Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3.

Artikel 3.9

Overdracht, overgang en ondererfpacht

Onderdeel van Algemene erfpachtvoorwaarden gemeentegronden

1.. De erfpachter is tot gehele of gedeeltelijke overdracht van het erfpachtrecht, de vestiging van ondererfpacht of een beperkt recht waardoor het gebruik van de onroerende zaak door anderen wordt verkregen, slechts bevoegd na voorafgaande schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en wethouders. 2.. Het college van burgemeester en wethouders beslist binnen een maand na het schriftelijk verzoek om toestemming voor de rechtshandelingen als bedoeld in lid 1 van dit artikel. Deze termijn kan door het college van burgemeester en wethouders door een schriftelijke mededeling aan de erfpachter ten hoogste éénmaal met een maand worden verlengd. Indien binnen é én (c.q. twee) maand(en) niet op het verzoek is beslist, zonder dat zulks aan de erfpachter is toe te rekenen, wordt de toestemming geacht te zijn verleend. 3.. Na verkregen toestemming is de (nieuwe) erfpachter, ondererfpachter of verkrijger van een gebruiksrecht als bedoeld in lid 1 van dit artikel, verplicht om op zijn kosten aan het college van burgemeester en wethouders een afschrift van de desbetreffende notariële akte te overleggen. 4.. Behoort de erfpacht toe aan twee of meer personen, hetzij als deelgenoten hetzij als erfpachter van verschillende gedeelten van de zaak, dan zijn zij hoofdelijk verbonden voor de gehele canon die tijdens hun recht opeisbaar wordt, voorzover deze niet over hun rechten verdeeld is. 5.. Na overdracht, toedeling van de erfpacht op de zaak of een gedeelte daarvan of van een aandeel in de erfpacht zijn de verkrijger en zijn rechtsvoorganger hoofdelijk verbonden voor de door laatstgenoemde verschuldigde canon die in de voorafgaande vijf jaar opeisbaar is geworden.

Rechtspraak bij dit artikel