Het centrale instrument in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de omgevingsvergunning, voegt een aantal vergunningen en toestemmingen samen, waaronder:

  • - de bouwvergunning ingevolge de Woningwet;
  • - de gebruiksvergunning en melding ingevolge het Gebruiksbesluit;
  • - de milieuvergunning ingevolge de Wet milieubeheer;
  • - afwijken of strijdig gebruik van het bestemmingsplan of aanlegvergunning ingevolge de Wet ruimtelijke ordening.

Voor een compleet overzicht wordt verwezen naar het ‘Overzicht reikwijdte omgevingsvergunning van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu’ [9]. Als er een omgevingsvergunning wordt ingediend, wordt deze getoetst aan de geldende indieningvereisten, zoals deze zijn opgenomen in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) [10]. omgevingsvergunning voor het bouwen en/of voor het afwijken van het bestemmingsplan

9.2.1 Bestemmingsplannen en afwijken van bestemmingsplannen.

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting voor onderzoek naar de bestaande toestand en de gewenste kwaliteit van de bodem opgenomen. Daarnaast moet de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk worden gemaakt. In het Besluit ruimtelijke ordening is niet vastgelegd hoe de bodem onderzocht moet worden. Dit betekent dat de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek conform NEN5725 als bewijsmiddel mag dienen voor een bestemmingswijziging.

In paragraaf 9.2.3 is invulling gegeven aan de procedures voor bodemonderzoek bij bestemmings- en/of functiewijziging, de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen en de aan- en verkoop van percelen. Indien op de te ontwikkelen locatie sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging dient eerst inzicht te zijn in de saneringskosten en dient er ambtelijke overeenstemming te zijn tussen het bevoegd gezag Wet bodembescherming (GS/DCMR) en het bevoegd gezag Wet ruimtelijke ordening (b&w van de betreffende gemeente) alvorens ingestemd kan worden met een bestemmingswijziging.

Indien geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, zijn er in dat kader doorgaans geen belemmeringen voor een bestemmingswijziging. Dit is weergegeven in bijlage 8. De procedurele afhandeling zal plaatsvinden volgens de gangbare procedure in de Wet ruimtelijke ordening.

Het toetsingskader binnen de Wet ruimtelijke ordening ligt vast. Zowel bij het opstellen van bestemmingsplannen als bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van bestemmingsplannen zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet:

  • - worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming;
  • - worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen;
  • - in de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen worden meegenomen.

9.2.2 Omgevingsvergunning voor het bouwen

In artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht is opgenomen dat een bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden door een persoon of instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit (Kwalibo). Op basis hiervan stellen de gemeenten Barendrecht of Ridderkerk dat een bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd dient te worden. In enkele gevallen kan op basis van de bouwverordening geheel of gedeeltelijk worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een bodemonderzoeksrapport voor het uitvoeren van een volledig bodemonderzoek. Dit omdat wordt voldaan aan ten minste één van de volgende voorwaarden:

  • - het bouwen heeft betrekking op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht (Bor), artikelen 2 en 3 van bijlage II;
  • - er zijn al voldoende (bruikbare) recente gegevens met betrekking tot de bodemgesteldheid aanwezig;
  • - het bouwen heeft betrekking op een bouwwerk, waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
  • - het desbetreffende bouwwerk raakt de grond niet of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

Ook voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen is het mogelijk om de

bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek als bewijsmiddel te gebruiken in plaats van een bodemonderzoek conform NEN5740. In paragraaf 9.2.3 is invulling gegeven aan de procedures voor bodemonderzoek bij bestemmings-en/of functiewijziging , bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen en aan- en verkoop van percelen.

9.2.3 Bodemonderzoek bij ruimtelijke procedures en aan- en verkoop van percelen.

Met uitzondering van de voorwaarden genoemd in paragraaf 9.2.2 dient voor een bestemmingswijziging en een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen altijd een vooronderzoek conform NEN5725 uitgevoerd te worden. Indien uit dit vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging kan de bodemkwaliteitskaart in combinatie met het vooronderzoek als bewijsmiddel dienen. Er zijn echter enkele uitzonderingen.

De bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek is géén geldig bewijsmiddel in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of bestemmingsplanprocedure wanneer:

  • - de locatie in de lintzones van zones 4 of 5 is gelegen.
  • - Uit de statistische berekeningen blijkt dat deze lintzones een zeer heterogene dataset hebben en/of dat er veel uitbijters zijn aangetroffen. Dit betekent dat de bodemkwaliteitskaart voor deze zones onvoldoende zekerheid geeft over de daadwerkelijke kwaliteit. In deze lintzones dient dus altijd een vooronderzoek conform NEN5725 en een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd te worden;
  • - uit het vooronderzoek conform NEN5725 blijkt dat de locatie of een gedeelte van de locatie verdacht is.

In dat geval dient altijd minimaal een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd te worden.

In bijlage 9 is één en ander nogmaals visueel weergegeven.

Bij aan- of verkoop van percelen wordt geadviseerd altijd een verkennend bodemonderzoek uit te voeren.

Eventueel grondverzet ten gevolge van een bestemmingswijziging of een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen dient gemeld te worden bij het landelijke meldpunt: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. De spelregels voor grondverzet zijn toegelicht in hoofdstuk 6, die voor het melden van grondverzet in hoofdstuk 8.

Opgemerkt wordt dat de bodemkwaliteitskaart in combinatie met het vooronderzoek conform NEN5725 als bewijsmiddel mag dienen binnen te doorlopen procedures. Dit is echter nadrukkelijk de keuze van de initiatiefnemer. Hij of zij mag er ook voor kiezen om toch een bodemonderzoek uit te laten voeren. Voordat deze keuze wordt gemaakt zal men zich van voor- en nadelen en eventuele risico’s moeten vergewissen. Daarom wordt aanbevolen om bij twijfel contact op te nemen met de betreffende gemeente. Indien de initiatiefnemer er voor kiest om gebruik te maken van de bodemkwaliteitskaart kan het zijn dat tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden zaken worden aangetroffen die onderzoek alsnog noodzakelijk maken. In het kader van andere regelgeving (b.v. Arboregelgeving) kan het ook noodzakelijk zijn dat er toch bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.

Indien op een locatie sprake is, of een redelijk vermoeden bestaat van een geval van ernstige bodemverontreiniging, dan treedt de omgevingsvergunning pas in werking:

  • - nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is en het desbetreffende besluit in werking is getreden, of
  • - met het saneringsplan is ingestemd en het desbetreffende besluit in werking is getreden, of
  • - een melding van een voornemen tot sanering is gedaan en de wettelijke termijn na indiening van deze melding is verstreken.

Voor de bijbehorende voorwaarden en regels wordt verwezen naar de omgevingsvergunning.