Uitkomst woningmarktanalyse
In de afgelopen jaren is het scheiden van wonen en zorg ingevoerd teneinde de zorg betaalbaar te houden, meer te laten aansluiten op de specifieke persoonlijke situatie en mensen langer thuis te kunnen laten wonen. Dit wordt extramuralisering of ambulantisering genoemd. Dit betekent dat cliënten in de relatief lagere zorgcategorieën niet langer intramuraal (zorg met verblijf in een instelling) wonen, maar in een zelfstandige woonruimte wonen en daar zorg ontvangen (extramuraal). Zij ontvangen dus zorg in de eigen woonomgeving in plaats van in een instelling.
Als gevolg hiervan zijn nieuwe initiatieven voor (geclusterde) zorgwoningen nodig, als alternatief voor intramuraal verblijf. In de Woonprogrammering 2016-2020 was hiervoor al ruimte geboden (één van de uitzonderingscategorieën voor kleinschalige initiatieven).
Uit de actualisatie blijkt dat er geen sprake is van een verder oplopend tekort aan levensloopbestendige woningen. Wel hebben we te maken met een ongelijke spreiding over de stad en een onvoldoend betaalbare en beschikbare levensloopbestendige woningen.
De problematiek wordt verzwaard doordat veel van deze woningen worden bewoond door mensen voor wie dat minder of niet noodzakelijk is. Omdat het niet mogelijk en wenselijk is om deze groep te doen verhuizen, blijft er een opgave om in de toekomst de bestaande woningvoorraad door aanpassingen meer levensloopbestendig te maken.
Het onderzoek van Companen leidt tot onderstaande opgave voor de groei van levensloopbestendige woningen. De uitkomsten van het onderzoek van Stec zijn gebruikt om te bepalen welk deel daarvan als wonen met zorg gerealiseerd moet worden gezien de toename van de vraag hiernaar.
Tabel 28
Opgave levensloopbestendige woningen
Groei behoefte levensloopbestendig
Sociale sector
Particuliere sector (huur en koop)
Totaal
Groei behoefte (Companen)
900
1.600
2.500
Huidig tekort (Companen)
300
PM
300+PM
Totaal
1.200
1.600+PM
2.800+PM
Waarvan woonzorgwoningen
(Stec)
PM
PM
600
Vertaling in woonprogrammering
Bij kwaliteitsverbetering en bij nieuwbouw is levensloopbestendigheid het uitgangspunt. Dit draagt bij aan de wensen van de woonconsument en aan een duurzaam gebruik van de woningvoorraad. Het huidige beleid is erop gericht dat ouderen kunnen kiezen uit een breed palet aan woonvormen: met of zonder zorg, zelfstandig of gemeenschappelijk, in een appartement of een patiobungalow.
Ouderen zonder ernstige beperkingen moeten, als zij dat wensen, zo lang mogelijk in hun huidige woning zelfstandig kunnen blijven wonen. Om dat mogelijk te maken, is het ‐naast informatievoorziening over woningaanpassing en inzet vanuit de WMO‐ ook van belang dat er in bestemmingsplannen voldoende ruimte wordt geboden voor bijvoorbeeld kangoeroewoningen (de feitelijke vraag hiernaar is overigens zeer beperkt) en het realiseren van slaapkamers en badkamers op de begane grond van eengezinswoningen.
De hoofdopgave bij ouderenhuisvesting ligt bij de bestaande woningvoorraad. Met de WMO kan de gemeente bewoners ondersteunen bij het toegankelijker maken van hun woningen. Dat gebeurt op individuele basis. Er is binnen het bestaande WMO-budget geen ruimte om woningen complexmatig op voorraad aan te passen. Ook kleven hier juridische risico’s aan. Daarnaast kunnen tijdelijk te realiseren mantelzorgwoningen een bijdrage leveren aan de invulling van de behoefte aan levensloopbestendige woningen.
Het realiseren van woonzorgwoningen in tijdelijke huisvesting wordt niet wenselijk geacht, omdat deze bij voorkeur nabij (centraal gelegen) voorzieningen worden gerealiseerd en locaties voor tijdelijke huisvesting hier in de regel niet beschikbaar zijn.
Er is een beperkte nieuwbouwopgave daar waar het gaat om zwaardere zorg waarvoor dusdanige bouwkundige eisen gelden dat deze via woningaanpassing niet of alleen tegen zeer hoge kosten zijn aan te brengen. In het landelijke Bouwbesluit zijn eisen voor de toegankelijkheid van nieuwbouw opgenomen. Levensloopbestendigheid is dus voor een groot deel al via deze weg geregeld. Het is de gemeente niet toegestaan hier aanvullende verzwarende eisen aan toe te voegen.
Gerichte nieuwbouw moet ervoor zorg dragen dat ouderen die dat wensen kunnen verhuizen naar geschikte nieuwbouw in zowel huur als koop. De inzet van een verhuiscoach om ouderen hierbij te ondersteunen valt te overwegen. De achtergrond hiervan is niet ouderen te stimuleren zoveel mogelijk te verhuizen, maar hen te wijzen op de mogelijkheden die er zijn. Voor het woonbeleid is dit interessant, omdat zij bij verhuizing woningen achterlaten die vrijkomen voor andere doelgroepen. Ervaringen in andere gemeente leren dat hiermee bescheiden resultaten kunnen worden geboekt. Het vergt wel de nodige inzet van capaciteit en financiën.
Er wordt gestuurd op het clusteren van nieuwbouwwoningen met een hoog niveau van geschiktheid voor ouderen en mensen met geestelijke of lichamelijke beperkingen op centraal gelegen plekken in de wijk nabij clusters van voorzieningen. Woningen die toe- en doorgankelijk moeten zijn voor bijvoorbeeld een rolstoel, zijn immers in de bestaande voorraad niet of slechts tegen zeer hoge kosten te maken.
Op grond van de verschillende behoeftecijfers wordt een indicatief nieuwbouwprogramma van 600 woonzorgwoningen tot 2030 voorgesteld. De locatie van deze voorzieningen dient aan te sluiten bij de ladder voor de locatiekeuze uit van de Omgevingsvisie en dient (cf uitkomsten onderzoek PC-kwadraat uit 2016) bij te dragen aan een betere spreiding van deze woningen over de stad. Deze woningen worden bij voorkeur gerealiseerd in de centra van wijken in de nabijheid van voorzieningen.
De woonzorgwoningen worden verhuurd met een daaraan gekoppelde zorgverleningsovereenkomst. Door hiervoor een apart aandeel te reserveren biedt de woonprogrammering ruimte voor deze ontwikkeling (overigens is dat in woonprogrammering 2016-2020 ook het geval, omdat zorgwoningen tot de uitzonderingen behoren waarvoor geen getalsmatige beperkingen gelden). Maar door in de nieuwe woonprogrammering een aparte positie te geven aan woonzorgwoningen, geeft dit een stimulans aan de ontwikkeling van dergelijke projecten.
Voor de invulling van overige behoefte aan levensloopbestendige woningen (2.800-600 = 2.200) geldt dat deze primair wordt ingevuld door aanpassing van bestaande woningen en herbestemming van bestaande niet-woongebouwen in zowel de sociale als particuliere sector.
Via de woonruimteverdeling kan er gestuurd worden op het toewijzen van levensloopbestendige woningen aan huishoudens die hier behoefte aan hebben.
Programma
Categorie
Aantal
Nieuwbouw woonzorgwoningen
600
Woningaanpassing bestaande woningen
2.200
Nadruk in aanpak
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.3
Deeluitwerking: Wonen en zorg
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Maastricht houdende regels omtrent woonprogrammering