Naar hoofdinhoud
5.1Saneren van historische bodemverontreiniging ontstaan vóór 1987 Bij bodemverontreiniging ontstaan vóór 1987 moet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging als meer dan 25 m3 grond en/of 100 m3 bodemvolume grondwater sterk verontreinigd is. Asbest vormt een uitzondering op deze regels. Voor asbest is niet 1987 het ijkpunt voor een historische bodemverontreiniging, maar 1993. Indien de asbestverontreiniging is ontstaan vóór 1993 moet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige asbestverontreiniging. Hiervoor geldt geen volumecriterium. Er is sprake is van een geval van ernstige asbestverontreiniging als door middel van nader asbestonderzoek is bepaald dat de bodem meer dan 100 mg/kg aan (gewogen) asbest bevat, ongeacht het verontreinigd bodemvolume. 5.1.1Gevallen van ernstige bodemverontreiniging De provincie Noord-Brabant is conform de Wet bodembescherming bevoegd gezag voor besluiten over gevallen van ernstige bodemverontreiniging tot het in werking treden van de omgevingswet. De noodzaak voor sanering en de aard van de saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. De spoedeisendheid wordt vastgesteld op basis van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Een groot deel van de saneringen handelt de provincie af via het Besluit Uniform Saneren (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. Het aanvullen van een saneringsput valt onder het Besluit bodemkwaliteit. Hiervoor is de gemeente het bevoegde gezag (zie paragraaf 3.2). 5.1.2Gevallen van niet-ernstige bodemverontreiniging Gevallen van niet-ernstige bodemverontreiniging worden afgehandeld door de gemeente die daarvoor de omgevingsdienst Zuidoost Brabant inzet. De initiatiefnemer moet de sanering melden bij de omgevingsdienst en deze houdt toezicht op de uitvoering. Na afloop van de sanering moet de initiatiefnemer een evaluatieverslag overleggen. Eisen aan bodemonderzoek Het bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar. De verontreiniging moet zodanig zijn afgeperkt dat uitgesloten kan worden dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Indien een sterke verontreiniging is aangetoond kan de rapportage niet met 2 jaar worden verlengd maar is bodemonderzoek noodzakelijk. Bodemonderzoek van ná 1 juli 2008 moet voldoen aan de BRL2000. De instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd, moet in het kader van de Kwalibo-regeling erkend zijn door Bodemplus. Eisen aan plan van aanpak en melding voorafgaand aan sanering Minimaal 5 weken voorafgaand aan de sanering meldt de initiatiefnemer de voorgenomen werkzaamheden bij de omgevingsdienst. De melding gebeurt via een plan van aanpak. De omgevingsdienst heeft maximaal 2 weken om de melding te toetsen en geeft schriftelijke goedkeuring. Eisen aan uitvoering De sanering van niet-ernstige gevallen valt niet onder de Kwalibo-regelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding niet gecertificeerd hoeven te zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Dit wordt echter wel sterk aanbevolen. Eisen aan evaluatieverslag Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de omgevingsdienst. De omgevingsdienst heeft 5 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring. 5.2Saneren van nieuwe gevallen van bodemverontreiniging Bodemverontreiniging ontstaan na 1 januari 1987 wordt als een nieuw geval beschouwd en moet direct worden gemeld. Bij de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging kunnen zowel provincie als gemeente het bevoegde gezag zijn: voor nieuwe gevallen binnen Wm-inrichtingen is de gemeente het bevoegde gezag, tenzij sprake is van een provinciale inrichting of overige bevoegde gezagen Wm; voor nieuwe gevallen buiten Wm-inrichtingen is de provincie het bevoegde gezag. Indien het nieuwe geval het gevolg is van een calamiteit (ongewoon voorval), is een specifieke aanpak nodig. In dergelijke situaties is het bevoegd gezag de overheidsinstantie die vergunningverlener is bij Wm-inrichtingen en buiten inrichtingen het overheidsorgaan dat als eerste met de calamiteit wordt geconfronteerd. In beide gevallen is de omgevingsdienst met de uitvoering belast. 5.2.1 Nieuwe gevallen binnen Wm-inrichtingen Inrichtingen beschikken over een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer (Wm) of vallen onder het Activiteitenbesluit. Vaak zijn in de vergunning bepalingen opgenomen over bodemverontreiniging en het uitvoeren van nulsituatie- en eindsituatiebodemonderzoek. Verder kan het bevoegde gezag in de zin van de Wet milieubeheer terugvallen op de algemene zorgplichtbepaling uit de Wet bodembescherming (art. 13). Binnen gemeentelijke inrichtingen is de gemeente bevoegd om handhavend op te treden op grond van artikel 13 van de Wbb. Op meerdere manieren kan een nieuwe bodemverontreiniging aan het licht komen: De handhaver constateert de bodemverontreiniging, bijvoorbeeld na de uitvoering van een nul- of eindsituatiebodemonderzoek of tussentijdse (grondwater)monitoring. De veroorzaker meldt zelf dat sprake is van bodemverontreiniging, bijvoorbeeld na het uitvoeren van bodemonderzoek op eigen initiatief. Melding door derden. De gemeente bepaalt de randvoorwaarden voor de aanpak van de geconstateerde bodemverontreiniging. Volgens artikel 1.1a uit de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet bodembescherming is de veroorzaker verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd. In principe betekent dit dat de verontreiniging volledig wordt verwijderd, waarbij als terugsaneerwaarde de lokale bodemfunctieklasse uit de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart mag worden gehanteerd. Complexe gevallen, bijvoorbeeld onder bebouwing, kunnen echter maatwerk vereisen. De initiatiefnemer moet de sanering melden bij de omgevingsdienst en deze houdt toezicht op de uitvoering. Na afloop van de sanering moet de initiatiefnemer een evaluatieverslag overleggen. Eisen aan bodemonderzoek Het bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan 5+2 jaar. In principe moet het geval worden afgeperkt tot de bodemfunctieklasse zoals weergegeven op de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart, of het niveau zoals vastgesteld bij eerder nulsituatieonderzoek. De mate van afperking moet dusdanig zijn dat een oplossingsrichting voor de verontreinigingsproblematiek kan worden bepaald. Bodemonderzoek van ná 1 juli 2008 moet voldoen aan de BRL2000. De instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd, moet in het kader van de Kwalibo-regeling erkend zijn door Bodemplus. Eisen aan plan van aanpak en melding voorafgaand aan sanering Minimaal 5 weken voorafgaand aan de sanering meldt de initiatiefnemer de voorgenomen werkzaamheden bij de omgevingsdienst. De melding gebeurt via een plan van aanpak. Voor complexe gevallen kan het bevoegde gezag aanvullende eisen stellen. De omgevingsdienst heeft namens de gemeenten 5 weken om de melding te toetsen en geeft schriftelijke goedkeuring. Eisen aan uitvoering De sanering van nieuwe gevallen valt onder de Kwalibo-regelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding gecertificeerd en erkend moeten zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Eisen aan evaluatieverslag Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de omgevingsdienst. De omgevingsdienst heeft namens de gemeenten 5 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring. 5.2.2 Nieuwe gevallen buiten Wm-inrichtingen Voorbeelden van nieuwe bodemverontreiniging buiten inrichtingen zijn: Verontreiniging van wegbermen na 1 januari 1987. Verontreiniging van de bodem als gevolg van de aanleg van een werk in het kader van het Besluit bodemkwaliteit (door onverwacht hoge uitloging of vermenging met de bodem). In tegenstelling tot situaties binnen inrichtingen is een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer niet van toepassing. Hierdoor blijven de gevallen vaak onopgemerkt tot het moment dat er bodemonderzoek in een ander kader plaatsvindt of er een vermoeden bestaat dat er iets aan de hand is. Er is ook niet altijd een duidelijke veroorzaker aan te wijzen. Wanneer de veroorzaker niet bekend is, kan worden teruggevallen op de saneringsparagraaf uit de Wet bodembescherming. De provincie is het bevoegde gezag voor het beoordelen en handhaven van deze bodemverontreiniging Wanneer de omgevingswet van kracht is, wordt de Wet bodembescherming ingetrokken en dienen de nieuwe regels opgevolgd te worden. 5.2.3Calamiteiten (ongewone gevallen) Wanneer door een ongeval of een ander ongewoon voorval de bodem verontreinigd raakt of dreigt te raken, dient de veroorzaker onverwijld maatregelen te nemen om (verspreiding van) de verontreiniging te voorkomen. Als de bodem al verontreinigd is geraakt, moet hij deze zo snel mogelijk ongedaan maken. Dit is vastgelegd in artikel 13 van de Wet bodembescherming, het zorgplichtbeginsel. Direct handelen is nodig als: de verontreiniging zich snel verspreidt; de verontreiniging kort geleden is ontstaan; de verontreiniging eenvoudig is op te ruimen door ontgraving. In principe moet de veroorzaker in de gelegenheid worden gesteld om de benodigde acties te ondernemen. Als de geboden spoed zich hiertegen verzet, kan het bevoegde gezag de acties (laten) uitvoeren en deze in rekening brengen bij de veroorzaker. Er is dan sprake van rauwelijkse bestuursdwang, zoals vastgelegd in artikel 5.24 van de Awb ('geen termijn als de geboden spoed dit eist'). De veroorzaker moet wel zo spoedig mogelijk schriftelijk aansprakelijk worden gesteld. Het bevoegd gezag is: Binnen Wm-inrichtingen: de overheidsinstantie die, net als bij de reguliere nieuwe gevallen van bodemverontreiniging, vergunningverlener is. Buiten Wm-inrichtingen: het overheidsorgaan dat als eerste met de calamiteit wordt geconfronteerd. In de praktijk wordt dit uitgevoerd onder de regeling “regeling verwijdering calamiteuze stoffen (RVCS)” en zal de omgevingsdienst in beide situaties de uitvoerende taken verzorgen. Eisen aan bodemonderzoek Indien direct handelen vereist is, is het zaak dat de verontreiniging direct wordt ontgraven. Voorafgaand bodemonderzoek kan dan achterwege worden gelaten. De ontgravingsgrenzen worden tijdens de sanering vastgesteld. Indien sprake is van een situatie waar direct handelen niet nodig is, is het beter om eerst een bodemonderzoek uit te voeren. Eisen aan melding De veroorzaker moet de calamiteit melden aan de omgevingsdienst of via de Milieuklachtenlijn. Indien sprake is van een situatie waar direct handelen niet nodig is, moet de veroorzaker een schriftelijke melding doen, zoals beschreven in paragraaf 5.2. Eisen aan uitvoering sanering Het saneren van bodemverontreiniging als gevolg van calamiteiten valt onder de Kwalibo-regelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding gecertificeerd en erkend moeten zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Uitzondering vormen situaties waarin direct handelen is vereist. In dat geval hoeft de aannemer niet gecertificeerd te zijn voor de BRL-7000. Indien geen bodemonderzoek is uitgevoerd, bepaalt de milieukundig begeleider in het veld de ontgravingsgrenzen van de sanering. Eisen aan evaluatieverslag Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente. De gemeente heeft 5 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring. 5.3Saneren van asbest Asbest in grond Als uit nader asbestonderzoek blijkt dat er sprake is van grond waarin de interventiewaarde van 100 mg/kg (gewogen) asbest wordt overschreden, spreken we van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze gevallen worden behandeld overeenkomstig het gestelde in de paragrafen 5.1 (asbestverontreiniging ontstaan voor 1993) en 5.2 (asbestverontreiniging ontstaan na 1993). Asbestwegen Onder asbestwegen wordt verstaan een weg, een pad of een erf, alsmede andere grond die bestemd is om door rij en ander verkeer gebruikt te worden. Het is sinds 1 januari 2000, op basis van het Besluit asbestwegen milieubeheer, verboden om een asbesthoudende weg in eigendom te hebben. Wanneer er meer dan 100 mg/kg gewogen asbest in een weg zit, is de eigenaar verplicht een melding te doen bij het ministerie van I&W en maatregelen te nemen die strekken tot het tegengaan van blootstelling van gebruikers van die weg aan asbest. Hierbij zijn twee opties: Weg aangelegd vóór 1987: de asbestverontreiniging mag worden geïsoleerd door middel van het aanbrengen van een verharding; Weg aangelegd na 1 januari 1987: de asbestverontreiniging moet worden verwijderd. Wegen die voor 1 juli 1993 zijn aangebracht en waarvan het asbest is afgeschermd door een verharding die geen asbest bevat, vallen niet onder de meldplicht. De IL&T ziet toe op de handhaving van het Besluit asbestwegen milieubeheer. Overige situaties Overige situaties zijn bijvoorbeeld (sloot)dempingen met asbest. Deze situaties vallen onder het Productenbesluit asbest. Hierin staat het verbod om asbest of asbesthoudende producten te vervaardigen, in Nederland in te voeren, voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen, toe te passen of te bewerken. Ook hier geldt dat sprake is van een asbesthoudend product als de concentratie gewogen asbest groter is dan 100 mg/kg. Het bevoegd gezag berust bij: Binnen inrichtingen: de overheidsinstantie die de Wm-vergunning heeft verleend. Buiten inrichtingen: de gemeente. Bevoegde gezagen In de volgende tabel is een samenvattend overzicht gegeven van de bevoegde gezagen en de meldingsplicht bij de gemeente. Dit wijzigt na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Situatie Bevoegd gezag Meldingsplicht gemeente Erfverharding/asbestwegen Rijk Ja Asbest in bodem Provincie Ja Overige situaties binnen inrichtingen buiten inrichtingen Vergunningverlener (gemeente/provincie) Gemeente ja ja Tabel 5.1: Bevoegd gezag bij saneren asbest

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel