**1..** Een instelling, welke met behulp van het verleend subsidie een vermogen vormt, is daarvoor naast het bepaalde in artikel 49 een vergoeding verschuldigd aan de gemeente, als:
de instelling voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;
de instelling een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;
de instelling de activiteiten geheel of gedeeltelijk beëindigt, of
de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt gewijzigd en of wordt ingetrokken;
het subsidie wordt beëindigd.
**2..** De vergoeding wordt binnen een jaar door burgemeester en wethouders bepaald, nadat zij op de hoogte zijn gekomen of konden zijn van de gebeurtenis die het recht op vergoeding deed ontstaan, doch in ieder geval binnen vijf jaren na de bekendmaking van de laatste beschikking tot subsidievaststelling.
**3..** In de gevallen waarin sub c, d en e van het tweede lid van dit artikel van toepassing zijn, is de instelling ter zake van de vermogensvorming vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin het subsidie aan de vermogensvorming heeft bijgedragen.
**4..** Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en de andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen.
**5..** Als het roerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige.
Hoofdstuk XI
Artikel 50
(ongewenste vermogensvorming)
Onderdeel van Verordening regelende de algemene subsidiebepalingen en -voorwaarden voor subsidies aan welzijnsinstellingen 2003