De kernen van de gemeente Lopik worden omringd door landelijk gebied, met open weidse weilanden welke gemakkelijk ruimte bieden aan een ontwikkeling van maximaal 50 woningen. Echter is het niet wenselijk om zondermeer ergens een uitbreidingswijk aan een kern te plakken. Maar is het goed om te kijken of de voorgenomen locatie wel een wenselijke locatie is voor een uitbreiding van de bestaande kern. Indien een initiatiefnemer een initiatief indient zal daarom in het kader van het principeverzoek naar de wenselijkheid gekeken worden van de bijbehorende locatie. Hierbij worden de volgende aspecten bekeken:
3.1.1De locatie dient aan te sluiten aan de bestaande bebouwing
De gekozen locatie voor de ontwikkeling van de woningen dient aansluitend te zijn aan de bestaande bebouwing van de kern. Dat houdt in dat er geen (open) percelen liggen tussen de planlocatie en de contour die de provincie Utrecht heeft aangegeven tussen landelijk- en stedelijk gebied in haar ruimtelijke verordening. De locatie dient een logische geheel te vormen met de bestaande bebouwing, zodat de ontwikkeling ook onderdeel wordt van de bestaande kern en geen op zichzelf staande wijk vormt.
3.1.2 De locatie dient aan/nabij een hoofdverkeersas van de kern te liggen ten behoeve van een goed verkeersplan.
De verkeersafwikkeling van een uitbreiding van het aantal woningen van een kern is een belangrijk punt. De meeste kernen in de gemeente Lopik liggen aan een lint, dit is de hoofdverkeersas voor deze dorpen als het gaat om verkeersstromen van en naar deze dorpen. Daarnaast hebben de kernen Lopik, Cabauw en Jaarsveld een aansluiting op de provinciale weg de N210, waar via de verkeersafwikkeling grotendeels plaatsvind. Om een uitbreiding van een van onze kernen toe te kunnen staan is een goed verkeersplan enorm belangrijk. Het qua locatie dan ook wenselijk dat de locatie aan/nabij een van deze hoofdverkeersassen van de kern ligt. Daarnaast is het voor de kernen Uitweg, Lopikerkapel en deels voor Jaarsveld van belang dat sluipverkeer via de Lekdijk zoveel mogelijk beperkt wordt. Een ontsluiting daarop voor gemotoriseerd verkeer is daarom minder of niet wenselijk.
3.1.3.De locatie dient niet in contrast met de bestaande landschappelijke lijnen te zijn.
De kernen in de gemeente Lopik zijn gelegen aan langgerekte linten, ontstaan uit de typische verkaveling van dit gebied als gevolg van de wijze van inpolderen. Een nieuwe uitbreidingen van een kern mag niet in contrast staan met deze bestaande landschappelijke lijnen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat er geen bebouwing over een wetering, dijk of anderszins 2e lijn parallel aan het lint gebouwd wordt. Voorbeelden hiervan zijn: de Achterwetering (Benschop), Eerste wetering, Achterdijk, Cabauwsewetering etc. Eventuele ontwikkelingen van de (nieuwe) kernrandzone zoals recreatie of recreatieve verbindingen die in het plan worden opgenomen kunnen eventueel wel achter deze lijn worden gerealiseerd. De landschappelijke inpasbaarheid en daarmee ruimtelijke kwaliteit zal hierbij altijd voorop staan.
3.1.4Het initiatief is niet primair een uitbreiding van de kern
Naast een beoordeling van de locatie ten opzichte van de bebouwing, infrastructuur en landschappelijke lijnen wordt ook gekeken naar de toegevoegde waarde van de ontwikkeling in bredere zin. De ontwikkeling mag niet primair een uitbreiding van het aantal woningen betreffen. Maar het initiatief moet gekoppeld zijn aan een afname van belastende activiteiten op de fysieke leefomgeving of aan de instandhouding van kwaliteiten van/in de kern die anderszins verloren dreigen te gaan. Opheffen van een belastende activiteit voor de fysieke leefomgeving kan bijvoorbeeld de sanering/verplaatsing van een (agrarisch) bedrijf in of nabij de kern met grote milieu impact op zijn directe omgeving (geur, geluid, stof, externe veiligheid) en/of belastende verkeersbewegingen zijn. Ook kan het initiatief gekoppeld zijn aan bestaande kwaliteiten die anders dreigen verloren te gaan. Hierbij kan gedacht worden aan de renovatie van een monument of de instandhouding van een maatschappelijke voorziening.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1