Van alle stoffen in de bovengrond van gebieden waar gewoond wordt, geeft lood de meeste kans op gezondheidsrisico’s, vooral voor kinderen in de leeftijd tot 6 jaar. Kinderen kunnen via hand-mond gedrag (ingestie) lood binnenkrijgen bij het spelen op plekken met loodhoudende grond. Zo kan lood in het lichaam opgenomen worden. Deze loodbelasting kan boven bepaalde gehalten een nadelig effect hebben op het leervermogen van kinderen en kan leiden tot verlies aan IQ-punten. Volgens de laatste inzichten kunnen al gezondheidseffecten aan de orde zijn bij kleine kinderen bij een loodconcentratie boven 100 mg/kg d.s. in de bodem.
Generieke kader
Tuinen worden in het Besluit bodemkwaliteit niet per definitie als een gevoelige functie beschouwd. Dat betekent dat er naast klasse L/N-grond ook klasse Wonen-grond toegepast mag worden. De Maximale Waarde voor klasse Wonen-grond bedraagt voor de parameter lood
210 mg/kg (voor een standaardbodem). Dat ligt aanzienlijk hoger dan de door de GGD aanbevolen maximale norm van 100 mg/kg.
Gebiedsspecifieke kader
De gemeente heeft zich als doel gesteld om kinderen niet bloot te stellen aan grond die meer dan 100 mg/kg aan lood bevat. Het zou daarom onlogisch zijn om toe te staan dat grond die meer dan 100 mg/kg kan bevatten in tuinen wordt toegepast. Om een hoog beschermingsniveau ten aanzien van blootstelling van lood bij kinderen te waarborgen, kiest de gemeente IJsselstein ervoor om het loodgehalte in grond die in particuliere tuinen wordt toegepast, te begrenzen op 100 mg/kg. Dat betekent dat het alleen toegestaan is om op particuliere tuinen klasse Wonen-grond toe te passen als het loodgehalte aantoonbaar onder de 100 mg/kg ligt.
Toepassingsbereik
De toepassingseis (klasse Wonen-grond met restricties aan het loodgehalte) voor het toepassen van grond op een perceel met bodemgebruik wonen met tuin, geldt voor:
Alle grondsoorten, ongeacht de herkomstlocatie.
Voor grond afkomstig van buiten het “Bodembeheergebied IJsselstein”, geldt de Generieke toepassingseis. Deze is afhankelijk van de uitkomst van de toets aan functie en heersende bodemkwaliteit (dubbele toets). De strengste van deze twee toetsingen bepaald de geldende toepassingseis.
5.4.4Toepassen van grond op bedrijfs- en industrieterreinen
Generieke kader
In het Generieke kader is het toepassen van klasse Industrie grond op bedrijfs- en industrieterreinen alleen toegestaan als aan de volgende eisen voldaan wordt:
Het betreffende bedrijfs- of industrieterrein is op de Bodemfunctieklassenkaart ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie én
De toe te passen grond voldoet aan de kwaliteit die hoort bij de bodemfunctieklasse Industrie (klasse Industrie-grond of betere kwaliteit) én
De toe te passen grond heeft een kwaliteit die gelijk is aan of beter is dan de heersende bodemkwaliteit van de zone waarin het betreffende bedrijfs- of industrieterrein is gelegen.
De in IJsselstein onderscheiden bodemkwaliteitszones zijn in paragraaf 4.2, tabel 5 weergegeven. Daarbij is vermeld wat de heersende bodemkwaliteit is in de betreffende zone, voor de bovengrond en voor de ondergrond. Op de Bodemfunctieklassenkaart (zie bijlage 5 van deze Nota) is de indeling in bodemfunctieklassen weergegeven. Bedrijfs- en industrieterreinen zijn op deze kaart ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie (rode gebieden op de kaart).
Gebiedsspecifieke kader
Toepassen van klasse Industrie-grond:
Gemeenten kunnen via Gebiedsspecifiek beleid de mogelijkheid creëren om op bedrijfs- en industrieterreinen grond tot maximaal klasse Industrie, toe te mogen passen of het toepassen van klasse Industrie-grond te verbieden, ongeacht de heersende bodemkwaliteit van de ontvangende grond. De gemeente IJsselstein kiest voor beide mogelijkheden.
Waar geldt het verbod om klasse Industrie-grond toe te passen:
In het Generieke beleid is het toepassen van klasse Industrie-grond mogelijk op een bedrijfsterrein dat gelegen is binnen het gebied IJsseloevers en omsloten wordt door de Hollandsche IJssel, Poortdijk, Utrechtseweg en Zomerweg. De gemeente IJsselstein vindt het echter ongewenst dat hier klasse Industrie-grond toegepast kan worden en wil daarom deze mogelijkheid verbieden. Reden hiervoor is dat het betreffende bedrijfsterrein omsloten wordt door gebieden met hoofdbestemming Wonen. In onderstaande afbeelding is de ligging van dit bedrijfsterrein weergegeven.
Figuur 5: Ligging van het bedrijfsterrein waar geen klasse Industrie-grond toegepast mag worden
Waar mag wel klasse Industrie-grond toegepast worden:
Het toepassen van klasse Industrie-grond wordt uitsluitend toegestaan op de volgende bedrijfs- en industrieterreinen:
Lagedijk;
Over Oudland;
De Kroon.
Figuur 6: Ligging van de bedrijfsterreinen waar wel klasse Industrie-grond toegepast mag worden
Het toepassen van klasse Industrie-grond wordt uitsluitend toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
Er is geen andere afzetmogelijkheid van klasse Industrie-grond op een redelijke afstand;
De toepassing vindt integraal en aaneengesloten plaats en de toepassing heeft geen grotere omvang dan voor het doel van het werk noodzakelijk is.
Toepassingsbereik
De mogelijkheid voor het toepassen van klasse Industrie-grond op de aangewezen bedrijfs- en industrieterreinen geldt alleen voor grond afkomstig van binnen het “BodembeheergebiedIJsselstein”. Dit gebied omvat IJsselstein en enkele buur- en regiogemeenten (zie par. 5.2 en de uitsnede op de kaart in bijlage 4D). Voor grond afkomstig van buiten het “Bodembeheer- gebied IJsselstein”, geldt dat de grond moet voldoen aan klasse Wonen of een betere kwaliteit.
Let op:
Bij de toepassing van grond op bedrijfs- en industrieterreinen gelden de overige (gebieds- specifieke) beleidsregels die in par. 5.4 beschreven worden, onverkort. Dat betekent o.a. dat de beleidsregel die in paragraaf 5.4.3 beschreven wordt, ook geldt voor het toepassen van grond in tuinen van bedrijfswoningen.
5.4.5Uitwisselen van grond tussen bermen van (spoor)wegen
Generieke kader
In het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit wordt de mogelijkheid tot grondverzet bij wegbermen bepaald op basis van de bodemfunctie én de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. De strengste van deze twee bepaalt de toepassingseis. De bodemfunctie wordt vastgelegd in een Bodemfunctieklassenkaart. Wegbermen vallen doorgaans onder de bodemgebruikscategorie “anders groen, infrastructuur en industrie” en kunnen daarom in het Generieke kader worden ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. Dat is niet in alle gevallen wenselijk, bijvoorbeeld als het gaat om een weg met weinig verkeersbelasting gelegen in een woongebied of in een ecologisch beschermingsgebied. Daar is het toepassen van klasse Industrie-grond niet wenselijk. Milieuverantwoorde uitwisseling van grond tussen wegbermen binnen de gemeente, op een eenvoudige en kosteneffectieve wijze mogelijk maken, in bermen van druk bereden wegen is wel wenselijk.
In relatief onbelaste bermen mag in het Generieke kader alleen klasse L/N-grond toegepast worden en in bermen van wegen die gelegen zijn in woongebieden mag alleen klasse Wonen- grond toegepast worden, mits de ontvangende bodem ook kwaliteitsklasse Wonen heeft. In bermen van doorgaande wegen buiten de bebouwde kom mag in het Generieke kader vaak alleen klasse L/N-grond toegepast worden, omdat het buitengebied doorgaans ingedeeld wordt in de bodemfunctieklasse Natuur/Landbouw. Ook al zouden alle wegbermen in het buitengebied ingedeeld worden in de bodemfunctieklasse Industrie, dan zou het toepassen van klasse Industrie-grond in het Generieke kader nog niet mogelijk zijn, omdat het buitengebied meestal schoon is en in het Generieke kader moet getoetst worden aan de functie-eis (voldoet) en aan de kwaliteitseis (voldoet niet), omdat door de toepassing de heersende bodemkwaliteit verslechterd.
Gebiedsspecifieke kader
De kwaliteit van bermgrond kent in werkelijkheid veel variaties en wordt veelal gekenmerkt door verhoogde gehalten aan zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Dit als gevolg van uitlaatgassen van het wegverkeer, afstromend regenwater, toepassing van teerhoudend asfalt in de naastgelegen weg of uitloging van metalen vangrails. De bodemkwaliteit van wegbermen varieert daardoor van schoon tot sterk verontreinigd.
De gemeente wil toch bermgrond, waar dit nuttig en milieuverantwoord is, op een eenvoudige wijze kunnen hergebruiken binnen de eigen gemeente Om dit mogelijk te maken heeft de gemeente voor dit onderdeel Gebiedsspecifieke beleidsregels vastgesteld. Daartoe worden de
bermen van provinciale wegen en rijkswegen buiten de bebouwde kom “administratief”
ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. 8 Let op: Dit is op de Gebiedsspecifieke toepassingskaart (bijlage 4D) niet zichtbaar, omdat bermen op de Bodemfunctieklassenkaart niet apart ingedeeld zijn in een bodemfunctieklasse
De hoofdregels van het Gebiedsspecifieke beleid voor dit onderdeel zijn:
Grond uit onverdachte wegbermen mag zonder bodemonderzoek of partijkeuring worden hergebruikt in dezelfde of in een andere wegberm van dezelfde categorie;
In bermen van provinciale- en rijkswegen (incl. spoorwegbermen) buiten de bebouwde kom mag, naast klasse L/N-grond en klasse Wonen-grond ook klasse Industrie grond worden toegepast.
De eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de toe te passen grond, verschillen per onderscheiden bermcategorie en per activiteit (hergebruik tussen bermen of toepassen van grond in een berm). Er worden 3 categorieën wegbermen onderscheiden:
Bermen van provinciale- en rijkswegen (incl. spoorbermen) buiten de bebouwde kom
Bermen van gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom
Bermen van gemeentelijke wegen buiten de bebouwde kom.
A.Bermen van provinciale wegen en rijkswegen (incl. spoorwegbermen) buiten de bebouwde kom
Uitwisseling van grond tussen deze categorie bermen:
De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat uitwisseling van grond tussen bermen uit deze categorie, kan plaatsvinden, zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
De berm waaruit de grond vrijkomt en de berm waarin de grond wordt toegepast mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming;
Het moet gaan om de bermen van bestaande (spoor)wegen. Voor bermen van nieuw aan te leggen (spoor)wegen gelden de Generieke toepassingseisen uit de Regeling bodemkwaliteit;
De grond wordt niet toegepast in bermen die zijn gelegen in een gebied met een gevoelige functie. Zie par. 5.4.2.
Toepassing van grond in deze categorie bermen:
De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat in bermen uit deze categorie, naast klasse L/N- grond en klasse Wonen-grond, ook klasse Industrie-grond mag worden toegepast, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de Maximale Waarde van bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit moet aangetoond worden met één van de volgende bewijsmiddelen:
Een partijkeuring, uitgevoerd conform de geldende richtlijnen of een door de gemeente IJsselstein geaccepteerde bodemkwaliteitskaart; 9 zie par. 10.2.3 voor een opsomming van door IJsselstein geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten
De berm waaruit de grond vrijkomt en de berm waarin de grond wordt toegepast mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming.
B.Bermen van gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom
Uitwisseling van grond tussen deze categorie bermen:
Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor deze categorie bermen in, dat uitwisseling van grond tussen deze bermen, kan plaatsvinden zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
De berm waaruit de grond vrijkomt en de berm waarin de grond wordt toegepast mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming
De grond wordt niet toegepast in bermen die zijn gelegen in een gebied met een gevoelige functie. Zie par. 5.4.2.;
De berm is onverdacht. Zie definitie van “verdachte wegberm” hieronder.
