Het college kan nieuwe (onderdelen van omni)verenigingen in aanmerking laten komen voor de aanloopregeling, die als volgt wordt toegepast:
in het eerste jaar van het bestaan bedraagt de subsidie 25% van het aan de hand van artikel 4 berekende bedrag;
in het tweede jaar van het bestaan bedraagt de subsidie 50% van het aan de hand van artikel 4 berekende bedrag;
Vanaf het derde jaar van het bestaan wordt (het onderdeel van) de vereniging volledig gesubsidieerd, mits aan de voorwaarden voor subsidiëring genoemd in artikel 3 is voldaan.
In bijzondere gevallen kan het college van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen.