De traditionele lineaire economie is gebaseerd op onbeperkt beschikbare grond- en hulpstoffen, de vervaardiging van producten en het verbruik door afnemers. Dit model, waarvan de eindfase van een product niet ‘hergebruik’ maar ‘vernietiging’ is, loopt tegen haar grenzen aan. De voorraden van ruwe grondstoffen zijn namelijk beperkt en schaarste ligt binnen afzienbare tijd op de loer. In de circulaire economie staan productie, innovatie én hergebruik centraal. Hierdoor wordt waardeverlies tot een minimum beperkt.
Bij circulaire economie gaat het overigens niet om het milieu alleen. Grondstofschaarste en het hieraan gerelateerde economische belang voeren op dit moment de boventoon.
Daarnaast biedt het hergebruik van grondstoffen uit afval kansen op het gebied van werkgelegenheid en innovatie. Hiermee komt afvalscheiding en recycling in het algemeen en brongescheiden afvalinzameling in het bijzonder steeds hoger op de overheidsagenda’s te staan. Gemeenten hebben immers een positie aan het eind van de gebruiksketen waarmee zij een belangrijke rol kunnen vervullen bij de ombuiging van ‘afval’ naar waardevolle producten en grondstoffen. Daarmee leveren zij een wezenlijke bijdrage aan hergebruik en de vermindering van CO2 uitstoot.

De Europese wetgeving voor afval- en grondstoffen is neergelegd in een aantal verschillende richtlijnen en verordeningen. In de Europese wetgevingsstructuur zijn een drietal verschillende niveaus te onderscheiden:
- - Kaderstellende richtlijnen;
- - Sectorale richtlijnen over afvalverwerking (verbranding en storten);
- - Sectorale richtlijnen over specifieke afvalstromen (verpakkingen, afgedankte elektrische apparatuur, batterijen en accu’s, autowrakken, mijnafval, zuiveringsslib, PCB’s).
De belangrijkste kaderstellende richtlijn is de Afval Kaderrichtlijn die de basis vormt voor veel sectorale richtlijnen. Daarnaast is de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (waste shipment regulation) van belang die regel stelt aan het transport van afvalstoffen tussen lidstaten. De Europese wet- en regelgeving is een belangrijke bron van de Nederlandse wet- en regelgeving, die tegenwoordig in belangrijke mate zijn oorsprong vindt in de implementatie van Europese regels.
De kaderrichtlijn verplicht lidstaten om maatregelen te nemen ter bevordering van in de eerste plaats preventie of de vermindering van de productie en de schadelijkheid van afvalstoffen en in de tweede plaats nuttige toepassing van de afvalstoffen door recycling, hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen of het gebruik van afvalstoffen als energiebron.
Lidstaten zijn verplicht om ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en dat procedés of methoden worden vermeden die nadelige gevolgen hebben voor het milieu. Voorts moeten lidstaten ook bevoegde instanties aanwijzen die uitvoering geven aan het opstellen van afvalbeheerplannen en met bevoegde instanties de registratieplicht en vergunningverlening voor afvalverwerkingsinrichtingen in overeenstemming brengen met de voorwaarden van de kaderrichtlijn. Lidstaten mogen de nodige maatregelen nemen om vervoer van afvalstoffen, dat niet in overeenstemming is met deze afvalbeheerplannen, te voorkomen.
Tot slot bepaalt de kaderrichtlijn, dat de kosten voor de verwijdering van afvalstoffen volgens het beginsel "de vervuiler betaalt" voor rekening komen van de houder die afvalstoffen afgeeft aan een afvalinzamelaar en/of een voorgaande houder of de producent van het product dat tot ontstaan van de afvalstoffen heeft geleid. Met deze laatste bepaling werd de basis gelegd voor de invoering van producentenverantwoordelijkheid voor afval.
Door het Ministerie van VROM is in december 2009 het landelijk afvalbeheerplan 2009 – 2021 vastgesteld. Dit plan geeft de kaders voor het afvalbeheer in Nederland aan. De belangrijkste Nederlandse wetgeving voor afvalstoffen is terug te vinden in hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer. Daarnaast is het Landelijke afvalbeheer plan (LAP) het belangrijkste beleidskader. Hierna wordt eerst ingegaan op de Wet milieubeheer, waarna een toelichting wordt gegeven op het LAP en vervolgens op de producentenverantwoordelijkheid.
Gemeenten hebben in de uitvoering van het landelijk beleid een belangrijke taak. Zij zamelen het huishoudelijk afval (gescheiden) in en stimuleren afvalscheiding en -preventie bij burgers en bedrijven. In hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer wordt voorgeschreven welke afvalstromen gemeenten in ieder geval gescheiden moeten inzamelen en welke middelen hiervoor beschikbaar moeten worden gesteld. Gemeenten hebben een wettelijke zorgplicht voor het inzamelen van huishoudelijk afval. In de gemeente moet een brengvoorziening zijn voor het afgeven van grof huishoudelijk afval. De gemeenten zijn ook wettelijk verplicht om gft-afval gescheiden in te zamelen.
Een dergelijke verplichting bestaat ook voor papier en karton, glas, textiel, wit- en bruingoed, klein chemisch afval en plastic verpakkingsafval. De gemeenten hebben de vrijheid om andere stromen ook gescheiden in te zamelen. De verplichting voor de lagere overheden om papier, glas, textiel en KCA gescheiden in te zamelen vloeit voort uit het LAP. Verder bevat de Wet milieubeheer sinds 21 juni 2001 expliciet de verplichting om een afvalstoffenverordening vast te stellen waarbij rekening wordt gehouden met het gemeentelijk milieubeleidsplan. De afvalstoffenverordening van de gemeente Leusden is in december 2013 opnieuw vastgesteld.
In Nederland is het totale beleid voor afvalbeheer opgenomen in het Landelijk afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP). Dit plan is op 24 december 2009 in werking getreden en op 25 maart 2010 voor de eerste keer gewijzigd. Ten behoeve van de implementatie van de nieuwe Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen (2008/98/EG) is het LAP voor de tweede keer gewijzigd in 2014. Het tweede LAP is in december 2009 in werking getreden en heeft een geldingsduur van zes jaar.
Het LAP is kaderstellend voor het beleid van provincies en gemeenten voor de invoering en stimulering van afvalpreventie en de gescheiden inzameling van huishoudelijk afval en bedrijfsafval. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 10.14 van de Wet milieubeheer. Het LAP bestaat uit een beleidskader en sectorplannen. Het beleidskader bevat de hoofdlijnen van het afvalbeleid. Het betreft bijvoorbeeld de landelijke doelstellingen voor gescheiden inzameling en algemene uitgangspunten voor instrumenten als vergunningverlening en handhaving. De sectorplannen bevatten de uitwerking van het beleidskader voor specifieke (categorieën van) afvalstoffen. De kern van ieder sectorplan is de zogenaamde minimumstandaard waarin wordt aangegeven op welke wijze een bepaalde afvalstroom verwerkt dient te worden.
In 2014 is ook het landelijke programma Van Afval Naar Grondstoffen (VANG) gestart. Het doel van VANG is om in 2020 gemiddeld 100 kg per inwoner huishoudelijk restafval en 75% afvalscheiding. Via VANG wil het Ministerie ondernemende koplopers ondersteunen, de afvalberg verkleinen en een slimme productie van goederen stimuleren zodat deze na gebruik gemakkelijk kunnen worden ontmanteld en hergebruikt. Gemeenten kunnen afvalscheiding stimuleren, bijvoorbeeld door meer verschillende soorten afval gecombineerd op te halen.
De landelijke doelstellingen 100 kg restafval per inwoner en 75% gescheiden huishoudelijk afval zijn in een landelijke concept richtlijn vertaald naar maximale hoeveelheden restafval per inwoner per jaar voor verschillende categorieën gemeenten. Voor de categorie waarin de gemeente Leusden is in de richtlijn een streefcijfer van 75 kg per inwoner per jaar in 2020 opgenomen.
In de Wet is een voorkeursvolgorde voor het afvalbeheer opgenomen. Van oudsher wordt die volgorde de “Ladder van Lansink” genoemd. De voorkeursvolgorde van afvalbeheer is:
- - Het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen of beperkt (preventie);
- - Gebruik van stoffen met zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu (ontwerp voor preventie en nuttige toepassing);
- - Nuttige toepassing door producthergebruik;
- - Nuttige toepassing door materiaalhergebruik;
- - Nuttige toepassing als brandstof;
- - Verbranden als vorm van verwijderen;
- - Verwijderen door storten.

Producenten worden in toenemende mate verantwoordelijk gesteld voor de verantwoorde verwijdering van hun producten in de afvalfase. Het principe van producentenverantwoordelijkheid is inmiddels voor een aantal afvalstromen in de regelgeving opgenomen, zoals voor verpakkingen, elektr(on)ische apparaten, autobanden, autowrakken, batterijen. Bij aankoop van een nieuw product betaalt de consument een verwijderingsbijdrage.
Doel is het voorkomen van afval door minder en beter materiaalgebruik en beter hergebruik. De kosten van de afvalstoffenheffing worden daarmee overgeheveld naar de prijs van het product. Met deze bijdrage financiert de producent de inzameling en verwerking van het product in het afvalstadium. Gemeenten spelen vaak een rol bij de inzameling van deze afvalstromen. De daaraan verbonden kosten krijgen de gemeenten voor het grootste deel vergoed.
De regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur regelt de uitwerking van de producentenverantwoordelijkheid voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bijv. wit- en bruingoed en ICT apparatuur. Op grond van de regeling moet er in de gemeente een plaats zijn waar de houder van afgedankte apparatuur, afkomstig uit particuliere huishoudens, deze apparatuur kan achterlaten. In de gemeente Leusden is dat milieustraat ‘t Spieghel.
