Naar hoofdinhoud
In dit hoofdstuk bespreken we de sporen waarlangs we de opgave willen realiseren. Kort stippen we daarbij eerst de opgave zelf aan en daarna komen er een aantal beleidskeuzes aan bod. Voor een verdere uitwerking van achtergronden, opgaven en de keuzes verwijzen wij naar Deel B van dit document. In 2030 wordt 30% (of ongeveer 1.150 TJ) van de energievraag in Horst aan de Maast duurzaam lokaal opgewekt met zon- en windenergie. In 2050 is de energievoorziening van Horst aan de Maas 100% duurzaam. 4 realisatie sporen Er zijn vier sporen waarlangs we meer duurzame elektriciteit gaan opwekken van nu tot 2030: Spoor 1: Meervoudig ruimtegebruik, zoals zon-op-dak en reststroken, en kleinschalige zonneweides tot 0,5 hectare. Deze zijn nu al mogelijk en worden ook verder gestimuleerd met voorlichting en advies. Met spoor 1 wekken we ongeveer 255 TJ op; Spoor 2: Middelgrote zonneweides. We willen maximaal zes zonneweides, met een totale grootte van 75 hectare, vergunnen. De grootte van de zonneweides zijn indicatief 5-15 hectare. In verband met de exploitatieperiode van zonneweides en de potentieel tijdelijke rol van zonneweides in het landschap zullen we een vergunningsperiode van maximaal 25 jaar inbouwen. Bij het toetsen van de plannen worden strikte landschappelijke criteria en stellen we eisen om te waarborgen dat onze inwoners, via een energiecoöperatie, kunnen meeprofiteren van de opbrengsten. Met spoor 2 gaan we ongeveer wekken 133 TJ opwekken; Spoor 3: Energielandschappen. We willen een gebiedsverkenning starten naar de mogelijkheden tot twee grootschalige energieprojecten in de vorm van een energielandschap (wind- en/of zonne-energie). Een onafhankelijke gebiedsverkenner gaat de mogelijkheden hiervoor verkennen. Bij de ontwikkeling van een energielandschap zetten wij nadrukkelijk in op een bredere gebiedsontwikkeling, waarbij ook wordt ingezet op de transitie in de landbouw, natuurontwikkeling en klimaatadaptatie. Met spoor 3 willen we ongeveer 713 TJ gaan opwekken. Dat is 223 TJ aan windenergie (indicatief 7 windturbines) en 275 hectare zonnepanelen; Spoor 4: Innovatie, netwerken en opslag. In dit spoor focussen we op de ontwikkeling van nieuwe technologieën voor energie-opwek en de opslag daarvan. Daarbij werken we nauw samen met andere overheden in RES-verband. 2.1Opgaven en keuzes 2.1.1Opgaven De totale energievoorziening moet verduurzamen. In KODE bouwen we voort op de doelstelling uit de Energievisie Noord Limburg 2018 (vastgesteld door de gemeenteraad op 15 januari 2019), waarin is gesteld dat we streven naar 35% energiebesparing in 2030 (ten opzichte van 2017). We prognosticeren dat er in 2030 een energievraag resteert van ongeveer 5.100 TJ per jaar. In de Energievisie hebben we ook de ambitie gesteld om 30% van de energievraag in 2030 lokaal duurzaam op te wekken (waarvan 25% duurzame warmte en 75% duurzame elektriciteit). Deze ambitie staat gelijk aan een opwekbehoefte van ongeveer 1.150 TJ duurzame elektriciteit per jaar in Horst aan de Maas. In peiljaar 2017 werd circa 100 TJ duurzame elektriciteit in onze gemeente opgewekt met zonne-energie. Daarmee houden we een opwekbehoefte van 1.050 TJ duurzame elektriciteit per jaar over. We ronden deze opgave af naar 1.000 TJ per jaar. Een nadere toelichting en onderbouwing van deze opgave is opgenomen in hoofdstuk 4. 2.1.2Beleidskeuzes Voor zonne-energie worden de volgende beleidskeuzes gemaakt: Meervoudig ruimte gebruik in de bebouwde omgeving heeft de voorkeur. Denk daarbij aan zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen, op (onbenutte) terreinen in bebouwd gebied en op voormalige agrarische bouwblokken. Op deze manier worden landbouw en natuur zoveel mogelijk ontzien. Extensieve zonnevelden genieten de voorkeur. Omdat niet elk plan geschikt is voor een extensieve invulling en er ook een sluitende businesscase moet kunnen zijn, sluiten we intensievere plannen (met een zogenaamde oost-west opstelling) niet uit. Clustering van zonneweides. Dit om de impact op het landschap en de beleving te beperkten en om schaalvoordelen te genereren. Om clustering te stimuleren en versnippering te voorkomen, worden zonneweides tussen 0,5 en 5 ha niet toegestaan. Ook onze inwoners hebben een voorkeur voor clustering van zonneweides. Voor windenergie gelden de volgende beleidsuitgangspunten: We sluiten aan bij het bestaande ruimtelijk beleid dat windturbines geclusterd geplaatst worden en niet solitair. Op die manier wordt de ruimtelijke impact geconcentreerd en andere landschappen ontzien. Deze voorkeur kwam ook terug uit de inwoners enquête van 2020. Daar werd gekozen voor een geclusterde lijnopstelling. Ook gaven de inwoners aan dat qua locatie zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij bestaande structuren zoals snelwegen, treinsporen en bedrijventerreinen. Op deze manier kunnen risico- en hindercontouren van functies in elkaar opgaan. Een nadere onderbouwing en toelichting op deze beleidskeuzes is opgenomen in hoofdstuk 5. 2.2Realisatie: 4 sporen We gaan via vier sporen onze opwekambitie realiseren. Drie sporen worden ingegeven door schaalniveau, de vierde gaat over innovatie. Spoor 1 gaat over meervoudig ruimtegebruik, zoals zon-op-dak en reststroken, en zonneweides kleiner dan 0,5 hectare. De beleidslijn in KODE voor meervoudig ruimtegebruik en kleinschalige zonneweides komt overeen met het zonnebeleid van de Gemeente Horst aan de Maas uit 2018, dat met de vaststelling van KODE komt te vervallen. Aangezien spoor 1 niet genoeg is om onze opgave van 1000 TJ tot 2030 in te vullen zetten we ook in op de ontwikkeling van windturbines en zonneweides. We kiezen hierbij voor een balans tussen windturbines (25%) en zonneweides (75%), we sluiten hiermee aan op de voorkeuren van onze inwoners en de mogelijkheden in het landschap. Met deze verhoudingen zoeken we ruimte voor 223 TJ (indicatief 7 windturbines) en 350 hectare aan zonnepanelen. Dit is minder dan 2% van het oppervlak van onze gemeente. Met spoor 2 van onze realisatiestrategie willen we ruimte bieden voor enkele middelgrote zonneweides, met een beleidsplafond van 75 hectare. In spoor 3 willen we de mogelijkheden verkennen voor het realiseren van windturbines en het grootste gedeelte van de zonneweides (275 hectare) in energielandschappen. Het indicatieve opbrengend vermogen van de energieontwikkeling in Horst aan de Maas is enkele tientallen miljoenen euro’s. Inwoners kunnen meeprofiteren van deze opbrengsten door de mogelijkheid tot financiële participatie en inwonersparticipatie en de opbrengsten in de omgeving terug te investeren. 2.2.1Spoor 1: Meervoudig ruimtegebruik en kleinschalige zonneweides Meervoudig ruimtegebruik en kleinschalige zonneweides vormen spoor 1. Hiermee willen we uiteindelijk 250 TJ duurzame elektriciteit per jaar opwekken. Spoor 1 is de opvolger van het Zonnebeleid van de Gemeente Horst aan de Maas uit 2018, wat hiermee komt te vervallen. Een uitgebreide versie is te vinden in bijlage 4. Zonnepanelen op daken Het leggen van zonnepanelen op daken van bedrijven, instellingen, agrarische bedrijven, woningen en maatschappelijk vastgoed is een zeer geschikte manier om zonne-energie op te wekken. Dit heeft te maken met het uit het zicht liggen van zonnepanelen op daken en de geschiktheid van bestaande daken. We zetten hier vooral in op het actief informeren van inwoners, bedrijven en agrariërs. Ook als gemeente Horst aan de Maas nemen wij onze verantwoordelijkheid. Bij groot onderhoud van onze gebouwen nemen we de mogelijkheid voor het plaatsen zonnepanelen direct mee. Ook zijn er subsidiemogelijkheden voor beheerders van maatschappelijke accommodaties. Zonnepanelen op of aansluitend aan (voormalige) bouwblokken Als de daken niet geschikt zijn voor of al vol liggen met zonnepanelen kan er een kleinschalige vrijeveldopstelling worden gerealiseerd. Het gaat dan om installaties tot maximaal 0,5 hectare (voetbalveld) grondoppervlak extra buiten het bestaande bouwblok. Voorwaarde is dat deze goed landschappelijk wordt ingepast en in of direct grenst aan het woon- of bedrijfsperceel of het (voormalig) bouwblok, op de eigen huisaansluiting. Dit formaat is goed in te passen met een beperkte landschappelijke impact. Dit kan interessant zijn voor sanerende veeboeren. Meervoudig ruimtegebruik, reststroken en niet-agrarische gronden We bieden in spoor 1 ook ruimte voor het opwekken van zonne-energie op andere, nu nog vaak onbebouwde, locaties. Denk hierbij aan grote parkeerterreinen, opslagterreinen, gebieden voor waterberging, combinaties met geluidsschermen, grondwallen enzovoorts. Bij aanvragen van bedrijven of herinrichting van de openbare ruimte zullen we dit meervoudig ruimtegebruik stimuleren en meenemen. Ook zijn veldinstallaties toegestaan op percelen en reststroken zonder agrarische bestemming en op onverkoopbare reststroken in (reeds bestemde) glastuinbouwgebieden. Ontwikkeling van zonneweides op rechthoekige kavels welke door de vorm geen beperkingen kennen voor glastuinbouw, met een grootte boven de 0,5 hectare, definiëren wij als middelgrote zonneweides en moeten volgens de criteria in ‘spoor 2’ worden ontwikkeld. Bij meervoudig ruimtegebruik, reststroken en niet-agrarische gronden geldt de maximale grootte van 0,5 hectare niet 1 In KODE beperken wij de definitie van “meervoudig ruimtegebruik” tot kleinschalige zonopwekking in de bebouwde omgeving, zoals op reststroken, daken, boven parkeerplaatsen, taluds etc. Al deze vormen vallen binnen spoor 1. Hoewel zonnepanelen boven gewassen of combinaties met weidedieren natuurlijk ook een vorm van meervoudig ruimtegebruik zijn, vallen ze buiten de definitie. Zon-boven-landbouw definiëren wij als ‘koppelkans’ en komen in spoor 2 en 3 aan bod . Kleinschalige zonneweides Kleinschalige zonneweides kennen een maximale grootte van 0,5 hectare. Het gaat hierbij om zonneweides op onder andere landbouwgrond. Meervoudig ruimtegebruik en kleinschalige zonneweides hebben onze voorkeur. Op basis van de huidige berekeningen stellen wij dat het financieel en technisch mogelijk is om maximaal 250 TJ met spoor 1 op te kunnen wekken. Indien door technologische innovaties of prijsontwikkeling, meer dan 250 TJ met spoor 1 kan worden gerealiseerd, zal de opgave voor spoor 2 en 3 worden verlaagd. De gemeenteraad wordt hierbij betrokken op basis van een tussentijdse evaluatie van KODE in 2022. 2.2.2Spoor 2: Middelgrote zonneweides Om de opgave van 1000 TJ tot 2030 in te vullen zetten we ook in op de ontwikkeling van middelgrote zonneweides. Deze kunnen, mits de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk het toelaat, in een relatief korte periode gerealiseerd worden. Om versnippering te voorkomen hanteren we bij middelgrote zonneweides een oppervlakte van 5 tot 15 hectare, waarbij afwijking naar boven mogelijk is, mits het totaal van de projecten de 75 hectare niet overschrijdt en aan de hierna beschreven locatie-eisen wordt voldaan. Bij het realiseren van middelgrote zonneweides pakken we als gemeente een faciliterende rol door deze projecten mogelijk te maken via een openbare procedure. Het is van belang dat middelgrote zonneweides goed worden ingepast in het landschap, meerdere doelen dienen dan enkel de energieopgave en bijdragen aan lokaal eigenaarschap (streven naar 50% lokaal coöperatief eigendom). Om het proces voor toewijzing te stroomlijnen en te zorgen dat alleen de beste plannen worden vergund willen we twee keer de mogelijkheid bieden om plannen in te dienen. In totaal vergunnen we een totale oppervlakte van maximaal 75 hectare. We selecteren de plannen via een openbare procedure. De intentie is om de eerste openbare procedure in 2021 en (indien niet alle ruimte is vergeven in de eerste ronde) de tweede openbare procedure in 2022 te doorlopen. De planning is hierbij sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk. Een gedetailleerde beschrijving van de processtappen wordt nader uitgewerkt. De gemeenteraad wordt hier in de loop van 2021 over geïnformeerd. In Deel B, is in hoofdstuk 5 een landschapsanalyse voor zonne-energie beschreven. De landschapsanalyse is gebaseerd op de verschillende landschapstypen (Figuur 1) in Horst aan de Maas en de karakteristieken van deze typen en ook gebruikt bij het recente teelt ondersteunde voorzieningen (TOV) beleid. Op basis van de cultuurhistorische waarden, natuurlijke waarden en kwetsbaarheid van gebieden zijn verschillende landschapstypen uitgesloten voor de ontwikkeling van zonneweides. De middelgrote zonneweides zoals beschreven in spoor 2 kunnen in twee landschapstypen gerealiseerd worden. Middelgrote zonneweides kunnen enkel in kampen- en veldenlandschappen (geel omlijnd) gerealiseerd worden wanneer de landschapskarakteristiek al zodanig is aangetast dat deze niet meer waarneembaar is, of niet meer hersteld kan worden. De maat en schaal moet passend zijn in landschap met versterking van de landschapskwaliteit Middelgrote zonneweides kunnen in het heide ontginningslandschap (oranje omlijnd) aangelegd worden, op voorwaarde dat ze goed worden ingepast en aansluiten op de bestaande functies en structuren. Een van de verkenningsgebieden voor energielandschappen bevindt zich in het heide ontginningslandschap. Onderstaand worden in Tabel 1 globaal de planeisen en scoringscriteria met maximale scores voor de ontwikkeling van middelgrote zonneweides gedefinieerd. Hiermee worden de plannen voor deze zonneweides getoetst en kunnen we de meest kwalitatieve plannen laten realiseren. Er zal een leidraad voor middelgrote zonneweides komen waarin de criteria voor het realiseren van middelgrote zonneweides verder is uitgewerkt. Daarin wordt ook uitgelegd hoe de score per onderdeel bepaald wordt en hoe de openbare procedure er precies uit komt te zien. Onderdeel Maximale score Ligging 10 Het project ligt in een heide ontginningslandschap of kampen- of veldenlandschap. Inpassing (let op: nog geen uitgewerkt plan i.v.m. omgevingsgesprek) 10 Goede inpassing van het project, waarbij rekening wordt gehouden met de karakteristieken van het landschap. Koppelkansen 20 Het plan geeft invulling aan koppelkansen, aansluitend bij de opgave in het gebied (natuurontwikkeling, landschapsbeleving, bodemverbetering, verdroging/vernatting, verevening/transitie landbouw, agrarische kwaliteit). Beoordeling op kwaliteit van de koppelkansen. Procesparticipatie 20 Hoe ziet het voorstel voor de omgevingsanalyse en het omgevingsgesprek eruit? Projectparticipatie en lokaal coöperatief eigendom 40 De wijze waarop het project samen met een lokale energiecoöperatie wordt ontwikkeld (variërend van ontwikkeling door de energiecoöperatie of een mate van samenwerking). 20 De mate waarop inwoners (middels de energiecoöperatie) kunnen deelnemen aan het energieproject, streven naar minimaal 50% lokaal coöperatief eigendom. 10 Wordt er een omgevingsfonds opgericht? Hoe wordt dat fonds gevuld en beheerd? 5 De aanwezigheid en de omvang van een omwonendenregeling. 5 Overig Is het planschade risico in beeld en onderdeel van de exploitatie? Verplicht Totaal 100 Tabel 1 wegingscriteria De gemeente toetst de initiatiefvoorstellen (aan de hand van deze criteria) en biedt daar waar nodig ondersteuning, maar staat niet zelf aan de lat om projecten te initiëren. We zien een rol voor marktpartijen, de energiecoöperatie en andere burgerinitiatieven bij de ontwikkeling van middelgrote zonneweides. De gemeente beslist enkel over de vergunningverlening voor een initiatief. De initiatiefnemer dient er zelf zorg voor te dragen dat er voldoende netcapaciteit is voor het project en hierover in gesprek te gaan met de netbeheerder. In verband met de exploitatieperiode van zonneweides en de potentieel tijdelijke rol van zonneweides in het landschap zullen we een vergunningsperiode van maximaal 25 jaar inbouwen. Bij afloop van de vergunningsperiode, wordt bekeken of het wenselijk en nodig is om de locatie als zonneweide te blijven benutten. De vergunninghouder zal worden verplicht om na afloop van de vergunning de locatie ‘leeg’ op te leveren en hiertoe waarborgen te verstrekken. Zon boven intensieve productielandbouw wordt zonder coöperatief eigendom toegestaan, omdat dit een meer rendabele businesscase oplevert. Hierbij wordt aangesloten op het recente teelt ondersteunde voorzieningen (TOV) beleid. 2.2.3Spoor 3: Energielandschappen Met het hiervoor beschreven ‘spoor 2’ willen we 75 hectare aan middelgrote zonneweides toestaan in Horst aan de Maas. De overige 275 hectare zonneweide en 223 TJ windenergie willen we in grootschalige energieprojecten realiseren, spoor 3. Door voor grootschaligheid te kiezen beperken we de impact op ons totale landschap. Grootschaligheid leidt vaak tot lagere maatschappelijke kosten (door lagere kosten met betrekking tot netbeheer) en een betere businesscase. Daardoor kan grootschalige opwek een financieel draagvlak bieden voor de gewenste gebiedsontwikkeling waarbij koppelkansen een belangrijke rol spelen. Wij noemen dit soort grootschalige energieprojecten een energielandschap. Een energielandschap is dus een project van minimaal 15 hectare waarin (duurzame) elektriciteitopwek een grote rol speelt, maar ook veel nadruk op versterking met andere opgaven wordt gelegd. De gemeente wil samen met andere partijen (ontwikkelaars, energie coöperatie, omwonenden, bedrijven, andere belanghebbenden) de mogelijkheden voor deze grote projecten verkennen. We nemen hier een samenwerkende of (mede)- eigenaarsrol in. Mede-eigenaarschap is daarbij geen doel op zichzelf maar een (tijdelijke) (mogelijke) manier om te borgen dat revenuen maximaal lokaal landen. Met energielandschappen streven we naar zoveel mogelijk clustering, optimale inpassing en projecten met een zo hoog mogelijk maatschappelijk rendement. Rendement wordt daarbij nadrukkelijker breder gedefinieerd dan enkel elektriciteitopwek. Het gaat om versterking van de landbouwtransitie, natuur- en landschapsontwikkeling en versterking van maatschappelijke, toeristische en recreatieve functies. Het is daarnaast ook wenselijk dat een (grootschalig) energieproject meervoudige doelen nastreeft waarbij in ieder geval één van de doelen uit het duurzaamheidsprogramma, naast klimaatneutraliteit, moet dienen: klimaatadaptatie, circulaire economie en biodiversiteit. De verhouding tussen wind en zon (turbines vs 275 ha) in de energielandschappen is nadrukkelijk indicatief en kan op basis van de verkenning nog wijzigen. Het ontwikkelen van een grootschalig energielandschap is een langdurig en ingewikkeld traject, maar levert ook veel op. Grootschalige elektriciteitsopwek brengt grote financiële opbrengsten met zich mee, die kunnen worden geïnvesteerd in de omgeving en wenselijke gebiedsontwikkelingen mogelijk maken. Een eigenaarsrol voor de gemeente brengt ook risico’s met zich mee. Door zelf een energielandschap te ontwikkelen, neemt de gemeente ook een risicodragende rol op zich. Om te waarborgen dat de opbrengsten uit een energielandschap in de omgeving worden geïnvesteerd, wil de gemeente samen met de energiecoöperatie en lokale stakeholders sturen op een evenwichtige belangenafweging. Met een evenwichtige belangenafweging kan gewerkt worden aan een eerlijke verdeling van lusten en lasten in de omgeving. Dit krijgt vorm door gedegen procesparticipatie, waar de gebiedsverkenning en een omgevingsdialoog onderdeel van uitmaken. Ook bij de ontwikkeling van een energielandschap wordt gestreefd naar minstens 50% lokaal coöperatief eigendom. Dit aandeel kan lager uitvallen wanneer publieke partijen participeren en/of wanneer verzekerd is dat de financiële opbrengsten op een andere wijze in de omgeving worden geïnvesteerd. Naast investeringen in de omgeving kunnen de opbrengsten ook landen in een klimaatfonds, dat kan worden ingezet voor de energiebesparingsopgave. Daarbij valt vooral te denken aan energiebesparingsinitiatieven die inwoners (woningbezitters én huurders) ondersteunen die niet de financiële ruimte hebben om als mede-investeerder mee te profiteren. Op een dergelijke manier wordt verzekerd dat iedereen mee kan doen. Verkenningsgebieden Een energielandschap heeft een grote impact op de omgeving waar het gerealiseerd wordt. Om die reden is het belangrijk dat de omgeving vanaf het begin wordt betrokken bij de ontwikkeling ervan. Op basis van een landschapsanalyse zijn twee verkenningsgebieden aangewezen waar wat ons betreft ruimte gezocht kan worden voor de ontwikkeling van een energielandschap. De landschapsanalyse is terug te vinden in Deel B. De twee kansrijke gebieden voor energielandschappen in Horst aan de Maas zijn: Tussen de Maaslijn en A73. Hier is in theorie ruimte voor een windpark met vijf tot negen turbines; In het gebied tussen de Mariapeel en de Middenpeelweg is ruimte voor grootschalige zonneweides, in totaal zo’n 250-300 ha, aangevuld met eventueel drie windturbines. Verkenningsgebied 1: Energielandschap tussen Maaslijn en A73 Op basis van de potentiegebieden voor wind (Deel B, hoofdstuk 5), blijkt het gebied tussen de Maaslijn en de A73 het meest geschikte gebied in Horst aan de Maas om windturbines te ontwikkelen. Het verkenningsgebied is indicatief weergegeven in Figuur 2. In dit gebied liggen verschillende potentiegebieden met voldoende afstand tot individuele woningen en dorpen. De meest geschikte locaties bevinden zich in het gebied Hoogheide langs de Maaslijn en rondom het ontwikkelgebied intensieve veehouderij Witveld langs de A73. Met ruimte voor 5 tot 9 windturbines biedt dit verkenningsgebied een opwekpotentie tussen 190 en 342 TJ per jaar. Waarom dit gebied? Het verkenningsgebied tussen de Maaslijn en A73 is interessant om te verkennen ten behoeve van de ontwikkeling van windturbines. Het gebied tussen de A73 en de Maaslijn is een divers, vaak functioneel verkaveld landbouwgebied met een combinatie van akkerbouw, glastuinbouw, boom- en sierteelt en intensieve en grondgebonden veehouderij. Naar verwachting zal het gebied deze gemengde functie behouden. Het gemengde karakter van het gebied leent zich goed voor een combinatie met windenergie. Het netto grondgebruik van een windturbine is zeer beperkt en kan prima gecombineerd worden met akkerbouw, tuinbouw of veeteelt. Er zijn een beperkt aantal directe omwonden in het plangebied. De windturbines kunnen aansluiten op de bestaande infrastructuur (de Maaslijn of de autosnelweg A73) in het landschap. Naast mogelijke combinaties met akkerbouw, tuinbouw of veeteelt zijn er ook integrale koppelkansen mogelijk. De opbrengsten van het windpark kunnen worden ingezet om bedrijven met circulaire of natuur inclusieve plannen te ondersteunen, landschapsontwikkelingen in het gebied en ten oosten van het gebied (Kaldenbroek en Swolgenderheide). De opbrengsten kunnen ook ingezet worden voor de sociaal maatschappelijke doelen, dorps- en wijkontwikkelingen in de omliggende dorpen Grubbenvorst, Melderslo, Lottum, Tienray en Swolgen. Belangrijke aandachtspunten bij ontwikkelingen in dit gebied is afstemming met de huidige pachters en een zorgvuldig omgevingsgesprek met omwonenden, omliggende dorpen en (agrarische) ondernemers. Verkenningsgebied 2: Energielandschap Mariapeel De Mariapeel (Figuur 3) is eigenlijk altijd al een energielandschap geweest. Het peelgebied zoals wij dat nu kennen is ontstaan door het steken van turf dat als brandstof werd gebruikt. Dat gebeurde aanvankelijk kleinschalig voor eigen gebruik vanaf halverwege de middeleeuwen. En later, van halverwege de 17e eeuw tot in de 20e eeuw grootschalig met name als brandstof voor steenfabrieken. Inmiddels is de Mariapeel zelf aangewezen als natura 2000-gebied en kenmerkt het gebied tussen de Mariapeel en de Middenpeelweg (ruim 1750 ha) zich als een grootschalig open functioneel verkaveld landbouwgebied voor met name veeteelt en daarmee samenhangend gras- en maïsland. Waarom dit gebied? Het gebied tussen de Mariapeel en de Middenpeelweg is interessant om te verkennen vanwege de openheid van het landschap, de functionele verkaveling (grote en rechthoekige kavels), het beperkte aantal directe omwonenden, interessante koppelkansen met de stikstofproblematiek en mogelijkheden tot samenwerking met de gemeentes Venray en Deurne. Het is de verwachting dat het gebied de komende tijd een transitie in functies en activiteiten gaat doormaken. De discussie rondom de stikstofdepositie van de veeteelt op gevoelige Natura2000 gebieden maakt dat het aantal veeteeltbedrijven in dit gebied de komende jaren zal afnemen. De transitie van de veehouderij kan kansrijke combinaties met de energietransitie opleveren. Ook is het gebied onderdeel van een verdroging- en vernattingsopave om verdere verdroging van het veengebied tegen te gaan. Waterretentie in dit gebied kan ook bijdragen aan een oplossing voor de verdrogingsopgave in de landbouw ten oosten van het gebied. De combinatie van de openheid, grootschaligheid, transitie in de landbouw en geschiedenis met brandstofwinning maakt het gebied ideaal als nieuw energielandschap. Het gebied is voornamelijk interessant voor de ontwikkeling van grootschalige zonneweides. Hier is ruimte voor de gezochte 275 ha. De transitie van een landbouwgebied naar een energielandschap, zal tot de beleving van een nieuw landschap leiden. Er is centraal in het gebied een combinatie met windturbines mogelijk; er is ruimte voor drie windturbines in lijnopstelling. Een combinatie van zon-wind is vanuit energieproductie gunstig, zon en windenergie zijn complementair aan elkaar en draagt bij aan een constante energieproductie. We zullen de mogelijkheden voor de realisatie van windenergie verkennen, maar dit heeft niet onze eerste voorkeur. Er zijn ook belemmeringen in het gebied: zo zijn er veel verschillende grondeigenaren en ontbreekt een grootschalige energie infrastructuur om het gebied te ontsluiten, ondanks de grote hoogspanningsleiding die noord-zuid door het gebied loopt. De uitdagingen met betrekking tot de energie infrastructuur kunnen mogelijk worden opgelost door samenwerking met de gemeenten Deurne en Venray, welke ook de mogelijkheden voor grootschalige energieontwikkeling rondom de Peel aan het verkennen zijn. In de omgeving van het gebied vinden recreatieve ontwikkeling plaats, mogelijke energieontwikkeling moet goed worden afgestemd. Hiervoor is een zorgvuldig omgevingsgesprek met omwonenden, omliggende dorpen, natuurbeheerorganisaties en agrarische en recreatieve ondernemers nodig. Het traject naar een energielandschap in Horst aan de Maas Het ontwikkelen van een grootschalig energielandschap vraagt om een zorgvuldig traject. Het traject zal naar verwachting vier tot zes jaar duren. De ontwikkeling is daarbij ook afhankelijk van de beschikbare capaciteit op het elektriciteitsnetwerk. De gemeenteraad zal meerdere besluitvormingsmomenten doorlopen tijdens dit traject, te beginnen bij het vaststellen van een haalbaar projectplan. In Figuur 4 wordt het traject naar een energielandschap in Horst aan de Maas weergegeven. Elk besluitvormingsmoment bestaat uit een go/no go beslissing van de gemeenteraad. Stap 1: Gebiedsverkenning De gebiedsverkenning wordt door een onafhankelijke gebiedsverkenner uitgevoerd en gaat in gesprek met inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden in deze twee kansrijke gebieden. Doel is het opstellen van randvoorwaarden en criteria voor de ontwikkeling van een energielandschap op basis van de wensen en eisen vanuit de omgeving, zoals participatie, eigendomsvorm, locatie, kansrijke koppelkansen etc. Stap 2: Uitwerking naar een haalbaarheidsstudie Op basis van de gebiedsverkenning wordt een haalbaarheidsstudie uitgewerkt voor de kansrijke energielandschappen of varianten. In deze haalbaarheidsstudie wordt een businesscase analyse en investeringsraming met geïnteresseerde partijen opgesteld. Het eerlijk verdelen van de lusten en lasten voor grondeigenaren en een opzet voor financiële participatie worden ook in deze haalbaarheidsstudie meegenomen. De gebiedsverkenning en haalbaarheidsstudie leiden tot een concreet projectplan met financiële doorrekening, waar de gemeenteraad een besluit over kan nemen. Stap 3: Milieueffectrapportage en omgevingsvisie Het energielandschap dient onderdeel te zijn van een integrale gebiedsvisie. In een omgevingsvisie wordt het energielandschap aangewezen. De MER is een hulpmiddel om tot de juiste ruimtelijke keuzes te komen in de omgevingsvisie. Stap 4: Ontwerpen van het energielandschap Wanneer de MER is uitgevoerd en de structuurvisie is opgesteld kan het ontwerp van het energielandschap worden uitgewerkt. Waarschijnlijk zullen er diverse ontwerpmodellen worden opgesteld, op basis van gesprekken met de omgeving en stakeholders zal een voorkeursontwerp worden geselecteerd. De omwonenden en stakeholders worden nauw betrokken bij het ontwerp, onder andere via een omgevingsdialoog. Op basis van een ontwerpproces met omwonenden en stakeholders wordt een masterplan opgesteld. De gemeenteraad neemt hierover een besluit. Stap 5: Omgevingsplanwijziging en vergunningsaanvraag Om de ontwikkeling van een energielandschap mogelijk te maken, moet er een omgevingsplanwijziging plaatsvinden. Het bestemmingsplan dient in samenspraak met de omgeving en stakeholders te worden opgesteld. De gemeenteraad beslist over de bestemmingsplanwijziging. Tegelijkertijd wordt een vergunningsaanvraag opgesteld en ingediend en worden de mogelijkheden voor financiële participatie verder uitgewerkt. Op het moment van een herroepelijke vergunning (als vergunningsaanvraag is goedgekeurd) kan er SDE-subsidie worden aangevraagd. Afhankelijk van beroepsprocedures die volgen op het verlening ven va de herroepelijke vergunning, wordt de onherroepelijke vergunning verleend. Stap 6: Ontwikkel- en aanbestedingsfase Op het moment dat de onherroepelijke vergunning is verleend, kan de ontwikkeling en aanbesteding van start gaan. Er worden voorbereidingen voor de infrastructuur getroffen en het energieprojecten wordt aanbesteed. Stap 7: Realisatiefase Uiteindelijk wordt een energielandschap gerealiseerd als onderdeel van een brede positieve gebiedsontwikkeling, waarbij andere ontwikkelingen zoals de transitie van de landbouw, natuurontwikkeling, klimaatadaptatie, natuurontwikkeling en versterking van de landschappelijke kwaliteit mogelijk worden gemaakt. Belangrijk aandachtspunt gedurende het gehele proces zijn het gesprek met de omgeving, afstemming met de netbeheerder en buurgemeenten en het integrale karakter van een energielandschap. 2.2.4Spoor 4: Innovatie, netwerken en opslag Twee belangrijke belemmerende factoren voor de energietransitie zijn de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk en de opslag van energie. We willen samen met de regio bijdragen aan oplossingen voor deze knelpunten door te investeren in en ruimte te bieden aan kennisontwikkeling op het gebied van energieopslag in de vorm van batterijsystemen, waterstofomzetting, smart grids, ‘slimme apparaten’ (energiegebruik afstemmen op -aanbod), etc. Ook ondersteunen we Enexis om de komende jaren fors te kunnen investeren in de versterking van het elektriciteitsnetwerk. We zullen dit in RES-verband oppakken in samenwerking met kennisinstellingen en ondernemers. Onder andere in de regionale investeringsagenda zijn innovatieprojecten op dit gebied voorzien Spoor 1, 2 en 3 richten zich op de technologieën voor elektriciteitsopwek die op dit moment technisch haalbaar, financieel betaalbaar, bewezen veilig en duurzaam zijn: zon- en windenergie. We kijken echter met een open blik naar de toekomst en staan open voor andere technologieën. Grootschalige energieprojecten bieden kansen voor energieopslag in andere vormen. Bijvoorbeeld overtollige zonne- of windenergie omzetten naar waterstof. Dit doen wij in samenwerking met onder andere de netbeheerder. Kernenergie, CO2-afvang bij elektriciteitsproductie op fossiele basis en biomassa worden door ons niet principieel uitgesloten voor de toekomstige opwek van elektriciteit. Deze technologieën scoren nu echter nog negatief op meerdere van de genoemde criteria en kunnen om die reden geen wezenlijke bijdrage aan de energietransitie leveren. In samenwerking met partners in de RES en landelijke kennispartners staan we open voor kennisontwikkeling op dit gebied. We nemen hierin echter niet zelf het voortouw. 2.3 Afstemming met regio en omliggende gemeenten De bovenstaande sporen sluiten aan op de Regionale Energiestrategie die in ontwikkeling is. De gefaseerde besluitvorming maakt het mogelijk om de komende periode over en weer de samenhang te blijven bewaken. In alle sporen zoeken wij actief de afstemming met omliggende gemeenten en netbeheerders. Bij de verkenning van de energiegebieden is bijvoorbeeld de samenwerking met Venray en Deurne van belang voor grootschalige zonneweides. Met alle omliggende gemeenten zal afstemming plaats vinden bij de verkenning naar windenergie. Zo wordt dat ook door ons gevraagd aan andere gemeenten. Het doel is om te verzekeren dat de belangen van inwoners, bedrijven en andere belangen aan weerszijden van de gemeentegrens evenwichtig meegewogen worden bij toekomstige besluitvorming, dat energieprojecten in de regio elkaar versterken (in plaats van ‘in de weg zitten’) en dat optimale ruimtelijke keuzes worden gemaakt, ook vanuit een regionaal perspectief. 2.4Evaluatie en monitoring Met KODE stellen we ambities voor de komende tien jaar. Om in beeld te brengen of we de gestelde ambities halen en daar waar nodig onze aanpak te veranderen, zal de aanpak uit KODE periodiek worden geëvalueerd en de realisatie van onze ambities worden gemonitord. Door jaarlijks te evalueren hoeveel duurzame energieopwekking we realiseren of gaan realiseren, kunnen we de inzet op ieder spoor bijstellen waar nodig. Wanneer er meer duurzame elektriciteit wordt opgewekt middels zon-op-daken, meervoudig ruimtegebruik en kleinschalige zonneweides dan wij nu verwachtten, zal de opgave voor de andere twee sporen (middelgrote zonneweides en energielandschappen) naar beneden worden geschaald. Ook evalueren we of er veranderingen in het elektriciteitsnetwerk zijn en of er innovaties beschikbaar zijn die impact hebben op de manier waarop we de opwekambitie willen invullen. In KODE hebben we een opwekopgave van 1.000 TJ per jaar in 2030 gesteld, waarbij we streven naar 50% lokaal coöperatief eigendom bij projecten. We gaan zelf geen monitoringssysteem inrichten om onze duurzame lokale elektriciteitsopwek te monitoren, hiervoor gebruiken we de nationale Klimaatmonitor. De realisatie van lokaal (coöperatief) eigendom wordt gemonitord middels vergunningverlening, op basis van de vergunningaanvragen wordt bijgehouden hoeveel projecten er middels lokaal coöperatief eigendom worden gerealiseerd.

Rechtspraak bij dit artikel