1. De hoogte van het Pgb voor aanschaf van een woonvoorziening is gelijk aan de kostprijs van de adequate en financieel voordeligste woonvoorziening in natura.

2. De adequate en financieel voordeligste woonvoorziening blijkt uit door ten minste drie uitvoerders laagst geoffreerde bedrag.

3. Indien een Pgb voor aanschaf van een woonvoorziening wordt verstrekt, kan zo nodig ook een Pgb voor instandhoudingskosten worden toegekend.

4. Het Pgb voor instandhoudingskosten wordt jaarlijks betaald gedurende de technische levensduur van de woonvoorziening.

5. De hoogte van een pgb voor instandhoudingskosten bedraagt het door het college vastgestelde tarief of het goedkoopst geoffreerde tarief. De door de het college vastgestelde tarieven zijn:

Tilliften

Tillift

€ 118,69

Douche- en toiletstoelen

Douche- en toiletstoel

€ 22,13

6. De vergoeding wordt door de gemeente aan de persoon die de facturen heeft betaald, uitbetaald, na overleg van de gereedmelding en facturen van de gerealiseerde aanpassingen.

7. Als de cliënt een bouwkundige woningaanpassing in natura wenst, betaalt de gemeente de facturen, aan de aannemer.

8. Woonvoorzieningen in natura als bedoeld in artikel 3.8 van de Verordening duurder dan € 350,- worden in bruikleen verstrekt.

9. Indien het college een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing (uitbouw, badkamer of keuken) heeft verstrekt en woning wordt binnen 10 jaar nadat de woningaanpassing is verstrekt verkocht, dan dient de meerwaarde van de woninggaanpassing – onder verrekening van de voldane eigen bijdrage als bedoeld in artikel 8.2 van de Verordening Wmo Almelo 2019 - door de woningaanpassing te worden terugbetaald aan het college tot maximaal de kostprijs van de woningaanpassing.

10. Woonvoorzieningen verstrekt in de vorm van een pgb kunnen worden teruggevraagd bij overlijden van de cliënt, het niet meer adequaat zijn van de voorziening of bij verhuizen van de cliënt. De restwaarde van het woningaanpassing kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald:

Bij overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening of bij verhuizen

Restwaarde als percentage van het verstrekte persoonsgebonden budget

Eerste jaar

60%

Tweede jaar

50%

Derde jaar

40%

Vierde jaar

30%

Vijfde jaar

20%

Zesde jaar

10%

Zevende jaar

0%