijn van de visie van het college op toezicht en handhaving. Hoe voert de gemeente haar wettelijke handhavingstaken uit? Wat vindt de gemeente belangrijk (prioriteiten)? Waar wordt dat jaar extra aandacht aan besteed (projectmatig handhaven)? Door het handhavingsbeleid inzichtelijk te maken, wordt geprobeerd om meer draagvlak te creëren. Goede voorlichting en communicatie begint met een vastgesteld, transparant handhavingsbeleid. Dit is het Beleid VTH. Het Beleid VTH wordt na vaststelling door het college bekend gemaakt in het huis aan huisblad “De Brug”. Vervolgens wordt het Beleid VTH op de gemeentelijke website geplaatst, zodat het door iedereen te raadplegen is.
Verder kan tijdens de looptijd van het Beleid VTH in de vorm van een artikel aandacht worden besteed aan de behaalde resultaten, zoals welke projecten zijn opgepakt en hoe vaak en in welke situaties een last onder dwangsom en/ of een last onder bestuursdwang is opgelegd. Ook kan dan worden aangegeven wat is bereikt. Hier gaat mogelijk een preventief effect van uit en het bevordert de transparantie. Voornoemde aspecten komen ook terug in het jaarlijkse evaluatie/ jaarverslag.
Communicatie richting burgers en bedrijven
Door actieve communicatie richting burgers en bedrijven trachten we blokkades weg te nemen die een goede naleving van de regels in de weg staan. Door de doelgroep te stimuleren om omgevingsactiviteiten volgens de geldende wet- en regelgeving uit te voeren, kan worden voorkomen dat door onwetendheid of onvermogen overtredingen worden begaan. Bij controles en vooroverleg kan eenvoudiger vanuit een specifieke situatie worden toegelicht waarom naleving van de regels zinvol is. Tijdens het aanvragen van een vergunning of het doen van een melding worden burgers en bedrijven gewezen op de eigen verantwoordelijkheid om te voldoen aan de wet- en regelgeving die betrekking heeft op de desbetreffende activiteit.
Wanneer er relevante nieuwe ontwikkelingen of wijzigingen plaatsvinden in wetgeving wordt dit vermeld in het huis aan huisblad “De Brug” of op de gemeentelijke website gepubliceerd. Op die manier proberen we zoveel mogelijk te voorkomen dat overtredingen plaatsvinden door onwetendheid.
Vergunningenstrategie
Uitgangspunt bij vergunningverlening is dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor de te verlenen vergunning en (na vergunningverlening) voor adequaat toezicht en zo nodig handhaving. De gemeente houdt zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
De gemeente heeft de taak om verschillende belangen vanuit de verschillende disciplines te coördineren. De komst van de Wabo heeft ertoe geleid dat bij het aanvragen van een Wabo-vergunning wordt gewerkt met casemanagement. Bij elke aanvraag wordt een casemanager toegewezen. De klant beschikt hierdoor over één vast aanspreekpunt na indiening. Hiermee wordt
het risico dat een klant ”van het kastje naar de muur wordt gestuurd” sterk verminderd, evenals het risico dat bij vergunningverlening tegenstrijdige voorschriften worden gesteld. De casemanager krijgt vanuit alle betrokken disciplines adviezen aangereikt en ziet toe op het integrale karakter van de omgevingsvergunning.
Voor de verschillende vormen van vergunningen met de bijbehorende procedures wordt verwezen naar de wettelijke bepalingen. Hierna wordt ingegaan op het toetsingskader van de diverse omgevingsvergunningen die in artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo worden genoemd.
Toetsingskader bouwen (artikel 2.1 eerste lid onder a Wabo)
Voor de activiteit “Bouwen van een bouwwerk” is het bestemmingsplan in beginsel het toetsingskader. De bestemmingsplannen binnen de gemeente zijn dekkend voor het gehele gemeentelijke grondgebied. Het doel is om alle bestemmingsplannen steeds tijdig te actualiseren, zodat deze niet ouder zijn dan 10 jaar. Team Ruimtelijke Ordening actualiseert de bestemmingsplannen.
Naast toetsing aan het bestemmingsplan dient op grond van de Wabo getoetst te worden aan de eisen uit het Bouwbesluit, de bouwverordening en de redelijke eisen van welstand.
Verder wordt de werkwijze uit het “Toetsing en Toezicht kwaliteitsplan Bouwregelgeving Gemeente Sint-Michielsgestel van juli 2013” (hierna: Kwaliteitsplan Bouwregelgeving) gevolgd. Het Kwaliteitsplan Bouwregelgeving is een protocol (set van afspraken) over de werkwijze ten aanzien van de beoordeling van vergunningaanvragen Wabo (bouwen) en de controle (het bouwtoezicht) in het werk ter plaatse bij het daadwerkelijk realiseren van het (bouw-)plan. In het Kwaliteitsplan Bouwregelgeving staan de toetsingskaders uitgebreid beschreven. Het Kwaliteitsplan Bouwregelgeving maakt onderdeel uit van het Beleid VTH (bijlage 5). Voor details wordt verwezen naar het Kwaliteitsplan Bouwregelgeving.