In december 2012 is de raamovereenkomst over de aanpak van verpakkingen en zwerfafval voor de jaren 2013 – 2022 door de staatssecretaris van I&M, de VNG en het verpakkende bedrijfsleven ondertekend.
Het akkoord bestaat uit afspraken voor de verpakkingsmaterialen glas, papier en karton, hout, metaal en kunststof. Het onderhandelaarsakkoord bevat voor de gemeente de volgende relevante hoofdpunten:
- - De gemeenten hebben sinds 1 januari 2015 de regie over de kunststofketen, in elk geval het inzamelen en sorteren. De gemeenten kunnen er ook voor kiezen om het her te gebruiken materiaal als grondstof aan de markt aan te bieden. Via de AVU is een contract gesloten met de Sita voor het inzamelen, sorteren en de verkoop grondstoffen uit kunststofverpakkingen aan de markt;
- - Het verpakkende bedrijfsleven zorgt voor de bekostiging van de inzameling door middel van een toereikend en kostendekkend financieringsstelsel;
- - De brongescheiden inzameling van glas en papier wordt voortgezet;
- - De gemeenten ontvangen een vergoeding voor het inzamelen en sorteren op basis van de aan de sorteerder/verwerkers aangeleverde hoeveelheid verpakkingsmateriaal dat geschikt is voor hergebruik (deze vergoeding bedraagt per ton in 2016 € 778 en loopt terug tot € 656 in 2019).
In het vorige hoofdstuk zijn de Europese en landelijke kaders weergegeven. Deze vormen de kaders waarbinnen het gemeentelijk beleid ingevuld wordt. Uit zowel de Europese als de landelijke kaders blijkt dat er steeds meer ingezet gaat worden op het winnen van grondstoffen uit het aangeboden afval. Vandaar dat in dit plan gesproken wordt van grondstoffenbeleid.
In de Wet milieubeheer is vastgelegd dat gemeente een afvalstoffenverordening vaststellen. In deze verordening wordt vastgelegd op welke wijze de gemeente invulling geeft aan haar taak om huishoudelijk afval in te zamelen. De huidige afvalstoffenverordening is in december 2013 vastgesteld. Bij de uitwerking van het grondstoffenplan zal een gewijzigde afvalstoffenverordening worden voorgelegd aan de gemeenteraad.
De gemeente Leusden heeft diverse contracten die te maken hebben met de inzameling, het transport en de verwerking van huishoudelijke afvalstoffen. Waar mogelijk en wenselijk, wordt gebruik gemaakt van gezamenlijke contracten via de gemeenschappelijke regeling Afval Verwijdering Utrecht. Overige contracten zijn/worden door de gemeente Leusden zelf afgesloten. Bij het aanbesteden van transport en/of verwerking van afvalstoffen gelden de Europese aanbestedingsregels, het Nederlandse aanbestedingsrecht en het gemeentelijk inkoopbeleid als randvoorwaarde. Bij het sluiten van contracten is het uitgangspunt een zo optimaal mogelijke balans te vinden tussen milieu (scheidingsresultaten en bijdrage aan CO2 reductie), kosten (financiën) en de dienstverlening aan de inwoners van Leusden.
De gemeente Leusden is aangesloten bij de gemeenschappelijke regeling Afval Verwijdering Utrecht (AVU). De AVU is in 1984 opgericht door de Utrechtse gemeenten en de provincie Utrecht (sinds 1 januari 2014 uitgetreden). Afvalverwijdering vraagt om een goede balans tussen dienstverlening, kostenbeheersing en milieuzorg. De Afval Verwijdering Utrecht (AVU) werkt samen met en in opdracht van de Utrechtse gemeenten in de afvalketen en draagt zorg voor de overslag, het transport en de verwerking van het huishoudelijk afval van de deelnemende gemeenten in de provincie Utrecht. Dit met zoveel mogelijk terugdringing van de belasting op het milieu tegen aanvaardbare kosten.
Via de AVU zijn contracten gesloten voor de verwerkingen van huishoudelijk restafval, gft, oud papier, glas en verpakkingsmateriaal. Ook voor de overslag en inzameling van grondstoffen en afvalstoffen zijn via AVU contracten afgesloten. In opdracht van de AVU voert Eureco sorteeranalyses uit bij de aangesloten gemeenten. Sita verzorgt de inzameling van huishoudelijk restafval, gft, papier, glas en verpakkingsmateriaal. De ervaringen met de AVU zijn positief en daarom zal de samenwerking voortgezet worden.
De milieustraat ’t Spieghel is de centrale inzamelvoorziening in de gemeente Leusden. Huishoudens uit de gemeente kunnen daar met de afvalpas terecht voor de (gescheiden) inzameling van andere grondstoffen en afvalstromen. Een herinrichting van de locatie moet er aan bijdrage dat zowel de gemeentewerf als de milieustraat op die locatie gestationeerd kunnen worden.