Beheer is gericht op het faciliteren van verantwoord grondverzet. Onder verantwoord grondverzet verstaat de regio "zoveel mogelijk grond binnen de regio hergebruiken zonder daarmee de duurzaamheid van de bodem te belemmeren". Uitgangspunt hierbij is dat de lokale bodemkwaliteit niet verslechtert (het 'standstill-principe'). Door het grondverzet niet te beperken tot de gemeentegrenzen maar te kiezen voor een regionale aanpak, wordt een duurzame invulling aan het bodembeheer gegeven. Dit zorgt ook voor financiële voordelen doordat bespaard kan worden op de aanschafkosten van delfstoffen.
Dit hoofdstuk geeft invulling aan de Nota bodembeheer zoals bedoeld in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten.
3.1Bodemkwaliteit op de kaart
Om het toepassen van grond of baggerspecie binnen de regio te kunnen faciliteren, zonder dat telkens een bodemonderzoek of partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd, hebben de gemeenten in 2020 een regionale bodemkwaliteitskaart op laten stellen. Deze bodemkwaliteitskaart bestaat uit de volgende deelkaarten:
een ontgravingskaart;
een toepassingskaart;
een bodemfunctieklassenkaart.
De bodem onder oppervlaktewateren zoals sloten en beken valt buiten deze kaarten.
De kaarten zijn onderdeel van deze nota bodembeheer en zijn opgenomen in bijlage 1.
Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de kaarten en beschrijft wanneer welke kaart gebruikt moet worden. Daarnaast wordt een toelichting gegeven op het gehanteerde stoffenpakket.
3.1.1Ontgravingskaart
De ontgravingskaart geeft een indicatie van de milieuhygiënische kwaliteit van een partij grond die wordt ontgraven voor hergebruik elders. Hierbij is onderscheid gemaakt in de bovengrond (0,0-0,5 m -mv.) en de ondergrond (0,5-2,0 m -mv.).
De te verwachten bodemkwaliteit is verdeeld in de drie kwaliteitsklassen die binnen het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn (zie figuur 3.1).
Uit de kaart blijkt voor alle bodemkwaliteitszones dat de grond die vrijkomt uit zowel de boven- als de ondergrond, voldoet aan de eisen voor schone grond. Uitzondering vormen:
de wegbermen van de zinkassenwegen, deze worden beoordeeld als niet toepasbaar .
de wegbermen van de N-wegen, de bovengrond is ingedeeld als kwaliteitsklasse ‘industrie’.
Figuur 3.1: Overzicht normen landbodem
De ontgravingskaart van de ondergrond wordt tevens representatief geacht voor grond uit diepere bodemlagen dan 2 m -mv. Dit betekent dat de bodemkwaliteitskaart ook als bewijsmiddel voor vrijkomende grond uit grotere diepten mag worden gebruikt.
Uitgesloten gebieden
De volgende gebieden vallen buiten de bodemkwaliteitskaart:
Bermen van de rijksweg A67
Overige waterbodems (sloten, kanalen, vijvers, beken etc.)
(Voormalige) stortplaatsen
3.1.2Toepassingskaart
Op de toepassingskaart is de kwaliteitsklasse aangegeven waar een partij grond of bagger aan moet voldoen wanneer men deze op een bepaalde locatie binnen de regio wil toepassen. De toepassingskaart is een combinatie van de bodemfunctieklassenkaart (zie paragraaf 3.1.3) en de kaart met de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem.
Uit deze kaart blijkt dat binnen de regio alleen schone grond en bagger mogen worden toegepast. Uitzondering vormen:
de wegbermen van de N-wegen in het buitengebied.
3.1.3Bodemfunctieklassenkaart
Op de bodemfunctieklassenkaart is het gemeentelijk grondgebied op basis van het huidige en bekende toekomstige grondgebruik ingedeeld in de klassen:
Industrie
Wonen
Landbouw/natuur
De bodemfunctieklassenkaart speelt een belangrijke rol bij het toepassen van partijen grond of baggerspecie op de landbodem. Eén van de uitgangspunten van het Besluit bodemkwaliteit is namelijk dat de milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond of baggerspecie geschikt moet zijn voor het gebruik van de ontvangende bodem (de bodemfunctieklasse). Hiertoe is de bodemfunctieklassenkaart verwerkt op de toepassingskaart (zie 3.1.2).
Verder speelt de bodemfunctieklassenkaart een rol bij het vaststellen van de terugsaneerwaarden en de kwaliteit van de aanvulgrond of leeflaag bij saneringen.
Omgang met tussentijdse functiewijzigingen
Bij het opstellen van de bodemfunctieklassenkaarten is rekening gehouden met ruimtelijke ontwikkelingen die de komende 5 jaar plaatsvinden. Desondanks is het mogelijk dat de functie van een locatie wijzigt als gevolg van een bestemmingsplanwijziging. Als gevolg van een dergelijke wijziging kan het voorkomen dat de functieklasse, zoals aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart, niet meer correspondeert met de actuele functie van de locatie.
Door de gemeenten wordt ten minste één maal per vijf jaar nagegaan of het noodzakelijk is om de bodemfunctieklassenkaart aan te passen en opnieuw vast te stellen.
3.1.4Toelichting op gehanteerd stoffenpakket
De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op een stoffenpakket bestaande uit de volgende parameters:
zware metalen ( barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink),
polychloorbifenylen (PCB som 7)
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM)
minerale olie (GC)
Dit stoffenpakket omvat de stoffen uit het standaard (NEN 5740)-pakket voor grond.
PFAS onderzoek maakt geen onderdeel uit van deze nota bodembeheer. De samenwerkende omgevingsdiensten werken aan een gezamenlijke PFAS bodemkwaliteitskaart voor het grondgebied van de Provincie Noord-Brabant. Als addendum zal het erratum dat als onderbouwing dient van de opgestelde PFAS bodemkwaliteitskaart aan deze nota bodembeheer worden toegevoegd.
3.2Spelregels voor grondverzet
Deze paragraaf beschrijft de spelregels voor het ontgraven en toepassen van schone en licht verontreinigde grond (klasse wonen en industrie). Voor grondverzet van sterk verontreinigde grond wordt verwezen naar het saneringsspoor in hoofdstuk 5.
De spelregels voor grondverzet zijn vastgelegd in het Besluit bodemkwaliteit.
Bij het toepassen van grond is het uitgangspunt dat de bodem zijn functie duurzaam kan blijven vervullen.
Het besluit biedt gemeenten de mogelijkheid om te kiezen tussen het generieke en het gebiedsspecifieke spoor. Vanwege de regionale aanpak valt het beleid onder het gebiedsspecifieke spoor. Het gebiedsspecifieke element beperkt zich voor de gemeenten echter tot de acceptatie van elkaars bodemkwaliteitskaarten. De spelregels voor het grondverzet vallen binnen het generieke kader.
In de keten van grondverzet zijn de volgende schakels te onderscheiden:
ontgraven
transport
tijdelijke opslag
toepassen
In de volgende paragrafen wordt nader in gegaan op de keten van grondverzet.
3.2.1Ontgraven
Hoe toon ik de kwaliteit aan?
Voordat grond wordt ontgraven, moet de initiatiefnemer nadenken over de afvoerbestemming. De afvoerbestemming bepaalt namelijk of en hoe de grond moet worden onderzocht. Voor grond die wordt ontgraven, zijn de volgende afvoerbestemmingen mogelijk:
hergebruik in/nabij hetzelfde werk;
toepassingslocatie binnen de regio;
toepassingslocatie in grondwaterbeschermingsgebied of moes-/volkstuinen
toepassingslocatie buiten de regio;
tijdelijke opslag;
inrichting (grondbank, aannemer).
In de onderstaande tabel is per afvoerbestemming een overzicht gegeven van de mogelijke manieren waarop de kwaliteit kan worden aangetoond. Dit zijn de zogenaamde bewijsmiddelen. Vervolgens is per bewijsmiddel een toelichting gegeven.
Tabel 3.1: Overzicht bewijsmiddelen
Bodemkwaliteitskaart
De ontgravingskaart geeft de kwaliteit weer van de grond op de ontgravingslocatie. Deze kaart is gemaakt voor locaties die niet verdacht zijn met betrekking tot het voorkomen van lokale bodemverontreiniging. Mocht wel sprake zijn van lokale bodemverontreiniging, dan mag de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt. In dat geval dient de milieuhygiënische kwaliteit op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van één van de andere toegestane bewijsmiddelen. Dit geldt ook voor de niet-gezoneerde gebieden ('witte vlekken') op de ontgravingskaart.
Toets herkomst
Om te controleren of de locatie verdacht is, moet een 'toets herkomst' worden gedaan. Onder verdachte locaties worden verstaan:
locaties waar in het verleden (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden die mogelijk een bodemverontreiniging hebben veroorzaakt;
bekende lokale gevallen van bodemverontreiniging, niet behorende tot de diffuse bodemverontreiniging;
lokaal aanwezige (historische) ophooglagen, dempingen en puinpaden;
bodemsanering in uitvoering;
restverontreiniging na bodemsanering c.q. lokaal aangebrachte leeflagen;
Wanneer bodemonderzoek op een verdachte locatie heeft uitgewezen dat er geen sprake is van bodemverontreiniging, en daarnaast de milieuhygiënische kwaliteit vergelijkbaar is met het omliggende gebied, wordt deze locatie niet meer aangemerkt als verdacht.
In bijlage 2 is een formulier voor de 'toets herkomst' opgenomen. Om gebruik te kunnen maken van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel dient de initiatiefnemer dit formulier volledig in te vullen.
Onverwachte situaties
Het kan voorkomen dat tijdens de ontgraving toch onverwachts een (mogelijke) afwijking van de bodemkwaliteit wordt geconstateerd. Een onverwachte situatie doet zich voor indien:
de grond een afwijkende kleur, geur of samenstelling heeft;
de grond een bijmenging aan bodemvreemde materialen bevat (puin, gruis, kooltjes, etc.) op basis waarvan wordt verwacht dat de bodemkwaliteitskaart niet meer representatief is voor de milieuhygiënische kwaliteit, dan wel waarvan men redelijkerwijs kan vermoeden dat deze het milieu negatief kan beïnvloeden;
in de grond visueel asbest wordt aangetroffen.
Een onverwachte situatie dient in alle gevallen te worden geregistreerd en gemeld bij de gemeente. Als sprake is van een (vermoedelijk) geval van ernstige bodemverontreiniging, doet de gemeente melding hiervan bij het bevoegd gezag Wbb (cf. art. 41 Wbb). Met de inwerkingtreding van de omgevingswet, is geen sprake meer van de Wbb en dient in alle gevallen een melding bij de gemeente plaats te vinden bij het aantreffen van een onverwachte situatie.
Bodemkwaliteitskaart andere gemeente buiten de regio
De bodemkwaliteitskaart van een andere, buiten de regio gelegen, gemeente wordt alleen als bewijsmiddel voor een partij grond geaccepteerd indien de bodemkwaliteitskaart bestuurlijk is vastgesteld door de gemeente waarbinnen de partij grond wordt toegepast en bij de melding een volledig ingevuld en correct ondertekend formulier voor de 'toets herkomst' is gevoegd.
Partijkeuring
Aan een partijkeuring worden de volgende eisen gesteld:
een partij kan worden gekeurd in depot of in-situ;
de partij grond (of baggerspecie) dient door een erkende monsternemer te worden bemonsterd conform SIKB BRL 1000: VKB-protocol 1001 ;
de voorbewerking van de monsters alsmede het laboratoriumonderzoek moeten worden verricht conform het accreditatieprogramma AP04 door een hiervoor erkend laboratorium.
Erkende kwaliteitsverklaring
De meest voorkomende vorm van de erkende kwaliteitsverklaringen zijn kwaliteitscertificaten op grond van de BRL 9335 (de BRL voor grondbanken, zandwinningen en grond uit projecten). Een erkende kwaliteitsverklaring bestaat uit twee delen:
Het eerste deel is het productcertificaat dat wordt afgegeven door een erkende certificerende instelling. Op dit productcertificaat staan de (civieltechnische) eigenschappen van de grond of baggerspecie vermeld, alsmede de milieuhygiënische classificatie (voldoet aan achtergrondwaarden, klasse 'wonen' of klasse 'industrie').
Het tweede deel betreft de afgegeven erkenning.
Een overzicht van afgegeven erkende kwaliteitsverklaringen is gepubliceerd op de website van Bodem+.
Fabrikant-eigenverklaring
Dit is een milieuhygiënische verklaring die door een producent zelf kan worden afgegeven. In tegenstelling tot een erkende kwaliteitsverklaring, vindt bij een fabrikant-eigenverklaring geen periodieke externe controle door een certificerende instelling plaats en is er ook geen erkenning noodzakelijk. Voorbeeld van een fabrikant-eigenverklaring zijn die voor tarragrond van aardappelen of suikerbieten.
Een overzicht van afgegeven fabrikant-eigenverklaringen is gepubliceerd op de website van Bodem+.
Bodemonderzoek
Bodemonderzoeken moeten voldoen aan de eisen uit de NEN 5740. Aandachtspunten zijn:
Het bodemonderzoek moet zijn uitgevoerd door een bureau dat erkend is voor de BRL SIKB 2000.
Het bodemonderzoek mag maximaal 5 jaar oud zijn. Dit kan met 2 jaar worden verlengd, indien wordt aangetoond dat op de locatie geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden.
De voorbewerking van de monsters alsmede het laboratoriumonderzoek moeten worden verricht conform het accreditatieprogramma AS3000 door een hiervoor erkend laboratorium.
