Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, de wijziging van een bestemming of bij gemeentelijke grondtransacties is in veel gevallen bodemonderzoek vereist. Dit hoofdstuk beschrijft wanneer bodemonderzoek daadwerkelijk nodig is en hoe de gegevens worden getoetst.
4.1Bodemtoets omgevingsvergunning voor bouwen
In artikel 8 van de Woningwet is aangegeven dat een gemeente in de gemeentelijke bouwverordening regels moet opnemen om het bouwen op verontreinigde grond tegen te gaan. De gemeente heeft de taak om alleen een omgevingsvergunning (aspect bouwen) te verlenen als de kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiertoe toetst de gemeente de informatie omtrent de bodemkwaliteit aan de Circulaire bodemsanering. Als de bouwlocatie daaraan niet voldoet, dan kan de gemeente een aanvraag voor een omgevingsvergunning weigeren, of nadere eisen in de vergunning opnemen.
Effectuering omgevingsvergunning voor situaties met een geval van ernstige bodemverontreiniging
De Omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, treedt conform artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in (ernstige) verontreinigingssituaties niet eerder in werking dan nadat door het bevoegd gezag is ingestemd met het saneringsplan of de melding tot saneren (Besluit Uniforme Saneringen) is geaccepteerd.
Conform de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor) moet bij het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning een onderzoeksrapport inzake de gesteldheid van de bodem te worden overlegd.
Vrijstelling van bodemonderzoek
In volgende gevallen kan de gemeente vrijstelling verlenen voor het uitvoeren van een bodemonderzoek:
Het bouwwerk raakt de grond niet of het bestaande feitelijk gebruik blijft gehandhaafd. (voorbeeld dakkapel)
Het te bebouwen oppervlak is kleiner dan 50 m2.
Het bouwwerk heeft geen woon- of verblijfsfunctie, dat wil zeggen dat in het gebouw minder dan twee uur per dag mensen aanwezig zijn; in bijlage 4 is een toelichting hierop gegeven.
Op de bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) valt de locatie binnen de zone schone grond . Toelichting: aangezien in de Bouwverordening is vastgelegd dat ontheffing verleend kan worden bij een omgevingsvergunning (aspect bouwen) omdat er voldoende gegevens bekend zijn met betrekking tot de bodemkwaliteit, wordt de bodemkwaliteitskaart in combinatie met de nota bodembeheer geaccepteerd bij bouwaanvragen op onverdachte locaties.
Historische toets
In de situaties 2 t/m 4 geldt de vrijstelling alleen indien de locatie onverdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging. Hiertoe wordt een historische toets uitgevoerd. In de situaties 2 en 3 wordt dit door de gemeente gedaan. In situatie 4 vult de aanvrager van de vergunning het formulier 'Historische toets' (zie bijlage 5) in. Op basis hiervan beoordeelt de gemeente of vrijstelling verleend kan worden. Als dit niet het geval is, moet de aanvrager alsnog een bodemonderzoek uitvoeren.
Toch bodemonderzoek nodig?
Als de gemeenten geen vrijstelling voor de onderzoeksverplichting verleent, moet de aanvrager van de vergunning een bodemonderzoek overleggen. Het onderzoeksrapport moet voldoen aan de NEN-5740.
Het onderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar en kan maximaal 2 jaar worden verlengd indien aangetoond kan worden dat op de locatie geen bodem bedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Als de initiatiefnemer beschikt over een bodemonderzoek van meer dan 5 jaar maar maximaal 10 jaar oud, mag worden volstaan met een aanvullend bodemonderzoek van alleen de bovengrond (aantal boringen en analyses conform NEN-5740). Voorwaarde is wel dat de inrichting en/of het gebruik van de locatie sinds de uitvoering van het bodemonderzoek niet zijn veranderd.
Indien bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden na uitvoering van het bodemonderzoek, dient het bodemonderzoek geactualiseerd te worden. De opzet van het actualiserend bodemonderzoek is afhankelijk van de aard en omvang van de bodembedreigende activiteiten.
Afbakening onderzoekslocatie
Minimaal moet het bouwvlak, dat wil zeggen het gedeelte waar het bouwwerk wordt gerealiseerd, in het bodemonderzoek worden betrokken.
Bodemonderzoek en slopen
Het verdient de voorkeur om het bodemonderzoek ná de sloop uit te voeren. Indien toch voor het slopen een bodemonderzoek conform NEN 5740 is uitgevoerd, dan dient ná de sloop een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd te worden ter controle op bodemverontreiniging als gevolg van de sloopactiviteiten. Onder andere asbest is hierbij een aandachtspunt als het gebouw vóór 1994 is gebouwd. Een compleet onderzoek conform NEN 5740 zal in de regel niet nodig zijn: er kan volstaan worden met een (grond-)onderzoek gericht op de bovenste 0,5 meter.
4.2Bodemtoets ruimtelijke plannen
Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of projectbesluit.
Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Zie §4.1
Hiervoor kan de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt mits historisch toets geen verdenking aan wijst. Bij verdenking, is dan bodemonderzoek noodzakelijk
4.3Bodemtoets bij grondtransacties
Aan- en verkoop door de gemeente
Bij aan- of verkoop van grond dient in principe een onderzoek inzake de gesteldheid van de bodem te worden uitgevoerd, tenzij er gegronde redenen zijn om hiervan af te wijken, bijvoorbeeld vanwege de geringe omvang van de locatie. Het onderzoeksrapport moet voldoen aan de actuele versie van de NEN-5740. Het onderzoek mag niet ouder zijn dan 5 + 2 jaar middels een historisch onderzoek. Als de initiatiefnemer beschikt over een bodemonderzoek van meer dan 5 jaar maar maximaal 10 jaar oud, mag worden volstaan met een aanvullend bodemonderzoek van alleen de bovengrond. Voorwaarde is wel dat de inrichting van het perceel sinds de uitvoering van het bodemonderzoek niet is veranderd.
Huur, verhuur of erfpacht
Bij huur, verhuur of erfpacht moet minimaal een vooronderzoek conform de NEN-5725 zijn uitgevoerd. De noodzaak voor verkennend bodemonderzoek conform NEN-5740 moet per situatie worden bepaald. Bij huur, verhuur of erfpacht van percelen waar in de toekomst sprake is van bodembedreigende activiteiten, moet altijd een bodemonderzoek conform NEN-5740 plaatsvinden, zowel voorafgaand als na afloop van de huur-/erfpachtperiode.
4.4Verhoogde gehalten metalen in grondwater
In de regio komen verhoogde gehalten aan zware metalen in het grondwater voor. Bij matig tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen dient per situatie bekeken te worden of sprake is van een bodemverontreiniging of natuurlijk verhoogde achtergrondgehalten.
Indien verhoogde gehalten aan zware metalen kunnen worden gerelateerd aan bedrijfsactiviteiten op of in de omgeving van het onderzochte perceel dient altijd een herbemonstering plaats te vinden. Op basis van de resultaten van de herbemonstering dient per geval bepaald te worden of nader onderzoek noodzakelijk is.
Indien de verhoogde gehalten niet gerelateerd kunnen worden aan bedrijfsactiviteiten en er geen sprake is van een verontreiniging van de grond, is vrijwel zeker sprake van een natuurlijk verhoogd achtergrondgehalte. Herbemonstering is dan niet noodzakelijk.
4.5Asbest in de bodem
In Nederland is tot 1993 asbest toegepast. Asbest kan in de bodem terecht zijn gekomen op locaties waar asbest is gebruikt in gebouwen, door het zagen of breken van asbestplaten. Veel vaker is asbesthoudend materiaal in de bodem gekomen door sloopactiviteiten van voor 1997 waarbij het bouwafval gebruikt is in ophooglagen, erfverhardingen of dempingen. Sinds 1997 verplicht het Bouwbesluit om een asbestinventarisatie voorafgaand aan de sloop van gebouwen uit te voeren en het asbest selectief te verwijderen.
De aanwezigheid van asbest in de bodem kan risico’s opleveren voor de volksgezondheid. Om deze reden is onderzoek naar het voorkomen van asbest in de bodem in sommige gevallen verplicht. Asbestonderzoek in de bodem moet conform het onderzoeksprotocol NEN-5707 (bij minder dan 20 % puin in de bodem) of conform het onderzoeksprotocol NEN-5897 (bij meer dan 20 % puin in de bodem) worden uitgevoerd. In de beleidsbrief asbest uit 2004 (van het ministerie van VROM) is de norm voor asbest gesteld op 100 mg/kg, gewogen naar het soort asbest. Het gehalte dient vastgesteld te worden aan de hand van nader asbestonderzoek. Gehalten boven deze norm kunnen aanleiding geven om de bodem te saneren.
Het asbestbeleid van de gemeente is primair gericht op het veiligstellen van de volksgezondheid. De gemeente wil echter ook, in het kader van deregulering de onderzoeksplicht voor burgers en bedrijven zoveel mogelijk beperken en hierin zo goed mogelijk adviseren.
Wanneer is asbestonderzoek verplicht?
Asbestonderzoek is verplicht bij bodemonderzoeken van locaties die op grond van voorinformatie uit terreinbezoek, vooronderzoek of tijdens veldwerkzaamheden verdacht zijn gebleken op het voorkomen van asbest. Dit betreft onder andere:
erven van agrarische bedrijven met bebouwing van voor 1993 of waar voor 1997 sloopwerkzaamheden zijn uitgevoerd;
autosloperijen;
puinhoudende bodemlagen;
oude ophooglagen binnen de bebouwde kom;
4.6Kwalibo
Kwalibo staat voor kwaliteitsborging in het bodembeheer. Dit onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit regelt de kwaliteits- en integriteitseisen waaraan uitvoerders van bodemwerkzaamheden moeten voldoen. Werkzaamheden die alleen mogen worden uitgevoerd door gecertificeerde en erkende bedrijven zijn onder meer:
Monsterneming bij partijkeuringen - erkenning SIKB BRL 1000 verplicht
Veldwerk bij bodemonderzoek - erkenning SIKB BRL 2000 verplicht
Milieukundige begeleiding bij bodemsanering - erkenning SIKB BRL 6000 verplicht
Uitvoering bodemsanering - erkenning SIKB BRL 7000 verplicht
Een overzicht van erkende instanties en personen is te vinden op de site van Bodem+: https://www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu/
Bij de toetsing van bodemonderzoeken en partijkeuringen moet de gemeente controleren of aan de Kwalibo-eisen wordt voldaan. Als dit niet het geval is, moet de gemeente dit melden bij Bodemsignaal; dit is een onderdeel van de IL&T: (https://e-loket.ilent.nl/formulier/nl-NL/DefaultEnvironment/MMi_001.aspx/)
Artikel 4