Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Wettelijk kader

Onderdeel van Gebiedsvisie in het kader van de geurverordening

2.1Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (verder Wgv), vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor omgevingsvergunningen voor de activiteit ‘milieu’. Ook ruimtelijke plannen worden getoetst aan deze wet, volgens de ‘omgekeerde werking’. Dat wil zeggen dat vanuit het principe van ‘een goede ruimtelijke ordening’, zoals genoemd in de Wet ruimtelijke ordening, de Wgv indirect consequenties heeft voor de oprichting van geurgevoelige objecten binnen de geurcontouren van veehouderijen of in de nabijheid daarvan. Het Activiteitenbesluit bevat in paragraaf 3.5.8 het geurtoetsingskader voor meldingsplichtige agrarische bedrijven. In de Wgv en het Activiteitenbesluit staan afstandseisen en geurnormen waaraan de geurbelasting door dierenverblijven wordt getoetst. De geurnormen uit de Wgv en het Activiteitenbesluit zijn bedoeld om mensen in de omgeving van een veehouderij te beschermen tegen onaanvaardbare geurhinder. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De Wgv en het Activiteitenbesluit maken onderscheid in gebieden waar geur wordt waargenomen. In de bebouwde kom wordt geur anders ervaren dan in het buitengebied. Voor de bebouwde kom en het buitengebied zijn daarom verschillende geurnormen vastgesteld. Ook maakt de wet onderscheid tussen bedrijven met en bedrijven zonder dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Bedrijven met overwegend dieren met een geuremissiefactor, veelal dieren die op stal worden gehouden, worden gerekend tot de intensieve veehouderij. Het gaat hierbij met name om de pluimvee- en varkenshouderij. Ook schapen en geiten hebben een geuremissiefactor. Voor dieren die op een intensieve manier worden gehouden, is een geuremissiefactor vastgesteld. Voor deze dieren wordt een geurcontour berekend. Bedrijven met overwegend dieren zonder geuremissiefactor worden gerekend tot de extensieve veehouderij. Het gaat hierbij met name om de melkvee-, jongvee- en paardenhouderijen. In een aantal gevallen worden dieren met een geuremissiefactor gehouden als nevenactiviteit naast de melkveehouderij. Er is dan nog steeds sprake van extensieve veehouderij vanwege de kleinschaligheid van deze neventak. Voor dieren die op een extensieve wijze worden gehouden geldt een vaste afstand van het emissiepunt van de stal tot aan de gevel van een woning van derden. De Wgv en het Activiteitenbesluit schrijven voor op welke wijze het bevoegd gezag de geurhinder van dierenverblijven moet beoordelen in het geval van een omgevingsvergunning ‘milieu’ of een melding op grond van het Activiteitenbesluit. 2.2Geurverordening De Wgv geeft de gemeente de mogelijkheid om voor de geurnormering lokaal maatwerk te leveren, door de normen of afstanden, binnen een wettelijke marge, voor een bepaald (deel)gebied te wijzigen. Dit is geen verplichting, maar de gemeente kan het gebiedsgericht geurbeleid als sturingsinstrument gebruiken. Als de gemeente besluit gebruik te maken van dit instrumentarium, wordt op grond van de Wgv een afweging gemaakt met betrekking tot de geursituatie in relatie tot de bescherming van het milieu en de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied. In de gemeente Vijfheerenlanden vormt de ruimtelijke inrichting in relatie met de ontwikkelingsmogelijkheden van de extensieve veehouderij en de identiteit van het gebied de aanleiding om een geurverordening vast te stellen. Maatwerk is mogelijk door wijziging van de afstanden voor de extensieve veehouderij. De gewijzigde afstanden treden in de plaats van de wettelijke normstelling en worden dus bij de beoordeling van vergunningaanvragen en meldingen gehanteerd. Voor de geurgevoelige objecten wordt een onderscheid gemaakt tussen een ligging binnen of buiten de bebouwde kom. 2.3Geurgevoelige objecten Bij de uitvoering van het agrarisch geurbeleid richt de aandacht zich op de ‘geurgevoelige objecten’ in de omgeving van de veehouderijen. De interpretatie van deze term is hierbij van groot belang. Een geurgevoelig object is in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit milieubeheer gedefinieerd als: Gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder ‘gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf’ wordt verstaan: een gebouw dat op grond van het bestemmingsplan (bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening), een inpassingsplan (als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van die wet), daaronder mede begrepen de beheersverordening (bedoeld in artikel 3.38 van die wet) of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning (bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet) mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Alleen een gebouw kan een geurgevoelig object zijn. Duidelijk is, dat een woning een geurgevoelig object is mits deze een positieve planologische bestemming heeft en geschikt is om in te wonen. Of een ander gebouw een geurgevoelig object is, moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die in de definitie zijn opgenomen. Het gebouw is bestemd voor menselijk verblijf. Bijvoorbeeld in een kantoorgebouw kunnen mensen verblijven. Het gebouw is blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf. Het gebouw moet zodanig zijn uitgevoerd dat het mogelijk is om in het gebouw te verblijven. Het gebouw wordt permanent of op daarmee vergelijkbare wijze voor menselijk verblijf gebruikt. In de wet is niet aangegeven wat onder permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik wordt verstaan. Waar de grens ligt in mate van gebruik moet uit jurisprudentie blijken. 2.4Bebouwde kom Bij de toepassing van de geurnormering speelt het begrip ‘bebouwde kom’ een grote rol. De afstandsnormen die binnen de bebouwde kom worden gehanteerd voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, zijn twee keer zo streng als de normen buiten de bebouwde kom. Een duidelijke begripsomschrijving is daarom van groot belang bij het maken van heldere en reproduceerbare afwegingen rondom geurhinder en veehouderij. Het begrip is in de Wgv en het Activiteitenbesluit niet gedefinieerd, evenmin als in de Wet ruimtelijke ordening. In de toelichting bij de Wgv en jurisprudentie is aangegeven dat de grens van de bebouwde kom niet wordt bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar door de aard van de omgeving. De bebouwde kom wordt in de toelichting beschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. InfoMil concludeert in haar handleiding, dat het voor de hand ligt om voor de grenzen van de bebouwde kom aan te sluiten bij wat in de ruimtelijke ordening (jurisprudentie) daaronder wordt verstaan. Om duidelijkheid over de ligging van de bebouwde kom te verschaffen wordt aangesloten bij de grenzen van de bebouwde kom, zoals die zijn bepaald in de Bouwverordening Vijfheerenlanden en de bijlagen daarbij. 2.5Procedure geurverordening De rechtsbescherming ten aanzien van de gemeentelijke geurverordening is gelijk aan die van elke andere volgens de Gemeentewet vastgestelde verordening. Tegen een dergelijke verordening staat in beginsel geen beroep open bij de bestuursrechter. De procedure op grond van afdeling 3.4 Awb wordt gevolgd. Op basis van artikel 3.16 Awb wordt de ontwerp-geurverordening zes weken ter inzage gelegd, voordat deze aan de Raad wordt voorgelegd. Hierbij zijn de omliggende gemeenten actief op de hoogte gebracht van het ter inzage leggen van de concept-geurverordening. Het College verzamelt de inspraakreacties. Door het volgen van deze procedure kan de Gemeenteraad alle belangen meewegen alvorens de verordening vast te stellen. Van de mogelijkheid om inspraakreacties in te dienen is gebruik gemaakt. De inspraakreacties hebben niet geleid tot aanpassing van de geurverordening. De inspraakreacties hebben eveneens niet geleid tot aanpassing van de geurgebiedsvisie met uitzondering van de verwijzing naar de ‘notitie onderbouwing aanpassing geurnormen. In het ontwerp-geurverordening was per abuis verwezen naar de notitie van 9 april 2015. Dit moet zijn de notitie van 1 juli 2015. Zoals eerder is aangegeven, is er geen beroep mogelijk tegen de verordening. Rechtsbescherming geldt ten aanzien van besluiten. Dit betekent dat belanghebbenden die het niet eens zijn met de normen uit de geurverordening, alleen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, of een procedure in het kader van de Wet op de ruimtelijke ordening gebruik kunnen maken van hun beroepsmogelijkheden tegen deze geurverordening. 2.6Activiteitenbesluit Op 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) gewijzigd, waardoor het van toepassing is op agrarische activiteiten. Bedrijven die onder het Besluit landbouw milieubeheer vielen en veel vergunning plichtige bedrijven zijn vanaf dat moment van rechtswege onder het Activiteitenbesluit komen te vallen. Het Activiteitenbesluit is bedoeld voor de meest voorkomende agrarische bedrijven. Deze bedrijven hoeven geen omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu aan te vragen en kunnen volstaan met een melding. Alleen voor grote agrarische bedrijven blijft de vergunningplicht bestaan. Deze vallen niet onder het Activiteitenbesluit. Dit zijn bedrijven waar meer dan onderstaande aantallen dieren worden gehouden: 200 stuks melkrundvee, 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (of 340 melkrundvee en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar gezamenlijk), 1.200 vleesrunderen, 2.000 schapen, 2.000 geiten, 2.200 vleesvarkens, 750 zeugen, gespeende biggen, 40.000 stuks pluimvee, 50 konijnen, 100 paarden, meer dan 1 pelsdier of 50 overige landbouwhuisdieren. Op de meeste veehouderijen in de gemeente Vijfheerenlanden is het Activiteitenbesluit van toepassing. De voorschriften voor de beoordeling van geurhinder voor het houden van de dieren op bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen, staan in § 3.5.8 van het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit zijn vanuit de Wgv de geurnormen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) en de vaste afstanden tot geurgevoelige objecten overgenomen. Het gaat hierbij om de volgende afstanden: binnen de bebouwde kom geldt een afstand tot een geurgevoelig object van 100 meter, buiten de bebouwde kom geldt 50 meter. Binnen deze afstand kan geen omgevingsvergunning voor het onderdeel ‘milieu’ worden verleend of een uitbreiding onder het Activiteitenbesluit worden toegestaan. Indien een gemeentelijke geurverordening op grond van de Wgv is vastgesteld, kunnen deze afstanden worden aangepast. Zo kan de minimaal vereiste afstand in bepaalde delen (of het gehele grondgebied) van de gemeente worden verkleind of vergroot. Net als de Wgv biedt het Activiteitenbesluit de mogelijkheid aan gemeenten om op grond van een geurverordening af te wijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen normen. In gebieden die zijn aangewezen in een geurverordening waarbij de vereiste afstanden zijn verkleind, kan daardoor in veel gevallen een vergunning worden verleend of een uitbreiding onder het Activiteitenbesluit worden toegestaan. De gemeente kan in bepaalde delen van haar grondgebied (of het gehele grondgebied) de minimaal vereiste afstand ook vergroten, zodat juist minder veehouderijen, waarvoor een minimaal vereiste afstand geldt, kunnen uitbreiden. 2.7Wet ruimtelijke ordening Bij het uitwerken van ruimtelijke plannen wordt gezorgd voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op plaatsen waar de vestiging van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast wordt voorkomen dat bestaande veehouderijen in hun bedrijfsvoering worden belemmerd door de bouw van woningen of functiewijziging. Ook moet, bij uitbreiding of aanpassing van een bestaand agrarisch bedrijf, bij omliggende woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat behouden blijven. Om de milieucontouren te bepalen, wordt in de ruimtelijke ordening uitgegaan van de zogenaamde ‘omgekeerde werking’ (zie paragraaf 2.5) van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt in eerste instantie getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten kan worden voldaan aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. De geplande geurgevoelige objecten moeten in principe buiten de geurcontouren of vaste afstandscontouren van de aanwezige veehouderijen liggen. Hierbij wordt uitgegaan van: ofwel de vaste afstandscontour (vooral voor melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden), zoals die in de Wet geurhinder en veehouderij is vastgelegd; ofwel van de geurcontour van de veestapel volgens de verleende vergunning of ingediende melding (hiervan is sprake bij diersoorten met een emissiefactor, onder andere schapen, varkens en pluimvee). Bij ruimtelijke plannen moet voor de bepaling van de aan te houden afstanden en geurcontouren worden uitgegaan van de randen van het bouwvlak van de veehouderij tot de gevel van het geurgevoelige object. Vaste jurisprudentie schrijft deze werkwijze voor. Dit wijkt af van de wijze waarop in de milieuregelgeving bij de uitbreiding van de veehouderij wordt gemeten. In de milieuregelgeving wordt niet de rand van het bouwvlak aangehouden maar de buitenzijde of het emissiepunt van de stal. Bij ruimtelijke plannen wordt de rand van het bouwvlak aangehouden omdat de veehouderij in principe het recht heeft om overal binnen het bouwvlak te bouwen. 2.8Omgevingswet Naar verwachting zal de Omgevingswet op 1 januari 2022 in werking treden. Deze wet integreert zo’n 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen onderwerpen als bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening, monumentenzorg en natuur. Ook de Wgv wordt in de Omgevingswet opgenomen. In de uitvoeringsregelgeving van de Omgevingswet zal, net als in de huidige Wgv, worden voorzien in de normering van geur, met behoud van een maximale mogelijkheid voor gemeenten om af te wijken. Hoe dit precies tot uitdrukking komt in de uitvoeringsregelgeving, is op dit moment niet bekend. De verwachting is dat er sprake zal zijn van de integratie van de Wgv in de Omgevingswet. Omdat er momenteel geen aanleiding is om te veronderstellen dat verordeningen op grond van de Wgv onder de Omgevingswet hun rechtskracht zullen verliezen, wordt in onderhavige geurvisie niet op de komst van de Omgevingswet geanticipeerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel