Beleidsuitgangspunten Welstand

Algemeen

Bedrijfsterreinen zijn belangrijk voor de plaatselijke en regionale economie. Het beleid is gericht op het stimuleren van de ruimtelijke kwaliteit op de zichtlocaties, de ontwikkeling van de oudere bedrijventerreinen en het behoud van het eigen karakter.

Bebouwingsbeeld

Gestreefd wordt naar een samenhang in plaatsing, volume en uitstraling van de bedrijfsbebouwing, zonder het individuele karakter van de bedrijven en hun eigen identiteit aan te tasten.

Differentiatie welstandsniveaus

De bedrijventerreinen krijgen welstandsniveau 3. Voor de bedrijven langs de hoofdontsluitingswegen is welstandsniveau 2 van toepassing. Voor de achterzijde van alle panden binnen dit thema geldt welstandsniveau 4.

6.8.1.Beoordelingscriteria Bedrijventerrein

Hoofdaspecten, van toepassing bij niveau 1, 2 en 3

Algemeen.

De stedenbouwkundige en architectonische samenhang staat bij elke ingreep voorop

Situering

De indeling van het perceel en de hoofdopzet van het bedrijfspand afstemmen op de stedenbouwkundige karakteristiek van de locatie (hiërarchie, ontsluiting, zichtlijnen e.d.).

Hoofdgebouwen staan aan de straatzijde, bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie. Indien sprake is van een bedrijfswoning, dan wordt de bedrijfswoning als hoofdgebouw aangemerkt.

Bij (vervangende) nieuwbouw de bebouwing qua positie afstemmen op de belendende bebouwing.

Met de ritmiek, de schaal en de hoogte van de bestaande bebouwing in de omgeving is rekening te houden.

Publieke en representatieve functies, zoals entrees, zijn herkenbaar vormgegeven en naar de straatzijde georiënteerd.

Massa en vorm

De hoofdvorm van de gebouwen is eenduidig.

De richting van de gebouwen volgt in beginsel de richting van de straat.

Aan- en uitbouwen en bijgebouwen houden rekening met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing.

Gevelopbouw

Zeer grote lengtes van gebouwen worden door geledingen verfijnd.

Materiaalgebruik (hoofdvlakken)

Bij verbouwing is het oorspronkelijke materiaal en kleurgebruik uitgangspunt.

De kleuren moeten passen bij de kleurstelling van de panden in de omgeving.

Kleurgebruik (hoofdvlakken)

Grotere vlakken tonen geen sterke kleurcontrasten.

Deelaspecten (van toepassing bij welstandsniveau 1 en 2)

Gevelindeling

De verschillende hoofdfuncties zijn te onderscheiden door architectonische accenten en geledingen.

Grote vlakken hebben een structuur of onderverdeling.

Materiaalgebruik (deelvlakken)

Bij renovatie en nieuwbouw is de materiaalkeuze afgestemd op de omgeving. Een eigentijdse interpretatie is zeker mogelijk.

Kleurgebruik (deelvlakken)

De kleuren per gebouw dienen te harmoniëren met elkaar.

Detailaspecten (van toepassing bij welstandsniveau 1)

Detaillering

Kozijnen, dakranden, regenpijpen e.d. zijn op eenvoudige wijze gedetailleerd.