Naar hoofdinhoud
Bij de bepaling van de beschikbare weerstandscapaciteit worden alleen de algemene reserves meegenomen (= incidentele weerstandscapaciteit). In geval van tekortschietende algemene reserves kan bij calamiteiten eventueel ook gebruik worden gemaakt van bestemmingsreserves. Dit betekent dan wel dat wordt afgezien van de realisatie van een bestemming of dat er zo snel mogelijk aanvullende dekkingsmiddelen worden gevonden om de bestemmingsreserve weer beschikbaar te hebben. Er wordt geen rekening gehouden met de omvang van andere mogelijke structurele middelen voor zoals onbenutte belastingcapaciteit. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen reserves voor het concern (= algemene dienst) en reserves grondzaken. concern/algemene dienst De weerstandscapaciteit van het concern/algemene dienst bestaat uit de vrij inzetbare reserve. Deze reserve dient als buffer voor onverwachte tegenvallers. Hiermee kunnen onvoorziene negatieve rekeningresultaten worden opgevangen en risico’s worden afgedekt. Bestemmingsreserves Bestemmingsreserves hebben een specifieke door de raad besloten bestemming. Deze reserves kunnen in geval van (tijdelijk) tekortschietende vrij inzetbare reserve ook tot de weerstandscapaciteit worden gerekend. In dat geval moet de oorspronkelijk gedefinieerde bestemming door de raad worden gewijzigd. De Reserve investeringsfonds (Rif) is ook een bestemmingsreserve. Grondbeleid De weerstandscapaciteit van grondzaken bestaat uit de volgende reserves: reserve versterking financiële positie Grondbedrijf ter dekking van de risico’s die samenhangen met de bedrijfsactiviteiten vanuit grondbeleid; reserve risico’s Grondbedrijf ter dekking van het risico dat te vroegtijdig winst wordt opgenomen op projecten vanuit grondbeleid. De positieve resultaten van de grondexploitaties worden voor de helft toegevoegd aan de reserve versterking financiële positie Grondbedrijf. De andere helft wordt rechtstreeks toegevoegd aan de Reserve investeringsfonds (= dus 50% van de gerealiseerde winst). De benodigde incidentele weerstandscapaciteit 1 Zoetermeer maakt alleen gebruik van incidentele weerstandscapaciteit en kent geen structurele weerstandscapaciteit. voor het concern bestaat uit een berekening van de maximale omvang van de risico’s (met een zekerheid van 95%) aangevuld met 2% van het begrotingstotaal (lasten), exclusief grondbedrijf voor de niet te kwantificeren risico’s. Het is namelijk wenselijk een zekere financiële buffer aan te houden. Hieraan liggen meerdere redenen ten grondslag. Bij de bepaling van de benodigde weerstandscapaciteit is altijd sprake van onzekerheden. In de eerste plaats zijn niet alle risico’s bekend. Daarbij wordt alleen rekening gehouden met eenmalige specifieke risico’s. Ten tweede wordt geen rekening gehouden met meer algemene risico’s in relatie tot onvoorziene ontwikkelingen in structurele (rijks)inkomsten of kosten. Indien sprake is van onvermijdelijke, negatieve financiële ontwikkelingen zijn maatregelen nodig om de budgettaire situatie weer in evenwicht te brengen. Tussen het bekend worden van budgettaire tegenvallers en het treffen van passende maatregelen kan enige tijd bestaan. De budgettaire frictie die daardoor ontstaat moet kunnen worden opgevangen. De weerstandscapaciteit fungeert daarmee als een automatische, tijdelijke stabilisator van de gemeentelijke financiën. Zoals eerder opgemerkt, is het inschatten van risico’s en afgeleid daarvan de benodigde weerstandscapaciteit geen wetenschap. De omvang van 2% is situationeel bepaald en een politieke keuze. Bij de bepaling van het percentage wordt rekening gehouden met de gevoeligheid en beïnvloedbaarheid van de wijzigingen in uitgaven en inkomsten van de begroting. Ook is de omvang van het begrotingstotaal (lasten) van belang. De uitgangspunten en spelregels voor de uitoefening van het begrotingsbeleid worden jaarlijks als bijlage bij de programmabegroting opgenomen. Het % voor de stelpost voor niet voorziene risico’s kan daarvan onderdeel uitmaken.

Rechtspraak bij dit artikel