Alleen feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de vraag of de wijze van bedrijfsvoering het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid nadelig beïnvloedt, worden meegenomen in de beoordeling. Feiten en omstandigheden waarvan geen weerslag valt te verwachten op het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid kunnen geen grond zijn voor weigering of intrekking van een vergunning.
Ook het publiek dat op de gelegenheid af komt, de sfeer en uitstraling van de gelegenheid kunnen meewegen bij de beoordeling. Daarnaast speelt de houding (en aanwezigheid) van de exploitant, de leidinggevende en het personeel een belangrijke rol. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een exploitant die niet in gesprek gaat met buurtbewoners die overlast ervaren van (bezoekers van) de gelegenheid of een exploitant die niet optreedt tegen onwenselijk gedrag van bezoekers en/of het personeel.
Ook registraties over andere zaken van dezelfde exploitant of andere zaken waarbij de exploitant en/of leidinggevende betrokken is of was, kunnen worden meegewogen in de beoordeling van de bedrijfsvoering. Bijvoorbeeld wanneer de exploitant en/of leidinggevende bij eerdere exploitaties en/of bij een andersoortig bedrijf een slechte bedrijfsvoering hebben laten zien. Ook de bedrijfsvoering ten aanzien van andere bedrijven van de exploitant en/of leidinggevende kan meewegen bij de beoordeling van de bedrijfsvoering.
Voor de conclusie dat de wijze van bedrijfsvoering een nadelige invloed heeft op het woon- en leefklimaat en de openbare orde of veiligheid is niet vereist dat zich daadwerkelijk concrete problemen met betrekking tot het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde of veiligheid hebben voorgedaan.
Opgelegde maatregelen en/of sancties zijn niet vereist. Ook gespreksverslagen over zorgen of incidenten in de horecazaak, constateringen die zijn verwoord in bijvoorbeeld processen-verbaal of BVH-mutaties van de politie of rapportages van toezichthouders kunnen worden meegenomen in de beoordeling.
De exploitant is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering en daarmee ook voor degene aan wie hij de exploitatie overlaat. Dat hij de exploitatie aan een ander overlaat, ontslaat hem in ieder geval niet van de plicht erop toe te zien dat er geen activiteiten in de inrichting plaatsvinden, die een slechte bedrijfsvoering opleveren.
De exploitant heeft een onderzoeksplicht om te verifiëren of de bedrijfsvoering in overeenstemming is met de toepasselijke wet en regelgeving.
In beginsel zal een feit zoals genoemd in de handhavingsstrategieën31 Handhavingsstrategie Horeca en slijterijen, Handhavingsstrategie speelgelegenheden en speelautomaten 2018, Handhavingsstrategie muziekgeluid horeca 2018, Stappenplan Coffeeshops 2004, Handhavingsstrategie locatiegebonden prostitutiebedrijven en seksinrichtingen en de Handhavingsstrategie Escort. en een maatregel die op grond daarvan is opgelegd niet voldoende zijn voor de conclusie dat sprake is van een slechte bedrijfsvoering, voor een overtreding van handhavingsstrategieën bestaan ten slotte de stappenplannen. Een veelvoud aan overtredingen en/of opgelegde stappen of een combinatie van overtredingen en/of opgelegde stappen met andere overtredingen of signalen kan wel tot de conclusie slechte bedrijfsvoering leiden.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1.