Preventie van bodemverontreiniging is gericht op het voorkomen van nieuwe verontreinigingen en bevat het geheel aan voorzieningen en maatregelen die getroffen worden om het ontstaan van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
De gemeente past hiervoor instrumenten uit de Wet milieubeheer (Wm), het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de provinciale milieuverordening (PMV) toe.
2.1Wet milieubeheer
De taken die de gemeente in dit kader uitvoert zijn het verlenen van omgevingsvergunningen, het beoordelen van meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit en het uitoefenen van toezicht op en het bestuurlijk handhaven van de milieuregels bij bedrijven.
Omgevingsvergunning
In een omgevingsvergunning (aspect milieu) stelt de gemeente altijd voorwaarden aan bedrijfsmatige activiteiten, die gezien hun aard en omvang een bedreiging vormen voor de bodemkwaliteit. Bij het voorschrijven van bodembeschermende voorzieningen hanteert de gemeente de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) en/of publicaties van het Plan Bodembeschermende Voorzieningen (PBV). Een voorbeeld hiervan is de CUR/PBV- beoordelingsrichtlijn voor de aanleg van vloeistofdichte vloeren.
Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning (aspect milieu) moet de aanvrager een bodemrisicoanalyse (conform de NRB) uitvoeren teneinde de aard en mate van bodembedreigende activiteiten te bepalen. Als sprake is van bodembedreigende activiteiten dient de aanvrager tevens een nulsituatie(bodem)onderzoek uit te voeren. Een nulsituatieonderzoek is bedoeld om de actuele bodemsituatie op de plaats van de bodembedreigende activiteiten binnen de inrichting (het bedrijfsterrein) in kaart te brengen. Ook bij actualisatie van vergunningen kan om een nulsituatieonderzoek worden gevraagd als bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Als de bodem op een later tijdstip nogmaals wordt onderzocht, kan bij een eventueel geconstateerde bodemvervuiling een veroorzaker worden aangewezen. In de vergunning kan worden opgenomen dat regelmatig een herhalingsonderzoek dient te worden uitgevoerd, ook dit dient te voldoen aan NEN 5740. Bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten wordt in principe een eindsituatieonderzoek verlangd.
Een nul- of eindsituatieonderzoek in het kader van een omgevingsvergunning dient te voldoen aan NEN 5740, protocol B8 ‘onderzoeksstrategie vaststelling nulsituatie en eindsituatie bij een toekomstige bodembelasting'. Het bevoegd gezag kan eventueel aanvullende eisen stellen omtrent het aantal en de plaats van peilbuizen, de te gebruiken analysemethode en de te bepalen parameters. Voor ondergrondse tanks geldt NEN 5740, protocol B9.
Activiteitenbesluit
Bij bedrijven, die onder het Activiteitenbesluit vallen, wordt in een aantal voorschriften van het besluit specifiek aandacht besteed aan bodemaspecten. Conform artikel 2.11 lid 2 van het Activiteitenbesluit kan de gemeente maatwerkvoorschriften opnemen waarin aanvullende eisen in relatie tot 'bodem' kunnen worden gesteld.
Opslag in ondergrondse tanks
Opslag van vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse tanks, waaronder opslag van huisbrandolie bij particulieren in een hoeveelheid van meer dan 1 m3, worden beschouwd als een inrichting (bedrijfsmatige activiteit) zoals bedoeld in de Wet milieubeheer en vallen derhalve onder het regime van het Activiteitenbesluit. Het verwijderen en onklaar maken van deze tanks bij het beëindigen van de opslag, moet volgens de regels van het Activiteitenbesluit gebeuren. Echter indien vóór 1 maart 1993 (= datum inwerkingtreding BOOT) de vloeistof uit de tank is verwijderd en de tank onklaar is gemaakt, geldt deze verwijderingsplicht niet. De verwijderingsplicht geldt ook niet voor tanks die door een Kiwa-erkend bedrijf vóór 1 januari 1999 zijn gesaneerd (schoongemaakt). Verwijdering van deze tanks kan door de gemeente alleen nog maar gemotiveerd worden afgedwongen op grond van de zorgplicht artikel 13 Wbb, wanneer er een vermoeden bestaat van een (mogelijke) bodemverontreiniging ten gevolge van de nog aanwezige tank.
2.2Besluit bodemkwaliteit
Het Besluit bodemkwaliteit stelt eisen aan steenachtige bouwstoffen, baggerspecie en grond die worden toegepast in onder meer de weg- en waterbouw. Hiermee wordt voorkomen dat nieuwe bodemverontreiniging ontstaat.
De gemeente heeft als taak te toetsen of de toepassing van grond, baggerspecie en bouwstoffen voldoet aan de eisen van het besluit.
2.3Grondwaterbeschermingsgebieden
Binnen het beheergebied van de regio zijn enkele grondwaterbeschermingsgebieden gelegen. Deze gebieden zijn per gemeente aangegeven op de toepassingskaarten en de bodemfunctieklassenkaart in bijlage 1.
De contouren van de grondwaterbeschermingsgebieden zijn afkomstig uit de provinciale milieuverordening (PMV). Omdat de PMV aan wijzigingen onderhevig is, dient altijd de meest recente versie geraadpleegd te worden via de internetsite van de provincie Noord-Brabant.
Volgens de PMV is het niet toegestaan om in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen behalve wanneer:
de kwaliteit van de grond of baggerspecie
de achtergrondwaarden niet overschrijdt;
de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt en de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;
het baggerspecie betreft die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen en op het aangrenzend perceel wordt verspreid;
wanneer het een grootschalige bodemtoepassing betreft en door middel van onderzoek wordt aangetoond dat door de toepassing de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen. Daarnaast dat de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt.
Artikel 2