1. De hoogte van het Pgb voor aanschaf van een vervoersvoorziening is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening in natura.

2. De goedkoopst adequate vervoersvoorziening blijkt uit een door het college goedgekeurde kostenbegroting, uit een door de gemeente met een gecontracteerde leverancier afgesloten overeenkomst, of de laagst geoffreerde aanschafprijs.

3. Indien een pgb voor aanschaf van een vervoersvoorziening wordt verstrekt, kan zo nodig ook een pgb voor onderhoud, service en verzekering (instandhoudingskosten) worden toegekend.

4. Het pgb voor onderhoud, service en verzekering wordt jaarlijks betaald gedurende de technische levensduur van de vervoersvoorziening.

5. De hoogte van een pgb voor instandhoudingskosten bedraagt het door het college vastgestelde tarief of het goedkoopst geoffreerde tarief. De door de het college vastgestelde tarieven zijn:

Soort voorziening

Bedrag

Handbewogen rolstoelen

Actief

€ 73,28

Actief en incidenteel

€ 31,85

Semi-permanent

€ 94,12

Permanent

€ 127,53

Elektrische rolstoelen

Elektrische rolstoel

€ 372,33

Scootmobielen

Scootmobiel

€ 246,67

Aangepaste fietsen

Driewielfiets

€ 67,27

Tandem

€ 94,39

Elektrische fiets

€ 63,96

Voorzieningen kinderen

Duwwandelwagen

€ 85,68

Handbewogen rolstoel

€ 97,24

Elektrische rolstoel

€ 401,03

6. Indien de inwoner het pgb aanwendt voor het huren van een vervoersvoorziening ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag, gedeeld door het aantal gebruiksjaren. Voor een vervoersvoorziening wordt een economische afschrijvingstermijn van 7 jaren gehanteerd.

7. De vervoersvoorzieningen in natura worden in bruikleen verstrekt.

8. Vervoersvoorzieningen verstrekt in de vorm van een pgb kunnen worden teruggevraagd bij overlijden van de cliënt, het niet adequaat zijn van de voorziening of indien er geen gebruik meer wordt gemaakt van de voorziening. De restwaarde van de vervoersvoorziening kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald:

Bij overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening of geen gebruik maken van de voorziening

Restwaarde als percentage van het verstrekte persoonsgebonden budget

Eerste jaar

60%

Tweede jaar

50%

Derde jaar

40%

Vierde jaar

30%

Vijfde jaar

20%

Zesde jaar

10%

Zevende jaar

0%