1. Ter bepaling van de draagkracht ter vaststelling van het aflossingsbedrag van niet-fraudevorderingen kan enkel rekening worden gehouden met:
a. de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d t/m 475dc van het Rv;
b. te betalen alimentatie na aftrek van het berekende belastingvoordeel;
c. zakelijke kosten na aftrek van het berekende belastingvoordeel van de woning en onder aftrek van het in de norm begrepen bedrag voor woonkosten;
d. aflossingen voor schulden van woonlasten zoals huur- en energielasten, indien deze niet het gevolg zijn van strafbaar handelen van de belanghebbende.
2. Indien het een fraudevordering betreft, worden alle middelen waarover belanghebbende beschikt dan wel komt te beschikken, geheel aangewend ter aflossing van de openstaande schuld.
3. Bij overige vorderingen bedraagt de aflossingsverplichting 5 % van de van toepassing zijnde norm en de maximale toeslag, inclusief vakantietoeslag, vermeerderd met 50% van het meer-inkomen.
4. Het derde lid is niet van toepassing indien er sprake is van een minnelijke schuldregeling of wettelijke schuldsaneringsregeling en de vordering hierin is opgenomen.
5. In afwijking van het gestelde in het derde lid, wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover de aflossing ten minste € 25,00 per maand bedraagt en daarmee de vordering binnen 12 maanden in zijn geheel zal worden afgelost.
6. In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting ingevolge het tweede en derde lid voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d t/m475dc van het Rv.
Paragraaf 3.2 Tussentijdse beoordeling van een lopende betalingsverplichting
HOOFDSTUK 3
Artikel 13.
Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij betalingsregeling
Onderdeel van Beleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW (2015) en IOAZ Gemeente Geertruidenberg 2021