**1..** De artikelen 14 t/m 21 en 23 t/m 31 van de bouwverordening zijn van overeenkomstige toepassing op recreatiewoonverblijven, met dien verstande dat in artikel 14, lid 3, in artikel 21, lid 1, onder a en in artikel 28, lid 2, voor ‘deze verordening’ en ‘de bouwverordening’ wordt gelezen ‘de verordening op de recreatiewoonverblijven’ en in artikel 30, lid 2, in plaats van ‘artikel 22 dezer verordening’ wordt gelezen ‘artikel 5 van de verordening op de recreatie woonverblijven’.
**2..** In een bouwvergunning voor de bouw van een recreatiewoonverblijf wordt een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het gebouw niet langer in stand mag worden gehouden (instandhoudingstermijn). Deze termijn bedraagt ten hoogste vijf jaar, met dien verstande dat voor tenthuisjes als jaar geldt het zomerseizoen van het jaar.
De termijn kan worden verlengd.
Onder bouwvergunning voor een tenthuisje wordt verstaan de vergunning tot het, met inachtneming van de gestelde instandhoudingstermijn, periodiek oprichten van eenzelfde tenthuisje op hetzelfde terrein.
**3..** Verlenging als bedoeld in lid 2 kan slechts worden geweigerd:
indien het recreatiewoonverblijf zich in een vervallen of ernstig verwaarloosde toestand bevindt;
indien het recreatiewoonverblijf wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het blijkens de bouwaanvraag naar constructie, inrichting en omschrijving bestemd is;
indien de aanwezigheid van het recreatiewoonverblijf niet in overeenstemming zou zijn met de voorschriften van een bestemmingsplan.
**4..** De verlenging, als bedoeld In lid 2, kan bovendien worden geweigerd, Indien het recreatiewoonverblijf afhankelijk is van centrale voorzieningen van het terrein, waarop het is opgericht en die centrale voorzieningen niet in overeenstemming zijn met de daaraan gestelde eisen.
**5..** Indien de instandhoudingstermijn is verstreken, is de rechthebbende verplicht binnen drie maanden na aanzegging van burgemeester en wethouders het gebouw af te breken.
**6..** Tegen een besluit tot het toestaan van een kortere instandhoudingstermijn dan gevraagd, zowel in eerste instantie als bij verlenging van deze termijn, alsmede tegen een besluit tot weigering van een verlenging kan de aanvrager binnen een maand na de dag, waarop het afschrift van het besluit is verzonden, bij de gemeenteraad in beroep komen.
HOOFDSTUK 2
Artikel 5