Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 11

Het niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Onderdeel van Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Delft houdende regels omtrent het opleggen van een maatregel in verband met de participatiewet (Maatregelverordening Participatiewet 2021)

1.. In artikel 18, vierde lid, van de wet zijn de zgn. geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Dit zijn: Het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; Het uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau; Het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere gemeente dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die gemeente te verhuizen; Bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; Bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan; Het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; Het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag; Het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. 2. . Overeenkomstig artikel 18, vijfde lid, van de wet verlaagt het college de uitkering met 100% gedurende één maand, indien de belanghebbende één van de in het eerste lid genoemde verplichtingen niet nakomt. In beginsel wordt deze maatregel in één keer opgelegd, tenzij er naar het oordeel van het college redenen zijn, overeenkomstig artikel 18, vijfde lid, van de wet, deze maatregel over een periode van maximaal drie maanden te spreiden. 3. . Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van een besluit zoals bedoeld in het tweede lid, bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. 4. . Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van het besluit, waarbij het college gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid zoals beschreven in het derde lid, bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden. 5. . Bij elke volgende recidive binnen een periode van 12 maanden na de bekendmaking van het laatste maatregelbesluit bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden. 6. . Het college kan op verzoek van de belanghebbende een maatregel die wordt opgelegd wegens het schenden van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, tijdens de periode waarop de verlaging van toepassing is, herzien, indien uit houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt dat de belanghebbende de geüniformeerde verplichtingen nakomt. 7. . De minimale duur van de maatregel wegens het schenden van een geüniformeerde verplichting is één maand. Herziening zoals bedoeld in het zesde lid is daarom uitsluitend mogelijk als deze maatregel is opgelegd voor een periode langer dan één maand.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel