Naar hoofdinhoud
Succesvolle vrij toegankelijke voorzieningen hebben als kenmerk dat ze laagdrempelig zijn. Inwoners voelen zich vertrouwd met de vrijwilligers en professionals. De voorzieningen en ondersteuning staan midden in de samenleving en zijn onderdeel van de leefwereld. Professionals en vrijwilligers zijn bekend en worden gekend. Professionals en vrijwilligers zijn actief op bestaande vind- en ontmoetingsplaatsen en hebben de ruimte om een vertrouwensband op te bouwen en te onderhouden. Welzijnswerk is mensenwerk en vertrouwen opbouwen vraagt continuïteit. Daarom worden subsidieafspraken gemaakt voor drie jaar: 2022, 2023 en 2024. Meerjarige basis Organisaties werken een plan van aanpak uit voor in totaal drie jaar. Zo ontstaat ruimte om een stevig fundament te bouwen vanuit de gesubsidieerde organisaties. Jaarlijks wordt een aangepast plan van aanpak ingediend, zodat kan worden geanticipeerd op veranderingen. Ook zijn in de subsidieregeling voorwaarden opgenomen voor halfjaargesprekken en een vaste set indicatoren (zie bijlage 1) om voortgang te kunnen monitoren. Fijnmazig netwerk met eigen toegang Als gemeente Altena kiezen we ook de komende jaren voor een fijnmazig netwerk van vrij toegankelijke voorzieningen. Organisaties die subsidie ontvangen zijn actief onder hun eigen naam en zijn bereikbaar onder hun eigen telefoonnummer en e-mailadressen. Dit in tegenstelling tot de werkwijze van (vaak grotere) gemeenten, die kiezen voor één centrale toegang (één logo, één telefoonnummer en één e-mailadres). Maatschappelijke partijen en inwoners geven aan dat de pluriformiteit past bij de eigenheid en verscheidenheid in het werkgebied van de gemeente Altena. Door organisaties met verschillende initiatieven dichtbij inwoners te laten werken, blijft de drempel om een hulpvraag te stellen laag. Kortom, professionals werken vanuit hun eigen organisatie en expertise en hun ondersteuning is via de kanalen van deze organisaties vindbaar en bereikbaar. Vanuit de gemeentelijk toegang wordt door de triage waar mogelijk doorverwezen naar de vrij toegankelijke voorzieningen. Inzichtelijk maken wat er is Een inwoner die de stap neemt een hulpvraag te stellen, moet zo goed mogelijk geholpen worden, ongeacht aan wie de hulpvraag gesteld wordt. Dit legt wel een verantwoordelijkheid bij de persoon aan wie de hulpvraag wordt gesteld. Professionals, vrijwilligers en inwoners moeten in staat zijn om de hulpvraag op de plek te krijgen waar die kan worden opgepakt. Daarom wordt er vanuit de gemeente een digitale sociale kaart ontwikkeld. Deze sociale kaart wordt voor iedereen toegankelijk: inwoners, professionals, vrijwilligers en gemeentelijke consulenten. De digitale sociale kaart sluit aan bij het veelgehoorde geluid “er is zoveel binnen onze gemeente, maar vaak weten mensen niet wat er waar wordt georganiseerd”. In het verleden hadden de drie voormalige gemeenten nog een schaal waarop ‘ons kent ons’ en ‘mond-tot-mondreclame’ ervoor zorgde dat initiatieven en voorzieningen bekend werden, maar uit de samenleving komt inmiddels uitdrukkelijk de vraag om inzicht en overzicht. Digitale sociale kaart De digitale sociale kaart wordt een overzicht met alle vrij toegankelijke voorzieningen, cursussen en trainingen en contactgegevens. Ook worden privaat aanbod uit de markt (denk aan fysiotherapeuten, mediators en mantelzorgmakelaars) en burgerinitiatieven voor bijvoorbeeld ontmoeting of burenhulp opgenomen. Er ligt een uitdaging om ook oplossingen vanuit de samenleving, de markt en/of gefinancierd vanuit andere wetten (denk aan respijtzorg vanuit de zvw) inzichtelijk te maken: een continu verbeterproces. Naast het instrument sociale kaart worden partijen die uitvoering gaan geven aan welzijnswerk en praktische ondersteuning uitgenodigd om deel te nemen aan een periodiek werkoverleg met het gemeentelijke triageteam. Het vrij toegankelijke veld en de gemeente triage (toegangsteam) zullen verder naar elkaar toe moeten groeien. Regelmatig overleg helpt om nieuwe initiatieven onder de aandacht te brengen en samen te leren welke vragen wel en welke vragen niet in het vrij toegankelijke veld kunnen worden belegd. Casuïstiek Het vrij toegankelijke veld en de professionals en vrijwilligers die hierin actief zijn, zijn onderdeel van een groter geheel. Samen met de gemeentelijk toegang en de niet-vrij toegankelijke voorzieningen vormen ze het sociaal domein. In een goed functionerend sociaal domein zijn de niet-vrij toegankelijk voorzieningen en de vrij toegankelijke voorzieningen communicerende vaten. In hoofdstuk drie is onder het kopje ‘Op weg naar een Sociale Altenacode’ beschreven hoe in de komende jaren verdere innovatie en vernieuwing vorm kan krijgen. Het omvormen van niet-vrij toegankelijke voorzieningen naar vrij-toegankelijke voorzieningen staat hierin centraal. Maar zowel nu, als in de toekomst is uitwisseling, overleg, doorverwijzen en nazorg tussen de verschillende onderdelen van het sociaal domein en het maatschappelijke veld nodig. Uit de gesprekken met partners komt de wens naar voren om voor deze casuïstiekbesprekingen een simpele wekelijkse overlegvorm te gebruiken (zie tekstvak op de volgende pagina). Motorkap-overleg voor casuïstiekbespreking Als gemeente nemen we het initiatief voor wekelijks overleg voor casuïstiekbespreking. Er wordt een splitsing gemaakt tussen team Oost (gebied rondom Aalburg/Woudrichem) en team West (gebied rondom Werkendam/Hank), zodat gebiedsgericht kan worden gewerkt en mogelijk ook op basis van specialisme (bijvoorbeeld dementie en gezinsproblematiek). In beide gevallen wordt wekelijks, op een vast moment overleg gevoerd. Een kleine groep professionals vanuit vrij toegankelijke partners en een vertegenwoordiger vanuit het gemeentelijke Team Regie nemen namens hun organisaties casussen mee. Gezamenlijk wordt een oplossing gezocht. We noemen deze overleggen motorkap-overleggen; Een suggestie van één van de gesprekspartners tijdens de ontwikkeling van dit uitvoeringskader. Vertegenwoordigers van organisaties nemen deel in deze integrale teams, ze doen dit namens hun organisatie en koppelen terug aan hun collega’s. Uitgangspunten zijn: vertrouwen, een onbelemmerde hulpverlening door te werken volgens de AVG en een integrale benadering. Vanuit het vrij toegankelijke veld verwachten wij dat organisaties die met name één op één begeleiding bieden wekelijks aansluiten (maatschappelijk werk en eventueel onafhankelijke cliëntondersteuning). Ook partijen als thuiszorg en bijvoorbeeld de woningcorporaties kunnen aansluiten bij deze motorkap-overleggen. Uit gevoerde gesprekken komt naar voren dat er een grote behoefte is om op uitvoerend niveau frequent integraal naar oplossingen te zoeken voor casussen met meervoudige problematiek.

Rechtspraak bij dit artikel