3.2.2Transport
Voor het transport van (vrijkomende) grond moet worden voldaan aan de Wegenverkeerswet, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens en de wetgeving met betrekking tot het transporteren van afvalstoffen.
Als de grond wordt hergebruikt, al dan niet via tijdelijke opslag, of rechtstreeks van de leverancier komt, zijn voor het transport de volgende documenten vereist:
een vrachtbrief in het kader van transportwetgeving (de standaard begeleidingsbrief is ook als vrachtbrief te gebruiken);
een gewaarmerkt kopie van het certificaat voor vervoer (NIWO);
een verwijzing naar kwaliteitsgegevens.
In het geval de grond niet kan worden hergebruikt, maar wordt afgevoerd naar een verwerkingsinrichting, is sprake van een afvalstof en dienen de volgende documenten bij het transport aanwezig te zijn:
een volledig ingevulde en ondertekende ‘standaard begeleidingsbrief; het vermelden van een afvalstroomnummer is afhankelijk van de bestemming (gaat de partij wel of niet naar een inrichting)
een gewaarmerkt kopie van het certificaat voor vervoer (NIWO: Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie)
een verwijzing naar kwaliteitsgegevens (deze kwaliteitsgegevens moeten op de locatie van herkomst of de locatie van toepassing aanwezig zijn).
Meer informatie over het transport van grond/bagger c.q. afvalstoffen is te vinden in het handboek 'Transport van Afval" (Stichting Vervoeradres: https://www.sva.nl/files/bva_sva/downloads/2018-04/transport_van_afval2016_0%2014.pdf
3.2.3 Tijdelijke opslag
Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit niet vergunningsplichtig op grond van de Wet milieubeheer en de Waterwet, mits voldaan wordt aan de voorwaarden uit de volgende tabel. Ook moet bij tijdelijke opslag de zorgplicht in acht worden genomen.
Tabel 3.2: Vormen van tijdelijke opslag en bijbehorende voorwaarden
Vorm van
tijdelijke opslag
Voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit
Maximale duur opslag
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
Kortdurende opslag
6 maanden
-
Ja
Tijdelijke opslag op landbodem
3 jaar
Kwaliteit moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem
Ja,
met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Weilanddepot
(opslag van baggerspecie op aangrenzend perceel)
3 jaar
Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen
Ja,
met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Opslag bij tijdelijke uitname
Looptijd van de werkzaamheden
-
Nee
Opgemerkt wordt dat, voorafgaand aan de tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, naast een check op de milieuhygiënische eisen die vanuit het Besluit bodemkwaliteit worden gesteld, ook een toets op het bestemmingsplan dient plaats te vinden. Dit om uit te kunnen sluiten dat de tijdelijke opslag overlast (te denken valt aan geluid, geur, stof, etc.) voor de omgeving oplevert.
Wanneer grond opgeslagen wordt binnen een Wm-inrichting zonder een vergunning voor deze activiteit, kan alleen in de volgende situatie. De grond die wordt opgeslagen is vrijgekomen bij werkzaamheden binnen de Wm-inrichting.
De regels van kortdurende- en tijdelijke opslag zijn hierop van toepassing zie tabel 3.2. Dit betekent dat grond voor een maximale periode van 3 jaar op de locatie mag worden opgeslagen.
Indien grond van elders wordt aangevoerd en (tijdelijk) wordt opgeslagen betreft dit een activiteit waarvoor een vergunning noodzakelijk is onder het Activiteitenbesluit.
3.2.4 Toepassen
Grond kan op de volgende manieren worden toegepast:
via het spoor voor tijdelijke uitname;
in een standaard bodemtoepassing;
in een grootschalige bodemtoepassing;
Deze toepassingsmogelijkheden worden in de volgende paragrafen nader toegelicht.
Omgaan met bodemvreemd materiaal
In het Besluit bodemkwaliteit is bepaald dat grond en baggerspecie niet meer dan 20% (m/m) bodemvreemd materiaal, zoals puin, mogen bevatten.
Grond met bodemvreemd materiaal is in principe asbestverdacht. In paragraaf 4.5 is beschreven hoe de gemeenten omgaan met asbest in de bodem. Grond, zichtbaar verontreinigd met zinkassen en/of asbest, mag in de gemeenten niet worden toegepast.
3.2.4.1 Tijdelijke uitname
Van tijdelijke uitname is sprake als aan beide onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
De grond niet wordt bewerkt. Voorbeelden van bewerken zijn het mengen met grond van elders of met bouwstoffen. Zeven wordt niet als bewerken gezien.
De grond wordt op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities hergebruikt. Op of nabij dezelfde plaats is in het Besluit niet gedefinieerd als afstand. Aangezien lokale omstandigheden van invloed zijn, beoordeelt de gemeente per geval of sprake is van 'op of nabij'.
Voorbeeld van tijdelijke uitname is het graven van een leidingsleuf en het vervolgens terugzetten van de grond.
In het geval van tijdelijke uitname hoeft de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem en van de terug te plaatsen grond of baggerspecie niet te worden aangetoond. Het is echter mogelijk dat op basis van andere wet- en regelgeving zoals Arboregels (o.a. CROW 400), toch een onderzoeksverplichting geldt.
Wanneer voorafgaand aan of tijdens de werkzaamheden blijkt dat sprake is van een verontreiniging waardoor de lokale bodemkwaliteit zou kunnen verslechteren als gevolg van bijvoorbeeld uitloging/uitspoeling, mag de grond of baggerspecie niet zomaar worden teruggeplaatst. Dit in verband met de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming. Er moeten dan maatregelen worden getroffen om verslechtering te voorkomen. Bij overschrijding van de interventiewaarden dient het saneringsspoor te worden gevolgd (zie hoofdstuk 5).
Naast het niet hoeven aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit, hoeft het tijdelijk uitnemen, eventueel op de locatie opslaan en terugplaatsen van grond of baggerspecie ook niet te worden gemeld.
3.2.4.2Standaard bodemtoepassing
Bij een standaard bodemtoepassing wordt grond die vrijkomt elders op of in de bodem toegepast. Dit mag alleen als:
sprake is van een functionele en nuttige toepassing EN
de milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen grond voldoet aan zonekwaliteit zoals aangegeven op de toepassingskaart.
Functionele en nuttige toepassing
Het toepassen van grond als bodem is alleen toegestaan indien sprake is van een functionele en nuttige toepassing zoals bedoeld in respectievelijk artikel 5 en artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee wordt bedoeld dat het om een toepassing moet gaan in een hoedanigheid en hoeveelheid die nodig is voor het functioneren van de betreffende toepassing.
In artikel 35 van het Besluit worden voorbeelden genoemd van wat onder een nuttige toepassing wordt verstaan. Aangezien een deel van deze toepassingen betrekking heeft op het toepassen in oppervlaktewater, zijn hieronder alleen de nuttige toepassingen weergegeven die zich binnen de regio (op landbodem) kunnen voordoen:
bouw- en wegconstructies (wegen, spoorwegen en geluidswallen);
ophoging van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden;
afdekken van saneringslocaties;
tijdelijke opslag van grond (voorafgaand aan het toepassen hiervan).
Op de toepassingskaart in bijlage 1 zijn de mogelijkheden voor de standaard toepassing in de regio weergegeven. De kwaliteit van de grond moet kunnen worden aangetoond met één van de bewijsmiddelen die genoemd zijn in paragraaf 3.2.1.
Melden
De initiatiefnemer moet voorafgaand aan de toepassing nagaan of aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan en is in de meeste gevallen verplicht om de toepassing minimaal 5 dagen van te voren te melden bij het bevoegde gezag (zie paragraaf 3.4).
Witte vlekken/ gebieden met te weinig waarnemingen
Van een aantal gebieden binnen de regio is de kwaliteitsklasse van de ontvangende landbodem niet bekend (zoals bijvoorbeeld ter plaatse van de wegbermen van provinciale wegen en een aantal uitbreidingswijken en lintbebouwing). Dit betekent dat voor iedere partij grond of baggerspecie die ter plaatse van deze locaties wordt toegepast, de toepassingskaart niet als erkend bewijsmiddel voor de vereiste kwaliteitsklasse kan worden gehanteerd.
In deze uitgesloten gebieden mag alleen schone grond worden toegepast, tenzij:
op de toepassingslocatie bodemonderzoek conform NEN-5740 is uitgevoerd dat uitwijst dat de ontvangende bodem in een andere bodemkwaliteitsklasse valt (wonen of industrie), EN
op de bodemfunctieklassenkaart (zie bijlage 1) de toepassingslocatie in de functieklasse wonen of industrie valt.
In de volgende tabel kan worden afgelezen welke kwaliteit grond maximaal kan worden toegepast.
3.2.4.3Grootschalige toepassingen
Voor de aanleg van grote grondlichamen, kan de initiatiefnemer gebruik maken van het kader voor grootschalige toepassingen uit het Besluit bodemkwaliteit. De volgende ('nuttige') toepassingen mogen onder de noemer van een grootschalige toepassing worden gerealiseerd:
toepassingen van grond in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen;
toepassingen van grond voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving;
toepassing van grond in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen.
Omdat het niet is toegestaan dat de grootschalige bodemtoepassing definitief onderdeel gaat uitmaken van de bodem, kan bij ophogingen van industrieterreinen en woningbouwlocaties niet worden gekozen voor het toetsingskader van een grootschalige bodemtoepassing.
Een grootschalige toepassing op landbodem moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
Minimaal volume: het minimaal volume van de grootschalige toepassing bedraagt 5.000 m3 grond of baggerspecie
Toepassingshoogte: de minimale toepassingshoogte bedraagt 2 meter. Voor wegen en spoorwegen waarop een laag bouwstoffen is toegepast, geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter.
Milieuhygiënische kwaliteit: de kwaliteit van de toe te passen grond mag niet slechter zijn dan de kwaliteitsklasse industrie. Omdat er geen toetsing plaatsvindt aan de kwaliteit van de ontvangende bodem, moet de uitloging voldoen aan de geldende emissiewaarden.
Leeflaag: de toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van minimaal 0,5 meter dikte. De kwaliteitsklasse van deze leeflaag moet voldoen aan de kwaliteit zoals aangegeven op de toepassingskaart. Uitzondering hierop vormen grootschalige toepassingen onder wegen (deze worden afgedekt met een verhardingsconstructie) en bermen en taluds bij rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen (tot maximaal 10 m uit de weg mag grond/baggerspecie van maximaal de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast).
Beheer: de toepassing moet blijvend worden beheerd. Dit betekent dat er een aanwijsbare beheerder moet zijn die de toepassing in stand houdt in de vorm en hoeveelheid waarin deze is toegepast en staat geregistreerd.
Figuur 3.2: Grootschalige bodemtoepassing
Melden
De initiatiefnemer is verplicht om de toepassing minimaal 5 dagen van te voren te melden bij het bevoegde gezag (zie paragraaf 3.4).
3.2.5Wegbermen
Definitie wegberm
Voor de begrenzing van de bermen wordt aangesloten bij de volgende figuren. Deze figuren zijn afkomstig uit een brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009).
Figuur 3.3: Begrenzing bermen
Verwachte bodemkwaliteit
Wegbermen opgenomen in de zone waarin zij grenzen. Verwacht wordt dat de kwaliteit overeenkomstig is met de omliggende bodem. De verwachting is dat wegbermen van provinciale wegen een andere kwaliteit hebben dan omliggende gebieden, dit blijkt ook uit de praktijk van de vier gemeenten (gebiedskennis). Specifiek beleid voor de ‘zone provinciale wegbermen’ is dan ook noodzakelijk. Voor de wegbermen is het daarnaast niet altijd duidelijk of sprake is van een zinkassenweg. Niet elke bekende zinkassenweg zoals opgenomen in de kaart in bijlage ‘zinkassenwegenkaart’ is in de praktijk een zinkassenweg, en omgekeerd. Een niet bekende zinkassenweg kan in de praktijk een zinkassenweg zijn.
Ontgraving van wegbermen: altijd partijkeuring
Omdat de bodemkwaliteit van de wegbermen sterk kan wisselen, moet voorafgaand aan de toepassing altijd een partijkeuring te worden gedaan, tenzij het een tijdelijke uitname betreft, zie paragraaf 3.2.4.1.
Toepassing in wegbermen: verschillende toepassingseisen
Er kan ook grond in wegbermen worden toegepast. De toepassingseisen die voor de verschillende typen wegbermen gelden, zijn samengevat in de onderstaande tabel.
Type wegberm
Toepassingseis
Lokale wegen
Kwaliteitsklasse omliggend gebied (veelal AW2000)
N-wegen (provinciale wegen)
Klasse industrie
Zinkassenwegen
Na verificatieonderzoek naar aanwezigheid zinkassen kwaliteitsklasse industrie.
Tabel 3.4: Toepassingseis in wegbermen
Rijkswegen en spoorwegen
De bermen van rijkswegen en spoorwegen worden tot de witte vlekken (uitgesloten gebieden) gerekend. Voor de regels die gelden in deze witte vlekken wordt verwezen naar paragraaf 3.2.4.2. De bermen vallen in de bodemfunctieklasse 'industrie'.
3.2.6Opbulken van partijen grond
Het opbulken van grond, zoals dat gebeurt in gronddepots, mag uitsluitend worden uitgevoerd door een bedrijf dat is erkend voor de BRL 9335.
3.3Spelregels voor baggerspecie
Vrijkomende baggerspecie kan op vier manieren worden toegepast;
via verspreiden op de aangrenzende percelen;
in een standaard toepassing in de waterbodem;
in een standaard toepassing op de landbodem;
in een grootschalige bodemtoepassing.
Deze nota bodembeheer beperkt zich tot het verspreiden op de aangrenzende percelen. Optie 2, het toepassen in de waterbodem, valt buiten het bevoegde gezag van de gemeenten. Voor de opties 3 en 4 wordt baggerspecie op dezelfde manier als grond behandeld en gelden de regels uit paragraaf 3.2. De kwaliteitsgegevens van de baggerspecie moeten in die gevallen worden omgerekend naar de bodemkwaliteitsklassen die gelden voor grond (schoon, wonen of industrie).
Algemeen
Baggerspecie uit watergangen mag over de naastgelegen percelen worden verspreid mits de milieuhygiënische kwaliteit voldoet. Vooruit lopen op de Omgevingswet mag vrijkomende baggerspecie tot een maximale afstand van 10 km worden toegepast in een weiland depot.
Opgemerkt wordt dat het toetsingskader niet geldt voor het verspreiden van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riooloverstorten (tot 250 meter aan weerszijden van de riooloverstort). Deze baggerspecie wordt als puntbron aangemerkt en dit valt buiten de reikwijdte van het Besluit.
Milieuhygiënische kwaliteit
Voordat baggerspecie op de aangrenzende percelen mag worden verspreid, is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit noodzakelijk. De milieuhygiënische kwaliteit kan worden aangetoond door middel van één van de volgende bewijsmiddelen:
Bodemonderzoek conform NEN 5720
Partijkeuring
De baggerspecie mag worden verspreid als de gehalten voldoen aan de generieke verspreidingsnorm.
In de onderstaande figuur is de normstelling voor verspreiding over aangrenzende percelen schematisch weergegeven.
Figuur 3.4: Normstelling verspreiden baggerspecie
Voorwaarden
Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden:
voor baggerspecie waarvan de milieuhygiënische kwaliteit voldoet aan de generieke verspreidingsnorm geldt de ontvangstplicht;
de baggerspecie mag tot aan de perceelsgrens worden verspreid;
er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteitsklasse of functieklasse van de ontvangende bodem;
het verspreiden van baggerspecie hoeft niet te worden gemeld
Acceptatieplicht
Het Besluit bodemkwaliteit geeft alleen de milieuhygiënische randvoorwaarden, met de bijbehorende reikwijdte, waarbinnen mag worden verspreid. Het Besluit staat verder los van de bevoegdheden, eigendomsverhoudingen en ‘ontvangstplichten’ die rondom het verspreiden van baggerspecie vanuit de Waterstaatswet in de Keur van waterschappen zijn geregeld.
Het Besluit geeft daarnaast ook geen maat voor de laagdikte of hoeveelheden. In de Handreiking Besluit bodemkwaliteit is hierover alleen vermeld dat de hoeveelheid, en de daarmee samenhangende laagdikte, in overleg met de eigenaar van het perceel wordt bepaald.
3.4Melden
Degene die grond of baggerspecie gaat toepassen moet dit melden via het Meldpunt bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl). Dit moet minimaal 5 dagen voor toepassing gebeuren.
Voor grond en baggerspecie geldt de meldingsplicht voor alle toepassingen (inclusief kortdurende en tijdelijke opslag) met uitzondering van:
de toepassing van grond of baggerspecie door particulieren (behalve wanneer de werkzaamheden worden uitbesteed aan een aannemer, in dat geval moet wel een melding worden ingediend);
het verplaatsen van grond of baggerspecie binnen één landbouwbedrijf (de grond/baggerspecie moet in dat geval wel afkomstig zijn van een binnen hetzelfde landbouwbedrijf gelegen perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld).
Onder de term landbouwbedrijf verstaat het Besluit bodemkwaliteit een bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Meststoffenwet. De definitie in de Meststoffenwet luidt: “bedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden”;
het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen;
het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden kleiner dan 50 m³. Voor het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden vanaf 50 m³ moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld;
het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die toepassing wordt aangebracht.
Het bovenstaande ontslaat initiatiefnemers niet van de zorgplicht uit de Wet bodembescherming. Bij vermoedens van het niet voldoen van de kwaliteit van de grond aan de regels van het Besluit is het de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om de grond niet toe te passen of om de kwaliteit te laten onderzoeken. Bovendien kan door het bevoegd gezag handhavend worden opgetreden bijvoorbeeld na klachten uit de omgeving of tijdens het uitoefenen van het reguliere toezicht.
Op de site van het Meldpunt is ook nadere informatie over het melden beschikbaar, zoals welke gegevens moeten worden gemeld. De meldingsformulieren zijn hier te downloaden.
Om de melddiscipline te vergroten zijn in bijlage 3 voor de volgende meest voorkomende situaties stappenschema's toegevoegd waarin de genoemde uitzonderingen zijn verwerkt:
Grondverzet bij nieuwbouw: schema's B1 en B2
Grondverzet bij saneringen: schema S1
Grondverzet bij civiele werken: schema's C1 en C2
De opzet van de schema's is gebaseerd op de regels uit de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit.
Iedere melding wordt direct (elektronisch) doorgezonden aan de omgevingsdienst binnen wiens regio de grond wordt toegepast. Hier wordt de melding gecontroleerd. Wanneer de melding en/of de bijgeleverde gegevens naar het oordeel van de omgevingsdienst onduidelijk, onvolledig of anderszins niet toereikend zijn, zullen door de omgevingsdienst nadere gegevens van de melder worden verlangd. Dit verzoek kan telefonisch, per e-mail of per brief plaatsvinden.
Door de melder kan in principe vijf werkdagen na het melden met de werkzaamheden worden aangevangen. De gemeente neemt namelijk geen formeel besluit op de melding. Een toepasser kan zich niet beroepen op het uitblijven van een reactie van de omgevingsdienst op een melding. De toepasser is en blijft namelijk zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit.
3.5Toezicht en handhaving
Pro-actieve handhaving
De melding geeft de omgevingsdienst de mogelijkheid om te verifiëren of de toe te passen partij en de voorgenomen toepassing voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit. Zoals beschreven in paragraaf 3.4, worden door de omgevingsdienst bij de melder aanvullende gegevens opgevraagd indien de melding en/of de bijgeleverde gegevens onduidelijk, onvolledig of anderszins niet toereikend zijn.
Actieve handhaving
Een deel van de gemelde toepassingen wordt in het veld gecontroleerd. Hierbij wordt onder andere aandacht besteed aan:
Komt de toepassingslocatie overeen met wat in de melding is aangegeven?
Komt het toegepaste volume overeen met de melding?
Komt het toegepaste materiaal overeen met wat is gemeld?
Als blijkt dat de toepassing niet overeenkomt met de melding zullen de toezichthouders er op toezien dat de ongewenste situatie ongedaan wordt gemaakt. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de beschikbare wettelijke hulpmiddelen.
Afhankelijk van de geconstateerde tekortkoming, zal melding worden gedaan bij het toezichtloket Bodem (= Bodemsignaal) van de Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T): https://e-loket.ilent.nl/formulier/nl-NL/DefaultEnvironment/MMi_001.aspx/
Naast gerichte inspecties in relatie tot gemelde toepassingen, kunnen de toezichthouders controles uitvoeren op niet gemelde toepassingen van grond en baggerspecie.
Post-actieve handhaving
Tot slot is het mogelijk om handhavend op te treden door het uitvoeren van een handhavingsonderzoek. Indien het noodzakelijk wordt geacht om tot monsterneming over te gaan, bijvoorbeeld wanneer wordt betwijfeld of de kwaliteit van de toegepaste partij grond of baggerspecie overeenkomt met de gemelde kwaliteit, moeten de bemonstering en het laboratoriumonderzoek plaatsvinden overeenkomstig het daarvoor van toepassing zijnde wettelijke kader.
Daarnaast kan strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk worden opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Wat hierbij bepalend is, is of sprake is van een aandachtspunt zoals beschreven in de HandhavingsUitvoeringsMethode Besluit bodemkwaliteit (HUM-Bbk) . Deze HUM-Bbk is bedoeld om alle handhavende overheidsinstanties, die toezicht houden in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit, ondersteuning te bieden bij het signaleren, beëindigen, ongedaan maken of terugdraaien van een overtreding.
Transport
Opgemerkt wordt dat voor wat betreft grond en baggerspecie het Besluit bodemkwaliteit alleen betrekking heeft op het toepassen hiervan. Derhalve is het bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit niet bevoegd voor het uitvoeren van controles in het kader van transport(- of afvalstoffen)wetgeving. Het bevoegd gezag in relatie tot transport zijn de politie en de provincie. Daarnaast zijn is de IL&T eerstverantwoordelijke voor ketentoezicht in relatie tot het Besluit bodemkwaliteit.
Wel mag een toezichthouder van de omgevingsdienst transporten controleren die gerelateerd zijn aan een toepassing conform het Besluit bodemkwaliteit. Bij het controleren van transporten is samenwerking met de provincie of de politie echter altijd aan te bevelen.
Artikel 3