Op 1 januari 2012 zijn belangrijke wijzigingen doorgevoerd op het gebied van de welstandsbeoordeling in onze gemeente. Met het vaststellen van de Kadernota 2011 besloot de gemeenteraad om de “welstandscommissie” op te heffen en de vergunningverleners te mandateren om ten aanzien van welstand te adviseren. Om toch aan de wettelijke verplichting van artikel 12 Woningwet te blijven voldoen is er nog wel een “welstandscommissie” (onafhankelijk adviesorgaan) aangesteld. Bij excessen en in bijzondere situaties die daarom vragen wordt de advisering uitgevoerd door de Stichting Advisering Monumenten & Ruimtelijke kwaliteit Brabant en het daarmee samenwerkende adviesbureau Omgevingsadvies bv.
De aanvragen die qua welstand voldoen aan de sneltoetscriteria (details zijn te vinden in de welstandsnota van de gemeente Sint-Michielsgestel) worden door de behandelend ambtenaar getoetst. Ze worden beoordeeld op architectuur in samenhang met de waarde van het gebied zoals opgenomen in de welstandsnota en aan het eventuele aanwezige beeldkwaliteitsplan in dat gebied. De overige plannen worden getoetst door de onafhankelijke welstandscommissie, de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Overigens zijn in Sint-Michielsgestel diverse gebieden en bepaalde delen van reguliere gebieden (bijvoorbeeld bepaalde zaken in het achtererfgebied) als welstandsvrij aangewezen.
De wijze waarop de samenwerking van de gemeente met de diverse adviseurs plaats vindt wordt verderop in deze strategie besproken.
Toetsingskader aanlegvergunning (artikel 2.1 eerste lid onder b Wabo)
Het toetsingskader voor de activiteit “het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden” ligt vast in het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of het voorbereidingsbesluit waarin een dergelijke vergunning verplicht is gesteld.
Toetsingskader afwijkingen (artikel 2.1 eerste lid onder c Wabo)
Het toetsingskader voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan - waarbij moet worden afgeweken van het bestemmingsplan - is afhankelijk van de wijze van afwijking.
In veel bestemmingsplannen zijn afwijkingsbevoegdheden opgenomen. Het bestemmingsplan bevat dan het beoordelingskader.
Indien het bestemmingsplan geen mogelijkheden voor afwijking biedt, zijn in artikel 4 van bijlage II van het Bor ook gevallen opgenomen waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend voor planologisch strijdig gebruik. Het gaat hier om de zogenaamde kruimelgevallen. Hiervoor geldt als toetsingskader de “Beleidsregels planologische kruimelgevallen Gemeente Sint-Michielsgestel (1e herziening)”. Deze beleidsregels zijn als bijlage 6 aan het Beleid VTH gehecht.
In het geval een bouwplan niet binnen het bestemmingsplan of de kruimelgevallenregeling van artikel 4 van bijlage II van het Bor en de Beleidsregels planologische kruimelgevallen past, wordt beoordeeld of voor het bouwplan een nieuw bestemmingsplan mogelijk is of dat een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening nodig is. Vervolgens wordt beoordeeld of het wenselijk is om aan het initiatief mee te werken door het volgen van een toepasbare ruimtelijke procedure op basis van een ruimtelijke onderbouwing. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt dan beoordeeld door de afdeling Ruimtelijke Ordening en indien nodig voorgelegd aan de gemeenteraad. Hierbij worden alle betrokken belangen in beeld gebracht en afgewogen.
Toetsingskader omgevingsvergunning brandveilig gebruik (artikel 2.1 eerste lid onder d Wabo)
Bij aanvragen om omgevingsvergunningen waarbij de brandveiligheid in het geding is (toetsing aan Bouwbesluit bij aanvraag activiteit bouwen ex artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder a en toetsing brandveilig gebruik op grond van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder d), worden deze ter advisering voorgelegd aan de Brandweer Brabant Noord (hierna: de Brandweer). De gemeente stelt het besluit op met in achtneming van het advies.
Toetsingskader milieu (artikel 2.1 eerste lid onder e Wabo)
Bedrijven die onder het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vallen (Wm-inrichtingen), krijgen te maken met milieuregelgeving. De meeste Wm-inrichtingen moeten voldoen aan de regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Zij moeten daarvoor een melding indienen. Hierbij wordt dan getoetst of een melding voldoet aan de indieningsvereisten uit afdeling 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Vergunningplichtige Wm-inrichtingen hebben een omgevingsvergunning milieu nodig. Hiervoor is het toetsingskader vastgelegd in artikel 2.14 van de Wabo. Aspecten waarop toetsing plaatsvindt zijn bodem, geluid, luchtkwaliteit (inclusief geur en ammoniak), energie, afval(water), (externe) veiligheid, volksgezondheid en dergelijke.
Een aanvraag om een omgevingsvergunning milieu komt via het Omgevingsloket binnen bij de gemeente. Deze aanvraag wordt dan door de casemanager voorgelegd aan de ODBN die het besluit opstelt. Indien het een omgevingsvergunning is die is gecombineerd met bouwen, dan wordt deze opgesteld door de gemeente na advies van de ODBN. De ODBN levert dan de tekst voor het onderdeel milieu aan.
Toetsingskader (sloop)vergunning Rijksmonumenten (artikel 2.1 eerste lid onder f Wabo)
Bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een Rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een Rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, dient rekening te worden gehouden met het belang van het monument. Deze omgevingsvergunning vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan het gemeentelijke cultuurhistorisch erfgoed. Naast de advisering over de aanvraag via de Rijksdienst en het Monumentenhuis Brabant, wordt bij de toetsing voor aanvragen om vergunningen voor een Rijksmonument aangesloten bij het Kwaliteitsplan Bouwregelgeving. Immers, voor vrijwel alle veranderingen aan een monument is ook een omgevingsvergunning activiteit bouwen vereist.
Toetsingskader sloopvergunning (artikel 2.1 eerste lid onder g en h Wabo)
In geval van een aanvraag om een sloopvergunning voor het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald of het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht geldt een meldingsplicht of (indien dit in bestemmingsplannen of Erfgoedverordening is geregeld) een vergunningplicht. Een “5-dagen”-sloopmelding wordt afgehandeld door de ambtenaren van de gemeente. Bij een sloopmelding waarbij de 4 weken termijn van toepassing is en/ of waarbij een asbestinventarisatierapport moet worden ingediend (b.v. bij bouwwerken van vóór 1994) beoordeelt de ODBN de sloopmeldingen. De gemeente doet dan slechts de administratieve afhandeling.
Toetsingskader omgevingsvergunning gemeentelijk monument (artikel 2.2. eerste lid onder b Wabo)
Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een monument als bedoeld in een zodanige verordening:
- - te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of;
- - te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;
dan wel een bouwwerk te slopen in een krachtens een zodanige verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht, vergt de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten en cultuurhistorische panden ook bijzondere aandacht. Voorkomen moet immers worden dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk cultuurhistorisch erfgoed. Het Monumentenhuis Brabant adviseert over de aanvraag om een sloop- of monumentenvergunning. Verder wordt bij de toetsing voor aanvragen om monumentenvergunningen aangesloten bij het Kwaliteitsplan Bouwregelgeving. Immers, voor vrijwel alle veranderingen aan een monument is ook een omgevingsvergunning activiteit bouwen vereist.
Toetsingskader reclame, kappen en inritten
Voor het realiseren van activiteiten waarvoor de APV de wettelijke basis is, vindt de toetsing primair plaats op basis van de bepalingen in de APV. Naast deze publiekrechtelijke toetsing, dienen vaak ook privaatrechtelijke afspraken te worden gemaakt als de activiteiten plaatsvinden op publieke gronden (bijvoorbeeld bij de aanleg van inritten). Afstemming vindt plaats met de wegbeheerders. Binnen de gemeente zijn dit de gemeente zelf, het waterschap, Rijkswaterstaat en de provincie.
Voor aanvragen om bouwwerken waarop reclame is aangebracht wordt eerst bepaald of er sprake is van een vergunningplicht op grond van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder a van de Wabo. Indien dat zo is, dan wordt bij de beoordeling van de aanvraag ook de reclameparagraaf uit de welstandsnota betrokken.
De beoordeling van een aanvraag om een kapvergunning vindt plaats op basis van de Bomenverordening Sint-Michielsgestel (2010) en de bijbehorende lijst met waardevolle bomen (bomenlijst). Deze bomenverordening en bomenlijst zijn als bijlage 7 bij het Beleid VTH gevoegd. In het bestemmingsplan “Buitengebied” is bovendien onder bepaalde bestemmingen opgenomen, dat
het verboden is om zonder een aanlegvergunning (artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder b Wabo) bomen te rooien dan wel beplantingen en/ of bomen aan te brengen.
In geval van aanvragen voor inritten geldt dat deze aan de toepasselijke voorwaarden van de APV worden getoetst, na advies door de Afdeling Inrichting Verkeer en Reiniging (IVR).
Toetsingskader evenementen
Voor het organiseren van evenementen vindt toetsing primair plaats aan de bepalingen in de APV. Naast deze toetsing kan er, afhankelijk van de aard, omvang en locatie van het evenement ook worden getoetst aan:
- - Het ter plaatse geldende bestemmingsplan (of het betreffende gebruik op die locatie is toegestaan);
- - De BGBOP (Brandveilig Gebruik Overige Plaatsen) in verband met het brandveilig gebruik dan wel oprichten van tijdelijke bouwwerken (podia, tenten, tribunes e.d.);
- - De Wegenverkeerswet 1994;
- - De Drank- en Horecawet;
- - Het gemeentelijke Bibob-beleid en de Wet Bibob.
Voor de beoordeling van een aanvraag wordt nadere informatie ingewonnen bij de politie, de brandweer en de GHOR (Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio).
Bij de toets van de aanvraag worden met name de volgende aspecten meegewogen:
- - De invloed van het evenement op de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.
Toetsingskader horeca (en slijterijen)
Voor het realiseren van activiteiten waaraan de Drank- en Horecawet (DHW, drank- en horecavergunning) en de APV (exploitatievergunning) ten grondslag liggen, vindt de toetsing primair plaats aan de bepalingen in de DHW en de APV. Naast deze toetsing moet ook in het ter plaatse geldende bestemmingsplan worden getoetst of het betreffende gebruik op die locatie is toegestaan. In beginsel moet de aanvraag (aanvragers en eventuele financiers) worden getoetst aan het gemeentelijke Bibob-beleid en de Wet Bibob. Nadere informatie dient te worden ingewonnen bij de politie, de Justitiële Informatiedienst, het RIEC en/ of het Landelijke Bureau Bibob.
Bij de toets van de aanvraag worden de volgende aspecten meegewogen:
- - De gestelde eisen met betrekking tot de leidinggevende(n);
- - De gestelde eisen met betrekking tot para commerciële instellingen;
- - De bij algemene maatregel van bestuur, in het belang van de sociale hygiëne, gestelde eisen ten aanzien van de inrichting;
- - De invloed van de inrichting op de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting;
- - De invloed van de inrichting op de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.
Toetsingskader gebruiksmelding
Een gebruiksmelding op grond van artikel 1.18 van het Bouwbesluit wordt ter advisering voorgelegd aan de Brandweer.
Toetsingskader huisnummerbesluit
Op basis van de “Verordening naamgeving en nummering Sint-Michielsgestel” stellen burgemeester en wethouders de lig- en standplaatsen binnen de gemeente vast en kennen zij nummeraanduidingen toe aan verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen. Zij bepalen ook de afbakening van panden, verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen.
Samenwerking bij de vergunningverlening
De verschillende disciplines beoordelen de vergunningaanvragen. Afhankelijk van de aangevraagde activiteit vindt daarbij samenwerking plaats met diverse interne en externe adviseurs. Door het overhevelen van het basistakenpakket naar de Omgevingsdienst Brabant Noord (hierna: ODBN) wordt een deel van de VTH-taken (milieu) extern uitgevoerd. De overige taken worden door de gemeente afgehandeld. Bij complexe bouwwerken, voornamelijk bij publiekfuncties (zoals zorginstellingen en scholen) worden de constructieberekeningen voorgelegd aan een externe constructeur, de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant (hierna: ODZOB). Bij de overige bouwwerken toetst de bouwplantoetser de constructieberekeningen.
Nalevingsstrategie
Het doel van goede handhaving is de naleving van wetten en regels te bevorderen. Handhavingsinstanties zijn op grond van het Bor verplicht een nalevingsstrategie te hebben, inhoudende een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie. De nalevingsstrategie geeft aan op welke wijze en met de inzet van welke instrumenten naleving van de regelgeving en de gestelde doelen kan worden bereikt.
Handhavingsstrategie
In 2014 is er een Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) ontwikkeld. De actuele versie van de LHS (versie 1.7) is als bijlage 8 bij het Beleid VTH gevoegd en is als zodanig met het beleid VTH vastgesteld. Door het vaststellen van de LHS wordt deze landelijke handhavingsstrategie de sanctiestrategie van deze gemeente. Zodra een nieuwe versie beschikbaar is, wordt gewerkt overeenkomstig de nieuwe versie, tenzij het college daar anders over beslist.
Een nalevingsstrategie bestaat uit een toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie. Naast een sanctiestrategie bevat de LHS ook interventies die tijdens het toezicht worden ingezet, maar die formeel gezien geen sancties zijn. Hierdoor raakt de landelijke handhavingsstrategie ook een klein deel van de toezichtstrategie. Ook raakt de landelijke handhavingsstrategie de gedoogstrategie aan. Dit betekent dat de landelijke handhavingsstrategie erkent dat er omstandigheden kunnen zijn om van (bestuursrechtelijk) handhaven af te zien. Dit laat eventuele strafvervolging door het OM onverlet.
In de onderstaande figuur is de positionering van de landelijke handhavingsstrategie weergegeven. Verder wordt in de volgende paragrafen aandacht besteed aan de toezichtstrategie, de sanctiestrategie en de gedoogstrategie.

Figuur 1. De samenhang tussen de strategieën
Toezichtstrategie
Onder ‘toezicht’ wordt verstaan ‘het controleren of, en in hoeverre, wettelijke bepalingen worden nageleefd’. Tijdens het uitoefenen van toezicht worden eventuele overtredingen van regels en voorschriften gesignaleerd, waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden.
Het toezicht valt uiteen in twee vormen, te weten preventief toezicht en repressief toezicht. Preventief toezicht is toezicht dat is gebaseerd op een jaarlijks uitvoeringsprogramma, is thematisch- of gebiedsgericht en kan onderverdeeld worden in vergunning gebonden toezicht en niet-vergunning gebonden toezicht. Preventief toezicht heeft als doel om te voorkomen dat strijdigheden ontstaan. Er wordt actief en fysiek door de betreffende toezichthouder gecontroleerd, waarbij de
nadruk ligt op “voorkomen is beter dan genezen. Repressief toezicht vindt plaats op basis van een geconstateerde overtreding, klacht en/of verzoek om handhaving. Het heeft een incidenteel karakter
en wordt ingezet ter herstel van een illegale situatie.
Bij de programmering van het toezicht worden de prioriteringen uit de risicoanalyse en de speerpunten die in hoofdstuk 3 van het Beleid VTH zijn benoemd als uitgangspunt gehanteerd. Daarbij wordt de programmering van de toezichtstaken direct gerelateerd aan de risicoperceptie die uit de prioritering blijkt. Als een specifieke toezichtstaak laag scoort in de risicoanalyse, zal dat zijn doorwerking moeten krijgen in de intensiteit van het toezicht. Uiteraard moet daarbij ook rekening worden gehouden met de toetsingskaders die in het Kwaliteitsplan Bouwregelgeving zijn opgenomen voor de controle van een verleende omgevingsvergunning. Het is namelijk niet wenselijk dat repressief toezicht in het kader van de controles van een verleende omgevingsvergunning verder gaat dan de preventieve toetsing ten aanzien van het afhandelen van een aanvraag omgevingsvergunning. In het Kwaliteitsplan Bouwregelgeving zijn ook de momenten van toezicht bepaald.
Bij het bepalen van de toezichtstrategie is er sprake van een zekere beleidsvrijheid. Daarbij dient een ondergrens in het oog te worden gehouden. Immers, het college heeft een groot aantal wettelijke toezichtstaken uit te voeren en kan die taken niet verwaarlozen. Om te voorkomen dat taken die een lage prioriteit krijgen niet worden uitgevoerd, worden jaarlijks één of enkele van deze taken opgepakt (preventief en repressief).
Afhankelijk van de zwaarte van de overtreding volgt een waarschuwing of onmiddellijk een (voornemen) tot het opleggen van een last onder dwangsom. De zaak wordt in dat laatste geval overgedragen aan de juristen.
De meeste controles waar toezicht en handhaving samengaan starten met een handhavingsverzoek van een burger. Na constatering van een overtreding starten de juristen - gelet op de korte termijn waarbinnen op een verzoek tot handhaving moet worden beslist - in beginsel met een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom volgens de verderop in dit document aangeduide sanctiestrategie.
Het kan voorkomen dat een overtreding wordt geconstateerd waarbij op basis van de prioritering niet direct actie wordt ondernomen, bijvoorbeeld door gebrek aan beschikbare capaciteit. In dat geval kan een wrakingsbrief worden gestuurd. Dit is meer uitzondering dan regel. In de wrakingsbrief wordt de overtreder in kennis gesteld van de overtreding, waarbij hij op zijn eigen verantwoordelijkheid wordt gewezen om de overtreding ongedaan te maken. Tevens wordt hiermee het recht uitgesproken om in de toekomst alsnog sanctionerend op te treden. Zodra in de uitvoering of beleidsmatig aan deze overtredingen meer prioriteit wordt gegeven, wordt bepaald of alsnog tegen die overtredingen wordt opgetreden.
Preventief toezicht bij inrichtingen (slim handhaven)
De controlefrequentie bij inrichtingen die onder toezicht van de Omgevingsdienst Brabant Noord (hierna: ODBN) vallen, wordt gebaseerd op het aantal en zwaarte van activiteiten die door een inrichting worden uitgevoerd (zie het jaarlijkse Uitvoeringsprogramma). De controlefrequentie hangt daarnaast af van hoe het bedrijf met de regels omgaat. Na elke controle kunnen de factoren wijzigen, waardoor het bedrijf in een andere controlefrequentie terecht kan komen. Het voordeel van dit alles is dat de bedrijven die zich altijd netjes aan de regels houden, beloond worden. Deze bedrijven worden minder vaak bezocht. Bedrijven die meer moeite hebben met het naleven van de regels, zullen vaker bezocht worden.
Toezicht eigen inrichtingen
De gemeente Sint-Michielsgestel heeft de ambitie om op haar eigen inrichtingen consequent toezicht uit te oefenen. Hierin heeft de gemeente een voorbeeldfunctie naar burgers en bedrijven. Van een gemeente mag worden verwacht dat zij zich aan haar eigen regels houdt. De inrichtingen van de gemeente Sint-Michielsgestel worden daarom in de reguliere controlecyclus meegenomen. Indien overtredingen worden geconstateerd, worden afschriften van correspondentie betreffende overtredingen naar de leidinggevenden en de betrokken portefeuillehouders gezonden.
Vrije veld controles
In het jaarlijks uitvoeringsprogramma wordt ook capaciteit begroot voor het vrije veld toezicht. Hierbij gaan de toezichthouders onaangekondigd “het veld in” en noteren zij de overtredingen die zij op dat moment constateren. Afhankelijk van de prioritering wordt vervolgens al dan niet handhavend opgetreden.
Samenwerking toezicht
Binnen de gemeente vindt samenwerking op het gebied van handhaving in het omgevingsrecht plaats tussen de verschillende betrokken teams. Samenwerking met externe partners vindt plaats overeenkomstig de daarover binnen de samenwerkingsverbanden gemaakte afspraken.
Samenwerking binnen de gemeente
Voor de realisatie van onze doelstellingen en de aanpak van (potentiële) overtredingen werken we samen met diverse gemeentelijke teams, waaronder het team Sociaal Domein, het team Ruimtelijke Ontwikkeling en het team Bestuurlijke ondersteuning, cluster Integrale Veiligheid. Samenwerking met team Sociaal Domein vindt vooral aan de voorkant van het proces plaats: zo kan onder meer in geval van burenruzies buurtbemiddeling worden ingeroepen om verdere escalatie zoveel mogelijk te voorkomen. Voor advies en aanmelding kan contact worden opgenomen met BINT. Ook kan het wijkteam als klankbord fungeren en worden ingezet om mee te denken met een casus en partijen waar nodig door te geleiden naar sociale partners in de wijk. Ook bij illegale bewoning door arbeidsmigranten kan het wijkteam, gelet op de brede problematiek die hier speelt, toegevoegde waarde bieden. Het team Ruimtelijke Ontwikkeling wordt betrokken bij vraagstukken aangaande legalisering en de ruimtelijke impact daarvan. Bij zaken waarbij risico bestaat op overlast naar de omgeving en/ of strafrechtelijke/ criminele activiteiten, gebeurt de handhaving in nauwe samenwerking met team Bestuurlijke Ondersteuning, cluster integrale veiligheid. Hierbij valt onder meer te denken aan illegale situaties die bij de huisvesting van arbeidsmigranten, bewoning van recreatiewoningen en vrijkomende agrarische bebouwing worden geconstateerd.
Externe samenwerkingsverbanden
Verder vindt samenwerking plaats met de volgende externe partners:
Omgevingsdienst Brabant Noord
De Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) voert taken uit voor de gemeente Sint-Michielsgestel en 18 andere deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Er valt een onderscheid te maken in:
- - Inrichting gebonden taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving: deze worden minimaal uitgevoerd voor de bedrijven, die landelijk in het basistakenpakket zitten.
- - Niet-inrichting gebonden taken, zoals bijvoorbeeld asbest of bodem. Deze taken behoren ook tot het landelijk basistakenpakket.
- - Collectieve taken. Binnen de collectieve taken wordt gewerkt aan innovatie en aan efficiënter en effectiever werken. Toezicht en handhaving in het buitengebied, het SSiB (Samen Sterk in Brabant) heeft ook een plek gekregen binnen de Omgevingsdienst (zie ook hierna). Uiteraard vindt ook afstemming plaats tussen de drie Brabantse Omgevingsdiensten via het Bestuurlijk Platform Omgevingsdiensten.
- - Ook worden er door de ODBN zogenaamde verzoektaken uitgevoerd. Bijvoorbeeld: het uitvoeren van geluidsmetingen of het beoordelen van aanvragen voor warmtepompen op grond van het Besluit Lozen buiten inrichtingen.
Brandweer
Het college laat zich in het kader van toezicht adviseren door de brandweer. Sinds begin 2017 werken de aangesloten gemeenten en de brandweer volgens een gezamenlijk ontwikkelde en vastgestelde risicogerichte toezichtstrategie brandveiligheid. Met deze strategie is beoogd het toezicht in het kader van de brandveiligheid zodanig in te richten dat er een maximale veiligheidswinst behaald wordt op de bestuurlijke doelstelling: “Het voorkomen van slachtoffers.” Deze strategie staat opgenomen in de Toezichtstrategie Brandveiligheid 2017 – 2021. Deze en een eventuele wijziging daarop maken onderdeel uit van onderhavig handhavingsbeleid. De Toezichtstrategie 2017–2021 is als bijlage 3 aan het Beleid VTH gehecht.
Het toezicht op de brandveiligheid wordt uitgevoerd door toezichthouders van de gemeente en medewerkers van de brandweer. De toezichthouders van de gemeente controleren of de verleende omgevingsvergunning en de daarin opgenomen brandveiligheidsaspecten conform vergunning zijn uitgevoerd. Bij complexe situaties vindt altijd overleg met de brandweer plaats.
Bij overtredingen stuurt de brandweer de waarschuwingsbrief. Een eventueel handhavingstraject wordt gedaan door medewerkers van de gemeente.
Afstemming met de brandweer vindt verschillende malen per jaar op managementniveau plaats. Er vindt onder andere overleg plaats om de samenwerking te verbeteren en het uitvoeringsprogramma ten aanzien van de brandveiligheid op te stellen en de uitvoering daarvan te monitoren.
Politie
Met de komst van de Landelijke Handhavingsstrategie wordt de samenwerking met de politie nog belangrijker. Verder zijn lokaal de lijnen met de politie (wijkagenten) kort.
Samen Sterk in Brabant
Om het waardevolle en unieke buitengebied goed te kunnen beschermen is een goede samenwerking tussen de verschillende handhavingsdiensten van essentieel belang. Hiervoor is het project “Samen Sterk in Brabant” gestart.
Samen Sterk in Brabant (SSiB) zet zich in om onder andere dumpingen van drugs-, asbest- en (bedrijfs-)afval, overtredingen van gedragsregels in natuurgebieden, stroperij en wildcrossen en illegale bewoning te verminderen door toezicht en handhaving.
De ODBN organiseert namens de partners in Brabant (provincie en gemeenten) het toezicht in het buitengebied. De financiële basis wordt gevormd door financiële bijdragen van de provincie en Brabantse gemeenten.
Sanctiestrategie
Op het moment dat eenmaal een overtreding is geconstateerd, komt de sanctiestrategie aan de orde. De sanctiestrategie geeft inzicht in het bestuursrechtelijk optreden door de gemeente Sint-Michielsgestel. Op basis van de sanctiestrategie treedt de gemeente passend op door middel van het opleggen van een sanctie of het (in uitzonderingsgevallen) juist expliciet achterwege laten van handhaving (zie de volgende paragraaf).
De bestuursrechtelijke sancties bestaan uit het opleggen van een last onder bestuursdwang, het uitvoeren van beschikkingen tot het toepassen van bestuursdwang, het opleggen van een last onder dwangsom en het innen van verbeurde dwangsommen, het geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning of ontheffing. Daarnaast kan strafrechtelijk worden opgetreden.
Met betrekking tot de begunstigingstermijn en de zwaarte van de sanctie (hoogte dwangsommen) wordt verwezen naar de gemeentelijke “Beleidslijn inzake dwangsomhoogte en invordering verbeurde dwangsommen Sint-Michielsgestel” (bijlage 4 bij Beleid VTH).
Strafrechtelijke handhaving
De afstemming tussen bestuurs- en strafrecht is inmiddels op verschillende niveaus geïmplementeerd, zowel landelijk als regionaal. Op landelijk niveau is er afstemming in het Bestuurlijk Omgevingsberaad (Bob) met de staatssecretaris en de bevoegde gezagen. Regionaal vindt er in het Bestuurlijk Platform (BPO) afstemming plaats. De provincie is voorzitter van dit coördinerend overleg met alle VTH-partners, waarin ook de gemeenten zijn vertegenwoordigd (Moerdijk en Best), de omgevingsdiensten en het Openbaar Ministerie. Op tactisch niveau zijn er regionale overleggen die casussen bespreken met politie, Openbaar Ministerie en de omgevingsdiensten.
Eigen organisatie als overtreder
De gemeente is belast met toezicht en handhaving, maar is daarnaast ook zelf eigenaar van objecten en gebruiker van de openbare ruimte. Daarom behoort zij ter behoud van haar eigen geloofwaardigheid, zelf de regelgeving na te leven en daarmee een voorbeeldfunctie te vervullen. Deze voorbeeldfunctie kan enkel worden waargemaakt door zelf géén overtredingen te begaan. Mocht het toch voorkomen dat een overtreding binnen de eigen organisatie wordt geconstateerd, dan dient hiertegen te worden opgetreden. In de toezichtfase en in de handhavingsfase dient er geen verschil te zijn tussen het optreden naar derden en naar de eigen organisatie.
Hoe te handelen bij overtreding door eigen organisatie?
De bevindingen van het toezicht worden altijd schriftelijk ter kennis gesteld van degenen die het beheer of de directie voeren over de gecontroleerde activiteit. In de gevallen, waarin een overtreding wordt geconstateerd, wordt dezelfde sanctiestrategie gehanteerd als bij overtredingen van derden. Het college van burgemeester en wethouders wordt in kennis gesteld van de bevindingen van het toezicht.
De aankondiging dat bestuursrechtelijk wordt opgetreden is een formele actie van het college of diens gemandateerde aan het adres van degene die namens het bestuur een bepaalde activiteit uitvoert of beheert. De eventueel te verbeuren dwangsom wordt betaald uit het budget van de afdeling waar de overtreding plaatsvindt en in ieder geval niet uit de algemene middelen.
Gedoogstrategie
Op grond van de beginselplicht tot handhaving is het college van Sint-Michielgestel en in sommige gevallen de burgemeester verplicht om handhavend op te treden tegen diverse soorten overtredingen. Handhavend optreden is in principe dan ook het uitgangspunt. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij handhaving tijdelijk niet wenselijk of zelfs onmogelijk is. Dan kan het zijn dat een situatie tijdelijk gedoogd wordt. Gedogen is het bewust, passief dan wel actief (schriftelijk en onder voorwaarden), niet handhavend optreden tegen overtredingen van wetten en/of regels door het bevoegde bestuursorgaan. Van bewust niet handhavend optreden kan alleen sprake zijn als het bestuur bekend is, dan wel bekend had kunnen zijn met een overtreding.
De doelstelling bij gedogen is het streven naar een situatie waarin op termijn een gewenste situatie wordt gecreëerd; met andere woorden: op termijn zal de situatie weer in overeenstemming met de regelgeving moeten zijn. Gedogen betreft daarom per definitie een tijdelijke situatie.
In de kabinetsnota ‘Gedogen in Nederland’1 (ook bekend als de nota ‘Grenzen aan gedogen’) is gedoogbeleid vastgelegd. Daarnaast geldt ook nog de notitie ‘Gezamenlijk beleidskader inzake het terugdringen van het gedogen van milieuovertredingen’2. Dit beleid houdt in dat gedogen van wet- en regelgeving aan strenge voorschriften is gebonden, waarbij alleen in de volgende situaties gedoogd mag worden:
- - situaties waarin handhaving zou leiden tot onmiskenbare onbillijkheden (hieronder vallen overmacht-, nood- en overgangssituaties);
- - situaties waarin het algemeen belang evident beter is gediend met gedogen;
- - situaties waarin een zwaarder belang het gedogen rechtvaardigt.
Op basis van de notitie is specifiek bepaald dat gedogen aanvaardbaar is in de volgende gevallen:
- - overmachtssituaties. Het handhaven van wettelijke regels heeft ongewenste consequenties voor het milieu;
- - overgangssituaties I. Gevallen waarin gewerkt wordt zonder vergunning, omdat door omstandigheden die buiten de macht van de vergunninghouder liggen, de nieuwe vergunning niet aansluitend op de oude – geëxpireerde- vergunning kan worden verleend;
- - overgangssituaties II. Gevallen waarin wel wordt gewerkt met een vergunning, maar deze niet meer juist blijkt te zijn omdat, door nieuwe technische inzichten ten aanzien van bepaalde stoffen of door nieuwe jurisprudentie voor bepaalde soorten inrichtingen, plotseling een vergunning ingevolge een andere wet vereist blijkt te zijn;
- - overgangssituaties III. Gevallen waarin door het alvast starten van een activiteit, vooruitlopend op vergunningverlening, een bestaande voor het milieu schadelijke situatie kan worden beëindigd, verminderd of gereguleerd. Hierbij moet aan elk van de volgende voorwaarden zijn voldaan:
- - er zijn geen alternatieven voorhanden waarmee hetzelfde effect kan worden bereikt;
- - de aanvrager van de vergunning treft geen verwijt ten aanzien van het tijdstip van indiening van de vergunningaanvraag;
- - de gerede verwachting bestaat dat positief op de vergunningsaanvraag zal worden beslist;
- - overgangssituaties IV. Gevallen waarin een vergunning van een bestaand bedrijf om formele redenen is vernietigd, maar (met in essentie dezelfde inhoud) opnieuw kan worden verleend;
- - gevallen waarin het technisch onmogelijk blijkt de voorschriften na te leven waardoor het nodig is de voorschriften aan te passen (mits uit het milieuoogpunt aanvaardbaar);
- - gevallen waarin onderzocht moet worden hoe een overtreding van bepaalde voorschriften kan worden beëindigd, en waarvoor het nodig is de handeling in kwestie nog enige tijd uit te voeren;
- - gevallen waarin overtreding plaatsvindt van regelgeving, terwijl soepelere regelgeving in voorbereiding is.
Bij de toepassing van de nota en de notitie worden door het college tevens de volgende voorwaarden gehanteerd:
- - gedogen vindt uitsluitend actief (dus schriftelijk en onder voorwaarden) plaats;
- - in de voorwaarden is de omvang en periode van gedogen bepaald;
- - er wordt uitsluitend gedoogd, zolang de gedoogvoorwaarden zelf niet overtreden worden. Dit betekent dat het overtreden van deze voorwaarden leidt tot intrekken van de gedoogbeschikking en het handhaven van de oorspronkelijke norm.
Het is niet vanzelfsprekend dat vanuit de genoemde situaties altijd een gedoogbeslissing wordt genomen. Elke gedoogbeslissing wordt expliciet en na zorgvuldige belangenafweging genomen en gemotiveerd. Alleen dan weten alle betrokkenen waar zij aan toe zijn en kunnen eventuele derde belanghebbenden in staat worden gesteld om hun rechtsmiddelen aan te wenden. Een gedoogbeschikking (positief besluit op een verzoek om te gedogen) is immers een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat. Daarentegen is het afwijzend besluit op een verzoek om te gedogen geen besluit. Daartegen staat dan ook geen bezwaar en beroep open.
1 Tweede kamer der Staten Generaal, 5 november 1996, kamerstuk 25085.
2 Kamerstukken 1991 – 1992, 22343, nummer 2.
Strategie bij handhavingsverzoeken en klachten
Waar mogelijk handhaaft de gemeente uit eigen beweging op basis van de aan de gemeente wettelijk toegekende bevoegdheden. Dit gebeurt door uitvoering van het Beleid VTH en het bijbehorende uitvoeringsprogramma.
Overtredingen of mogelijke overtredingen kunnen ook door derden onder de aandacht worden gebracht. Dit kan op twee manieren gebeuren:
- - Men dient een klacht in;
- - Er wordt een verzoek tot handhaving ingediend.
Bij een verzoek of klacht van een burger wordt zo snel mogelijk persoonlijk contact (indien mogelijk telefonisch in verband met de efficiëntie) opgenomen met deze burger. Dan wordt besproken wat het belang en doel van het verzoek of klacht is en wat men kan verwachten van de gemeente. Vervolgens wordt de situatie op locatie beoordeeld door een toezichthouder en worden alle belanghebbenden actief geïnformeerd over de afhandeling en de verdere procedure.
Dit gebeurt bij voorkeur mondeling op locatie. Indien nodig kan een en ander schriftelijk bevestigd worden. In samenspraak met de betrokkenen wordt gezocht naar een snelle en informele oplossing van het probleem (zo nodig met behulp van buurtbemiddeling, mediationtechnieken). Wordt hiermee geen oplossing bereikt, dan wordt bij een geconstateerde overtreding verder afgewogen hoe hiermee wordt omgegaan. Daarbij wordt de prioritering zoals deze is vastgelegd in de risicoanalyse bij het beleid VTH in acht genomen en dan met name 4.3.1, waarin is opgenomen om een verzoek tot handhaving af te wijzen wanneer er geen belang wordt geschonden dat voortvloeit uit de norm die wordt overtreden.
Bij verzoeken van een gemachtigde namens een burger of bedrijf wordt in eerste instantie voornamelijk schriftelijk gecommuniceerd.
Soms wordt een handhavingsverzoek anoniem ingediend. De Algemene wet bestuursrecht definieert een aanvraag als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Om te kunnen verzoeken om handhaving is het volgens de wet dus vereist dat een aanvrager belanghebbende is. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een belanghebbende, is het noodzakelijk dat bekend is wie om handhaving verzoekt. Tijdens de behandeling van een verzoek om handhaving dienen immers verschillende belangen te worden afgewogen. Het is dan ook noodzakelijk dat bekend is wie het verzoek tot handhaving heeft ingediend. Om deze reden nemen wij een anoniem verzoek om handhaving niet in behandeling.
Dat neemt niet weg dat, wanneer wij van mening zijn dat er toezicht gehouden moet worden naar aanleiding van een anoniem(e) verzoek, klacht en/of melding, wij dit niet na zullen laten. Dat beoordelen wij dan aan de hand van de prioriteiten en de bij het beleid behorende risicoanalyse.
Mocht tijdens een controle blijken dat er sprake is van overtredingen, dan worden handhavende maatregelen tegen de overtreder getroffen.