Op basis van de inventarisatiekaart heeft de gemeente beleid voor het omgaan met NGE geformuleerd. Bij het formuleren van het beleid voor het omgaan met NGE heeft de gemeente een afweging gemaakt tussen enerzijds het borgen van een veilige omgang met NGE en anderzijds de lastenverzwaring voortvloeiende uit de maatregelen die moeten worden getroffen om het NGE-risico te verlagen.
4.1Risico’s van NGE
Een risico is het product van kans maal effect. Voor NGE bestaat het risico uit de kans op het aantreffen van een NGE maal de kans op een ongecontroleerde detonatie (explosie) maal de schade of letsel die dit veroorzaakt (effect).
De praktijk sinds de Tweede Wereldoorlog laat zien dat in sommige gebieden in Nederland een aanzienlijke kans bestaat op het aantreffen van NGE. De risicokaart en de daadwerkelijke vondsten laten zien dat dit ook in de gemeente Goirle het geval is, in het bijzonder in het gebied rond de vliegbasis. Een deel van deze vondsten is toe te schrijven aan opsporingswerkzaamheden die in het kader van diverse projecten hebben plaatsgevonden.
De kans op het spontaan (zonder effecten van buitenaf) detoneren van een NGE is klein. De kans op een ongecontroleerde detonatie van een NGE neemt bij ondeskundige of ongecontroleerde behandeling dusdanig toe, dat sprake is van een onaanvaardbaar risico. Het effect, de detonatie van het NGE en de schade of letsel die met de uitwerking van de detonatie gepaard kan gaan, is groot. Afhankelijk van het soort NGE, het kaliber en de (diepte-)ligging kan schade optreden tot een afstand van enkele meters tot in extreme gevallen van zelfs enkele kilometers van het detonatiepunt. De kans op detonatie bij ondeskundig/ongecontroleerd handelen en de uitwerking van een detonatie wordt in Nederland dusdanig groot gevonden, dat veiligheidsmaatregelen verplicht zijn zodra een verhoogde kans op aanwezigheid van NGE is aangetoond.
4.2Beleidsruimte gemeente
Op de inventarisatiekaart zijn de naoorlogs geroerde, ontgraven en opgehoogde gebieden in kaart gebracht. Naoorlogse grondroeringen en ophogingen kunnen hebben geleid tot het verkleinen van de kans op het aantreffen van NGE, waardoor het risico vermindert. De aanwezigheid van NGE kan meestal echter niet volledig uitgesloten worden en daarom dient bepaald te worden of sprake is van een aanvaardbaar risico. De gemeente mag bepalen in welke gebieden en in welke mate sprake is van een vermindering van het risico tot aanvaardbaar niveau.
De gemeente heeft hierbij de volgende afwegingscriteria gebruikt:
**1..** Ontgraven bodemlagen: gebieden en bodemlagen kunnen als niet-verdacht worden aangemerkt als deze na de Tweede Wereldoorlog ontgraven zijn. Hiervan kan sprake zijn bij bijvoorbeeld bodemsaneringen, zandwinningen, vijvers, het graven van bouwkuipen en kelders, etc. In deze gevallen is de verdachte bodemlaag afgegraven en afgevoerd. De ontgraven bodemlaag is vervangen door andere grond, een bouwconstructie of er is sprake van een permanent ontgraven profiel.
**2..** Opgehoogde gebieden: voor terreinen die naoorlogs zijn opgehoogd, mag worden aangenomen dat het ophoogzand van elders is aangevoerd en vrij is van explosieven. Dit is een in Nederland algemeen gehanteerde en geaccepteerde aanname.
**3..** Geroerde bodemlagen: In bodemlagen die aantoonbaar intensief zijn geroerd, is de kans op het aantreffen van NGE in de geroerde laag ten opzichte van de situatie ten tijde van mei 1945 verlaagd (maar niet uitgesloten). Ook dit is een in Nederland algemeen gehanteerd en geaccepteerd uitgangspunt. Dit uitgangspunt geldt niet voor agrarische grondbewerking. De kans dat bij agrarische grondbewerkingen een NGE wordt waargenomen en door tussenkomst van de politie en EODD wordt geruimd is klein.
**4..** Ervaringen uit het verleden: de plaatsen waar in het verleden NGE zijn aangetroffen en de momenten waarop dit is gebeurd, geven inzicht in de trefkans op NGE bij toekomstige bodemingrepen. Ook kan de gemeente laten meewegen in hoeverre bij het reguliere grondgebruik in de afgelopen decennia spontaan NGE zijn aangetroffen. Uit analyse van de spontane vondsten van NGE is gebleken dat de vondsten een causaal verband vertonen met de perioden waarin de bouwwerkzaamheden in de betreffende gebieden zijn uitgevoerd.
4.3Keuze tussen reactief en proactief beleid
Voor het opsporen van NGE kan de gemeente kiezen voor een reactief of een proactief beleid. Een reactief beleid houdt in dat NGE pas worden opgespoord en geruimd indien dit voor een ontwikkelingsproject noodzakelijk is. Met een proactief beleid wordt bedoeld dat aan de hand van de beschikbare historische gegevens en de omgevingsfactoren (potentiele risicovolle objecten of situaties) een afweging wordt gemaakt om NGE op te sporen en te ruimen zonder dat hieraan geplande grondroerende werkzaamheden ten grondslag liggen. Beide strategieën kunnen ook naast of aanvullend op elkaar worden toegepast.
Voor de gemeente Goirle is bij het opsporen van NGE een reactief beleid het uitgangspunt.
4.4Afwegingen en keuzes voor grondroerende ingrepen
De gemeente heeft binnen de beschreven beleidsruimte afgewogen in welke gebieden en bodemlagen sprake is van een verlaagd risico en heeft op basis hiervan keuzes gemaakt voor het wel of niet uitvoeren van aanvullend NGE-onderzoek bij ontwikkelingen en grondroerende ingrepen. Er zijn hiervoor vier situaties benoemd:
Opstellen omgevingsbeleid;
Regulier grondgebruik;
Bodemingreep;
Bodemonderzoek.
NGE-beleidskaart
De beleidskeuzes van de gemeente zijn samengevat op de NGE-beleidskaart (zie bijlage 3). Op de
beleidskaart staan de gebieden aangegeven waar NGE-onderzoek noodzakelijk is en tot welke diepte. In sommige gebieden zijn niet alle bodemlagen verdacht en is NGE-onderzoek alleen noodzakelijk bij grondroerende activiteiten in de dieper gelegen bodemlagen. Van de NGE-beleidskaart zijn een eenvoudige versie en een versie met meer detailinformatie opgenomen.
4.4.1Opstellen omgevingsbeleid
Bij het wijzigen of opstellen van een omgevingsvisie, een bestemmingsplan of een omgevingsplan moet informatie over onder meer de bodemgesteldheid en daarmee over de mogelijke aanwezigheid van NGE worden verzameld. De inhoud van de voorliggende nota kan, na de bestuurlijke vaststelling, direct als input voor het opstellen of wijzigen van ruimtelijk beleid worden gebruikt.
Overgang naar Omgevingswet
Het NGE-beleid uit de voorliggende nota hoeft na inwerkingtreding van de Omgevingswet inhoudelijk niet herzien te worden en is daarmee Omgevingswetproof.
De gemeente is reeds bezig met het opstellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan. De gemeente zal de ambities en doelen uit dit beleid in de omgevingsvisie opnemen en de regels in het omgevingsplan.
4.4.2Regulier grondgebruik
Het reguliere grondgebruik omvat de grondroerende activiteiten die vanwege de bestemming op betreffend perceel verwacht mogen worden, zoals:
het bewerken van agrarische percelen (binnen de bouwvoor);
het werken in of herinrichten van de tuinen binnen de bouwvlakken van particuliere percelen of bedrijfsterreinen;
onderhoud van openbaar groen;
onderhoudsbaggerwerk van watergangen en –partijen.
Ruimtelijke ontwikkelingen, wegreconstructies, de aanleg van kabels en leidingen en nieuwbouw vallen buiten deze definitie.
De gegevens over de sinds 1971 spontaan aangetroffen NGE en de ervaring van de medewerkers van de gemeente met betrekking tot het spontaan aantreffen van NGE in de afgelopen decennia wijzen uit dat bij het reguliere grondgebruik nagenoeg nooit NGE worden aangetroffen. Het is praktisch gezien vrijwel onmogelijk om aan regulier grondgebruik aanvullende eisen te stellen met betrekking tot de opsporing van NGE. De kosten hiervan wegen niet op tegen de veiligheidswinst.
Regulier grondgebruik kan daarom zonder NGE-onderzoek worden uitgevoerd. Feitelijk wordt hiermee de situatie zoals die de afgelopen decennia aanwezig was gecontinueerd. In voorkomende gevallen volstaat het protocol “Spontaan aantreffen van NGE”, zie paragraaf 5.3.
Diepploegen en draineringen
Bij agrarische grondbewerking die qua diepte of omvang afwijkt van het reguliere grondgebruik en grondroerende werkzaamheden buiten de bouwvoor (bijvoorbeeld diepploegen of drainage) en een cyclus hebben van meer dan tien jaar is sprake van een toegenomen risico ten opzichte van het reguliere gebruik. Afhankelijk van de aard van het risicogebied waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd kunnen hier wel aanvullende NGE-maatregelen noodzakelijk zijn. In de praktijk is het merendeel van deze werkzaamheden vergunningplichtig. Gemeente Goirle kiest ervoor om bij vergunningverlening de initiatiefnemer te informeren over de risico’s en te voorzien van het ‘protocol spontaan aantreffen NGE’. De gemeente vult op deze wijze haar zorgplicht in, de initiatiefnemer dient zelf te beoordelen of aanvullende maatregelen nodig zijn.
4.4.3Bodemingreep in onverdachte gebieden
Onverdachte gebieden zijn de gebieden die op de NGE-risicokaart buiten de risicogebieden vallen, dus waar in de Tweede Wereldoorlog op basis van de historische informatie geen NGE terecht zijn gekomen.
Andere onverdachte gebieden zijn de vrijgegeven gebieden, dat wil zeggen gebieden waar explosievenonderzoek is uitgevoerd en de gemeente een ondertekend Proces Verbaal van Oplevering (PVVO) heeft ontvangen.
Tevens zijn gebieden waar de bodem na de Tweede Wereldoorlog dieper geroerd is dan de penetratiediepte van de NGE onverdacht.
Binnen deze onverdachte gebieden kunnen bodemingrepen zonder NGE-onderzoek worden uitgevoerd. Indien onverhoopt spontaan een NGE wordt aangetroffen, dient de vondst middels de procedure “Spontaan aantreffen NGE” te worden afgehandeld. Deze procedure is opgenomen in paragraaf 5.3. Indien meerdere NGE worden aangetroffen, is dit nieuwe informatie op basis waarvan herziening van de aanpak nodig kan zijn.
Feitelijk wordt de bestaande situatie in deze gebieden gecontinueerd. Sinds de Tweede Wereldoorlog vinden in deze gebieden werkzaamheden plaats, zonder dat aanvullende maatregelen worden getroffen.
4.4.4Bodemingreep in verdachte gebieden
In verdachte gebieden is het risico op aanwezigheid van NGE onverminderd verhoogd. Binnen de verdachte gebieden vindt de gemeente Goirle NGE-onderzoek nodig, tenzij:
**1..** De verdachte bodemlaag door eerder grondverzet volledig verwijderd is;
**2..** De bodemingreep zich beperkt tot een bodemlaag die na 1945 op het oorspronkelijke maaiveld is aangebracht;
**3..** De bodemingreep zich beperkt tot een bodemlaag die na 1945 aantoonbaar is geroerd;
**4..** De bodemingreep kleiner is dan 100 m2. Deze uitzondering is niet van toepassing in gebieden waar afwerpmunitie aanwezig kan zijn.
**5..** Voor het plaatsen van een bouwwerk geen omgevingsvergunning nodig is (vergunningsvrij bouwen).
Toelichting op uitzondering 3 (specifiek voor reconstructies wegen en rioleringen)
De cunetten van wegen en rioleringen zijn voorbeelden van geroerde bodemlagen mits de weg na 1945 is aangelegd of gereconstrueerd. Reconstructies van wegen en rioleringen worden vaak binnen het bestaande wegprofiel uitgevoerd maar soms is het nodig om het profiel te verbreden of te verdiepen, bijvoorbeeld als een gecombineerd riool door een gescheiden stelsel wordt vervangen, of wanneer een warmtenet moet worden aangelegd. Voor deze situaties heeft de gemeente een afweging gemaakt tussen het belang van verkleining van de risico’s door middel van aanvullend NGE-onderzoek en het belang van het voorkomen van lastenverzwaring en onnodig onderzoek. Omdat er in het verleden bij dergelijke werkzaamheden nooit NGE zijn aangetroffen, vindt de gemeente aanvullend NGE-onderzoek bij de verbreding of verdieping van de bestaande weg- en rioleringscunetten niet noodzakelijk. Indien onverhoopt spontaan een NGE wordt aangetroffen, dient de vondst middels de procedure “Spontaan aantreffen NGE” te worden afgehandeld. De uitzondering geldt niet voor de gebieden die op de risicokaart verdacht zijn op afwerpmunitie. Bij dit type munitie (vliegtuigbommen e.d.) is het risico op een gevaarlijke situatie dermate groot dat het niet wenselijk is om hier ingrepen in de bodem te doen zonder voorafgaand NGE-onderzoek.
Toelichting op de uitzonderingen 4 en 5 (kleine bodemingrepen):
De gemeente heeft een uitzondering gemaakt voor kleine bodemingrepen. Hiertoe heeft de gemeente een afweging gemaakt tussen het belang van verkleining van de risico’s door middel van aanvullend NGE-onderzoek en het belang van het voorkomen van lastenverzwaring voor burgers en bedrijven. Als aan de criteria wordt voldaan, hoeft de initiatiefnemer geen aanvullend NGE-onderzoek te doen. De motivatie voor deze keuze is dat er bij dergelijke kleine ontwikkelingen in de afgelopen decennia nagenoeg nooit een NGE-vondst is gedaan. Indien onverhoopt spontaan een NGE wordt aangetroffen, dient de vondst middels de procedure “Spontaan aantreffen NGE” te worden afgehandeld. Ook het planten van bomen en het plaatsen van ondergrondse containers valt onder deze uitzonderingsregel.
De uitzondering voor kleine bodemingrepen geldt niet voor de gebieden die op de risicokaart verdacht zijn op afwerpmunitie. Bij dit type munitie (vliegtuigbommen e.d.) is het risico op een gevaarlijke situatie dermate groot dat het niet wenselijk is om hier ingrepen in de bodem te doen zonder voorafgaand NGE-onderzoek, ook niet bij de kleine bodemingrepen. Binnen de bebouwde kom betreft dit alleen het zuidelijke gedeelte van Riel.
In de volgende tabel is voor de diverse typen gebieden aangegeven wanneer NGE-onderzoek noodzakelijk is. De maximale diepte tot waarop de bodem verdacht is op NGE (de verticale afbakening), wordt bepaald door de berekende penetratiediepte van de afgeschoten munitie.
Het NGE-onderzoek bestaat uit een locatiespecifieke beoordeling van de risico’s (projectgebonden risicoanalyse (PRA)) eventueel gevolgd door opsporing. De eisen aan het aanvullend NGE-onderzoek, de detectie en ruiming van NGE staan in hoofdstuk 6. Het aanvullend onderzoek, detectie en ruiming is voorbehouden aan gecertificeerde opsporingsinstanties.
Indien onverhoopt spontaan een NGE wordt aangetroffen, dient de vondst middels de
procedure “Spontaan aantreffen NGE” te worden afgehandeld. Deze procedure is opgenomen in
paragraaf 5.3. Indien meerdere NGE worden aangetroffen, is dit nieuwe informatie op basis waarvan herziening van de aanpak nodig kan zijn.
Zie tabel 4.1 in bijlage 5.
4.4.5Bodemonderzoek
Voor milieukundig, geotechnisch en archeologisch (m.u.v. proefsleuvenonderzoek) bodemonderzoek geldt dat de kans op het aantreffen van NGE bijzonder klein is en de extra lastenverzwaring niet opweegt tegen de verkleining van de risico’s. Ongeacht de mate van risico van het gebied hoeft hiervoor geen aanvullend NGE-onderzoek te worden uitgevoerd, tenzij het bodemonderzoek betreft op plaatsen waar sprake kan zijn van afwerpmunitie (zie risicokaart).
Bodemonderzoek in op afwerpmunitie verdacht gebieden
Handboringen in op afwerpmunitie verdacht gebied kunnen regulier worden uitgevoerd, het personeel dat de werkzaamheden uitvoert dient echter wel op de hoogte gebracht te worden dat afwerpmunitie aanwezig kan zijn. Bij weerstand bij het boren dient de boring direct te worden gestaakt en een andere boorlocatie gezocht te worden. Bij machinaal boren dienen de risico’s per project beoordeeld te worden (PRA). In geval van geotechnisch onderzoek met een sondeerwagen kan een zogenaamde geopoint conus worden ingezet; deze is voorzien van metaaldetectie waardoor voorkomen kan worden dat metalen objecten getoucheerd worden.
4.5Beleid voor metaaldetectie en magneetvissen
Als mensen hobbymatig door middel van metaaldetectoren en magneetvissen op zoek gaan naar metaal(resten) in de bodem en het oppervlaktewater kunnen NGE aan de oppervlakte worden gebracht. Dit leidt tot risico’s voor de direct betrokkenen en de omstanders. Omdat een verbod slecht handhaafbaar is en er relatief weinig naar metaal gezocht wordt, kiest de gemeente ervoor om metaaldetectie en magneetvissen niet te verbieden maar de bewoners periodiek te informeren over de risico’s. Communicatiemiddelen die hiervoor kunnen worden gebruikt zijn primair de website en de lokale krant. In de communicatie wijst de gemeente op het protocol “Spontaan aantreffen NGE”.
Artikel 4
Beleidskeuzes
Onderdeel van Beleidsnota Omgaan met niet-gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog