De VVE-peuteropvang van de houder voldoet aan de landelijke kwaliteitseisen zoals opgenomen in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en de door de GGD opgestelde toetsingskader Kinderdagverblijven. In het toetsingskader zijn de volgende kwaliteitseisen opgenomen inzake de VVE-peuteropvang:
Het VVE programma
Alle vaste medewerkers 1 Hiermee wordt bedoeld: de eerste twee vaste beroepskrachten van een groep op de groep zijn geschoold in een, door het Nederlands Jeugdinstituut erkend, VVE-programma dan wel volgen aantoonbaar de scholing.
Pedagogisch medewerkers hebben het taalniveau 2F voor schrijfvaardigheid en 3F voor spreek- en luistervaardigheid (Referentieniveaus taal van de commissie Meijerink).
De houder stelt jaarlijks een opleidingsplan VVE op voor de vaste medewerkers.
De houder heeft een pedagogisch plan/werkplan voor de peuterspeelzaal waarin wordt vastgelegd op welke wijze Uk en Puk of een ander, door het Nederlands Jeugdinstituut erkend, VVE-programma wordt uitgevoerd en hoe de ontwikkeldomeinen (taal, rekenen/ordenen, sociaal-emotionele ontwikkeling en motoriek) zijn ingericht. Dit plan wordt jaarlijks opnieuw bekeken en waar nodig aangepast.
Voor de uitvoering van het programma wordt gewerkt met ten minste 5 thema’s per jaar.
De houder draagt verantwoordelijkheid voor extra ondersteuning van peuters (en hun ouders) voor zover dit betrekking heeft op het VVE-programma en de directe ontwikkeling van de peuter.
Ouderbetrokkenheid
Voorafgaand aan de plaatsing van een doelgroeppeuter of gedurende het eerste kwartaal waarin een doelgroeppeuter is geplaatst legt een pedagogisch medewerker van de groep waarin het kind is geplaatst een huisbezoek af.
Ouders komen alleen in aanmerking voor een derde en vierde dagdeel wanneer zij middels ondertekening instemmen met het, door de gemeentelijke regiegroep onderwijskansen vastgestelde, VVE protocol.
Ouders van doelgroeppeuters nemen deel aan de introductiebijeenkomst voorafgaand aan een nieuw thema die door houder wordt verzorgd.
Ouders worden actief betrokken bij hetgeen hun kinderen leren. Ook worden handreikingen gedaan hoe de kinderen thuis te stimuleren in hun ontwikkeling.
De houder legt de vorderingen van de peuters op individueel niveau vast in een kind volgsysteem.
De houder wisselt tenminste één keer per jaar ervaringen uit met ouders over hun kinderen met behulp van het kind volgsysteem en biedt ouders ondersteuning bij opvoed- en ontwikkelingsvragen (dit kan ook middels doorverwijzing naar (gespecialiseerde) ondersteuning).
De houder heeft een beeld van de eigen ouderpopulatie per locatie en vraagt actief na bij ouders hoe zij hun betrokkenheid verder vorm kunnen en willen geven.
Samenwerking o.a. met het basisonderwijs
De houder zet aantoonbaar in op samenwerking met ten minste één basisschool waar peuters naar school gaan, o.a. gericht op de doorgaande lijn voor (doelgroep)peuters.
Houder stelt samen met de basisschool een overgangsprotocol op (waaronder een warme overdracht voor doelgroeppeuters) en stemt dit af in het LEA-overleg en het VZAT.
Alle doelgroeppeuters worden (indien ouders hiertoe toestemming hebben verleend) warm overgedragen naar de basisschool. Dit wil zeggen dat de basisschool de relevante informatie over de ontwikkeling van de peuter in kwestie van aanbieder ontvangt in aanwezigheid van de pedagogisch medewerker en leerkracht en indien mogelijk de ouder(s).
De houder staat open voor programmatische samenwerking met het onderwijs indien dit (bijvoorbeeld door een gedeelde locatie) van toepassing is.
De houder stelt tijd beschikbaar om in samenspraak met gemeente en onderwijs tot goede afspraken te komen over een doorgaande lijn van voor- naar vroegschool en ten behoeve van nadere kwaliteitsontwikkeling.
Inzet op samenwerking binnen de bestaande jeugdhulp- en zorgstructuur in Albrandswaard.
Houder zoekt proactief samenwerking met relevante partners, zoals gemeente, onderwijs, collega kinderopvanginstellingen, bibliotheek en welzijn.
De houder draagt verantwoordelijkheid voor het signaleren van problemen in de directe omgeving van de peuter, en voor het doorgeven van deze signalen aan de contactpersoon van CJG.
Overig
Deelname aan monitoring van de kwaliteit en kwantiteit.
Deelname aan of vertegenwoordiging van de organisatie in het LEA-overleg en het VZAT.
Deelname aan de organisatie van twee scholingsmiddagen voor pm-ers, IB-ers en leerkrachten groep 1 en 2.
Deelname van pm-ers aan twee scholingsmiddagen per jaar.
Voertaal is Nederlands.
Hoofdstuk 3
Artikel 12