Naar hoofdinhoud
1.. Uitzicht op inkomensverbetering wordt in elk geval verondersteld niet aanwezig te zijn in de situatie dat verzoeker: op de aanvraagdatum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; op de aanvraagdatum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong); op de aanvraagdatum behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder e van de wet; op de aanvraagdatum is aan te merken als een persoon die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet Sociale Werkvoorziening en niet boven de inkomensnorm uitkomt; gedurende de totale referteperiode een volledige of gedeeltelijke een uitkering krachtens de Participatiewet, IOAW of IOAZ heeft ontvangen of; op de aanvraagdatum als alleenstaande ouder inkomsten uit arbeid ontvangt en verklaart dat hij door zorgtaken voor de voor zijn ten laste komende minderjarige kinderen tot 12 jaar het komende jaar geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. 2.. Indien een situatie als bedoeld in artikel 5 van toepassing is op een verzoeker als bedoeld in het eerste lid, wordt verzoeker in afwijking van het eerste lid, geacht wel uitzicht te hebben op inkomensverbetering, tenzij het college van oordeel is dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die in de weg staan aan inkomensverbetering. 3.. Indien verzoeker een echtgenoot/partner heeft, wordt uitzicht op inkomensverbetering verondersteld niet aanwezig te zijn in de situatie dat op beide echtgenoten/partners: één of meerdere van de in het eerste lid genoemde situaties van toepassing is; het tweede lid niet van toepassing is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel