Naar hoofdinhoud
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de doelen en effectiviteit van cameratoezicht en op de verschillende typen cameratoezicht. 3.1 Doelen cameratoezicht De doelen van cameratoezicht zijn uit te splitsen in een primair doel en subdoelen. Primair doel Het primaire doel van cameratoezicht op grond van de Gemeentewet is het handhaven van de openbare orde, inclusief het voorkomen van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de samenleving. Secundaire doelen De secundaire doelen zijn preventie, het vergroten van het gevoel van veiligheid en de efficiëntere inzet van politie en andere diensten (denk aan bijvoorbeeld handhaving). Schematisch ziet dat er als volgt uit: Subdoel Omschrijving Preventie Potentiele daders zien af van het plegen van overlast of criminaliteit (afschrikwekkend effect) Subjectief veiligheidsgevoel Aanwezigheid van camera’s geeft publiek een veiliger gevoel Signalering en interventie Bij ‘live’ meekijken: een (mogelijk) incident of voorbereidingen daartoe kunnen worden gezien en in de kiem worden gesmoord steun in de rug bieden aan fysiek toezicht Opsporing/waarheidsbevinding Beelden worden achteraf gebruikt voor opsporing Het bevorderen van het veiligheidsgevoel en/of opsporing vormen op zichzelf nooit een zelfstandig doel voor gemeentelijk cameratoezicht. Het enkel inzetten van camera’s voor het veiligheidsgevoel zonder dat daar ook een integrale aanpak aan ten grondslag ligt, leidt tot schijnveiligheid. De plaatsing van cameratoezicht door de burgemeester is niet bedoeld voor de opsporing van strafbare feiten. Dit is het domein van het Openbaar Ministerie (OM), waarbij andere wet- en regelgeving geldt. Dat neemt niet weg dat camerabeelden soms bruikbare informatie bevatten voor opsporingsonderzoek en daarvoor onder voorwaarden ook mogen worden gebruikt. Invulling begrip openbare orde Openbare orde is een breed begrip dat op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd. In het algemeen duidt het begrip op een ‘ordentelijk verloop van het maatschappelijk verkeer in de openbare ruimte.’ In 2007 oordeelde de Hoge Raad dat de openbare orde is aangetast als sprake is van ‘een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de desbetreffende openbare ruimte.’ In 2010 gaf de Nederlandse regering uitleg over het begrip verstoring van de openbare orde. Het gaat volgens de regering vaak om strafbare feiten, variërend van overtredingen van de APV tot misdrijven zoals vernieling van auto’s of abri’s. Daarnaast kan het gaan om gedragingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, maar onder omstandigheden wel moeten worden aangemerkt als ‘orde verstorende gedragingen.’ Het voorbeeld dat werd genoemd was ‘intimiderend groepsgedrag in de vorm van joelen, najouwen of bespugen van voorbijgangers.’ 3.2 Effectiviteit cameratoezicht In hoofdstuk 4 en 5 wordt de vraag beantwoord op welke manier de burgemeester tot een besluit komt over het instellen van cameratoezicht. Daarvoor is het belangrijk om eerst stil te staan bij wat van het instrument mag worden verwacht. In welke situaties vormt cameratoezicht een effectief instrument? De vraag is niet eenduidig te beantwoorden. Uit onderzoek blijkt dat inzet van cameratoezicht bij het tegengaan van auto-inbraken en fietsendiefstal meestal meer effect heeft dan bij het tegengaan van geweldsdelicten. Dat komt doordat geweldsdelicten vaak een impulsief of emotioneel karakter hebben. Camerabeelden zijn in dit geval wel bruikbaar voor opsporing en bewijs. Wanneer de beelden tijdens uitgaansuren live worden bekeken, is cameratoezicht ook bruikbaar voor aansturing van de hulpverlening en politie tijdens en na incidenten in het toezichtgebied. Bij invoering van cameratoezicht worden meestal ook andere maatregelen genomen (bijvoorbeeld extra politietoezicht of aanpassing van de openbare verlichting). Het is dan niet vast te stellen welke maatregel heeft bijgedragen aan het verbeteren van de veiligheid. Onderzoekers geven aan dat alléén het invoeren van cameratoezicht geen effect heeft op het verbeteren van de veiligheid. Het moet daarom altijd onderdeel uitmaken van een pakket aan maatregelen. Dat geldt zowel bij publiek als bij publiekprivaat cameratoezicht. 3.3 Typen cameratoezicht Zoals in hoofdstuk 1 al naar voren kwam is sinds 2016 ook flexibel cameratoezicht mogelijk. Criteria voor flexibel cameratoezicht zijn gelijk aan die voor het vaste toezicht, maar in de situatieanalyse verschilt bij ‘analyse van problemen’ de duur van de verstoring. Dat wordt hieronder uitgelegd. 3.3.1 Vast cameratoezicht Vast cameratoezicht betreft de inzet van statische camera’s die (langdurig) toezicht houden. Vaste camera’s hangen over het algemeen in gebieden met functies die kwetsbaar zijn voor overlast en criminaliteit, denk aan uitgaansgebieden of een stationsgebied. Die gebieden hebben hierdoor te maken met een structurele problematiek. Voor vast cameratoezicht moet dan ook sprake zijn van een langdurige verstoring van de openbare orde en ondanks genomen maatregelen is extra handhaving noodzakelijk. De aard en omvang en duur van de problematiek legitimeert de plaatsing. Het is onderdeel van een bredere aanpak in dat gebied of op die locatie en ondersteunend aan de functionarissen om de orde te kunnen handhaven in de openbare ruimte. Om deze redenen is in Vlaardingen bijvoorbeeld vast cameratoezicht in het uitgaansgebied ingevoerd. Vast cameratoezicht wordt ingesteld voor een vaste periode waarna verlenging kan plaatsvinden. 3.3.2 Flexibel cameratoezicht Er zijn ook gebieden waar de problemen niet uitsluitend gerelateerd zijn aan de functies die er gevestigd zijn, denk aan gebieden met jongerenoverlast, drugsoverlast, straatroven of autobranden. Die gebieden kennen vaak pieken in de overlast en criminaliteit, bijvoorbeeld tijdens de donkere dagen van het jaar (straatroven) of die juist opduiken in de warmere maanden (jongerenoverlast). In dit soort gebieden is vast cameratoezicht niet proportioneel, maar kunnen flexibele camera’s wel kortdurend en effectief worden ingezet. Het gebruik van flexibel cameratoezicht is in dit geval ondersteunend aan een bredere aanpak. Voordelen van flexibel cameratoezicht zijn tijdwinst, maatwerk en het snel kunnen inspelen op verplaatsing van overlast. Flexibele camera’s werken sterk preventief en door de kortere duur wordt de privacy minder geschaad dan bij vaste camera’s. Flexibel cameratoezicht kan worden uitgevoerd met vaste camera’s gedurende een korte - vooraf vastgestelde - periode of met mobiele camera’s. Bij mobiel cameratoezicht gaat het voornamelijk om zelfstandige mobiele units. Drones Een bijzondere vorm van mobiel cameratoezicht is het gebruik van drones. Een camera die is bevestigd aan een drone maakt eerder een grotere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dan een statische camera. Drones kunnen personen namelijk gemakkelijk volgen en cameratoezicht toepassen op plaatsen waar die personen verwachten onbespied te zijn. Het cameratoezicht door middel van drones is vaak ook niet zichtbaar. Als dus het doel van het cameratoezicht ook kan worden bereikt op een voor inwoners minder ingrijpende manier, bijvoorbeeld door middel van statische camera’s, dan is de inzet van drones (of andere flexibele camera’s) niet gerechtvaardigd. Het gebruik van drones wordt in deze beleidsregels niet uitgesloten, maar in de praktijk alleen ingezet als alle andere vormen van cameratoezicht ontoereikend worden geacht. 3.3.3 Vast of flexibel cameratoezicht Flexibele camera’s kunnen vaste camera’s dus niet vervangen, omdat die effectief zijn in andersoortige gebieden met andere problemen. Het heeft daarom geen zin daar vaste camera’s te vervangen voor flexibele. Bij de afweging voor het plaatsen van camera's (zie hoofdstuk 4) wordt afhankelijk van de problematiek en het te bereiken doel een keuze gemaakt tussen cameratoezicht voor een langdurige of korte termijn. Een toetsmoment in de toekomst na het plaatsen moet inzicht geven in de actuele situatie en of het cameratoezicht voldoet, (tijdelijk) moet worden verlengd of kan worden beëindigd.

Rechtspraak bij dit artikel