Definitie van een verdachte wegberm:
Een wegberm wordt, in het kader van deze Gebiedsspecifieke beleidsregel, als verdacht aangemerkt als:
er visueel meer dan 20% bodemvreemd materiaal in de bermgrond aanwezig is of verwacht wordt;
het aantal motorvoertuigen van de weg waarlangs de berm gelegen is, meer bedraagt dan 10.000 per etmaal. Raadpleeg hiervoor het GeoPortaal van de ODRU (www.odru.nl);
in de weg waarlangs de berm gelegen is, teerhoudend asfalt is gebruikt.
Toepassing van grond in deze categorie bermen:
De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat in bermen uit deze categorie, naast klasse L/N- grond ook klasse Wonen-grond mag worden toegepast, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de Maximale Waarde van bodemkwaliteitsklasse Wonen. Dit moet aangetoond worden met één van de volgende bewijsmiddelen:
Een partijkeuring, uitgevoerd conform de geldende richtlijnen of een door de gemeente IJsselstein geaccepteerde bodemkwaliteitskaart; 10 zie par. 10.2.3 voor een opsomming van door IJsselstein geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten
De berm waaruit de grond vrijkomt en de berm waarin de grond wordt toegepast mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming;
De grond wordt niet toegepast in bermen die zijn gelegen in een gebied met een gevoelige functie. Zie par. 5.4.2.
C.Bermen van gemeentelijke wegen buiten de bebouwde kom.
Uitwisseling van grond tussen deze bermen:
De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat uitwisseling van grond tussen bermen uit deze categorie, kan plaatsvinden, zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
Het betreft een berm van een verharde weg; 11 er wordt vanuit gegaan dat de kwaliteit van de grond in bermen langs onverharde wegen in het buitengebied, gelijk is aan de gebiedskwaliteit van deze zone (klasse Landbouw/Natuur).
De berm waaruit de grond vrijkomt en de berm waarin de grond wordt toegepast mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming.
Toepassing van grond in deze categorie bermen:
De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat in bermen uit deze categorie, naast klasse L/N- grond ook klasse Wonen-grond mag worden toegepast, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
Het betreft een berm van een verharde weg;
De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de Maximale Waarde van bodemkwaliteitsklasse Wonen. Dit moet aangetoond worden met één van de volgende bewijsmiddelen:
Een partijkeuring, uitgevoerd conform de geldende richtlijnen of een door de gemeente IJsselstein geaccepteerde bodemkwaliteitskaart;
De berm waaruit de grond vrijkomt en de berm waarin de grond wordt toegepast mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming;
De grond wordt niet toegepast in bermen die zijn gelegen in een gebied met een gevoelige functie. Zie par. 5.4.2.
Toepassingsbereik
Het toepassingsbereik verschilt per categorie berm. Hieronder is daarom het toepassingsbereik voor elke categorie berm apart aangegeven.
Voor bermen uit categorie A (provinciale wegen en rijkswegen buiten de bebouwde kom) is het toepassingsbereik:
Voor het uitwisselen van grond tussen de bermen van deze categorie:
Grond afkomstig uit het “Bodembeheergebied IJsselstein”. Zie par. 5.2 voor een overzicht van gemeenten die binnen dit bodembeheergebied vallen;
Voor het toepassen van grond in een berm van deze categorie:
Grond afkomstig uit het “Bodembeheergebied IJsselstein”.
Voor bermen uit categorie B (gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom) is het toepassingsbereik:
Voor het uitwisselen van grond tussen de bermen van deze categorie:
Grond afkomstig uit het “Bodembeheergebied IJsselstein”. Zie par. 5.2 voor een overzicht van gemeenten die binnen dit bodembeheergebied vallen;
Voor het toepassen van grond in een berm van deze categorie:
Grond afkomstig van binnen en buiten het “Bodembeheergebied IJsselstein”.
Voor bermen uit categorie C (gemeentelijke wegen buiten de bebouwde kom)is het toepassingsbereik:
Voor het uitwisselen van grond tussen de bermen van deze categorie:
Grond afkomstig uit het “Bodembeheergebied IJsselstein”. Zie par. 5.2 voor een overzicht van gemeenten die binnen dit bodembeheergebied vallen;
Voor het toepassen van grond in een berm van deze categorie:
Grond afkomstig van binnen en buiten het “Bodembeheergebied IJsselstein”.
5.4.6Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen
In de gemeente IJsselstein zijn veel (voormalige) boomgaardpercelen gelegen (zie kaartbijlage 6 van deze Nota). Alle (voormalige) boomgaardpercelen zijn ingetekend op basis van oude topografische kaarten uit de periode 1940 – 1980). Deze kaartlaag is ook digitaal voor iedereen toegankelijk via het GeoPortaal van de ODRU (www.odru.nl).
Op (voormalige) boomgaardpercelen zijn veelvuldig bestrijdingsmiddelen gebruikt. Uit onderzoek is gebleken dat vooral de stoffen DDT/DDD/DDE, Drins en HCH verhoogd kunnen voorkomen op deze percelen. De concentraties van bestrijdingsmiddelen kan worden vastgesteld door de bodem te onderzoeken op de zogeheten organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB’s). In het begin van de jaren ’40 van de vorige eeuw werd het zeer persistente DDT ontwikkeld. DDT is, net als de andere OCB’s, zeer moeilijk afbreekbaar waardoor de concentraties van deze stof hoger worden naarmate er meer op de bodem terecht komt. Tot begin van de jaren ’70 werd DDT nog op grote schaal toegepast in de land- en tuinbouw. In Nederland is het gebruik van DDT sinds 1973 verboden. Ook het gebruik van de meeste andere OCB’s is inmiddels verboden. De OCB’s hopen zich op in de toplaag van de bodem, daarom wordt standaard, in eerste instantie, alleen de toplaag van de bodem op OCB’s onderzocht (tot een diepte van maximaal 0,3 meter beneden het maaiveld). De mate van verontreiniging van de toplaag met OCB’s kan variëren van licht tot sterk verontreinigd.
Generieke kader
Omdat bestrijdingsmiddelen zich vaak in de toplaag van (voormalige) boomgaardpercelen ophopen, wordt deze laag (0 – 0,3 m -mv) aangemerkt als bodemverdacht. Deze laag zal dan ook altijd eerst onderzocht moeten worden op bestrijdingsmiddelen (OCB’s) om de mate van verontreiniging vast te stellen. Vaak blijkt dat de bovengrond op (voormalige) boomgaardpercelen, vanwege de gemeten concentraties aan bestrijdingsmiddelen, gekwalificeerd moet worden als klasse Industrie-grond of Niet toepasbare grond. Dat betekent dat vrijkomende grond in het Generieke kader bijna nooit hergebruikt kan worden en dan afgevoerd moet worden naar een erkend verwerker.
Gebiedsspecifieke kader
De kwalificatie klasse Industrie-grond of Niet Toepasbare grond is voor bestrijdingsmiddelen in
grond hoofdzakelijk gebaseerd op het toetsingsresultaat van ecologische risico’s. Bestrijdingsmiddelen in de grond vormen alleen bij hele hoge gehalten een risico voor de mens. De grenswaarden waarbij er sprake is van humane risico’s liggen vele malen hoger dan de grenswaarden waarbij sprake is van ecologische risico’s. Ook de verspreidingsrisico’s voor bestrijdingsmiddelen in de grond zijn laag, omdat de bestrijdingsmiddelen zich goed aan de grond binden. Deze constateringen bieden mogelijkheden om hergebruik van deze grond toe te staan door gebruik te maken van het stand-still principe. De bodemkwaliteit mag op het niveau van bodembeheergebied niet verslechteren. Er vindt regelmatig grondverzet plaats tussen bestaande boomgaardpercelen in de regio. Door het opstellen van Gebiedsspecifieke beleidsregels kan de gemeente uitwisseling van OCB-verdacht grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen in het buitengebied op een milieuverantwoorde en duurzame wijze mogelijk maken zonder dat daarmee de heersende bodemkwaliteit verslechterd. De gemeente heeft daarom de volgende Gebiedsspecieke beleidsregel voor dit beleidsonderdeel vastgesteld.
De hoofdregel van het Gebiedsspecifieke beleid voor dit onderdeel is:
Het uitwisselen van OCB-verdachte grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen gelegen in het buitengebied van IJsselstein, is toegestaan;
Voor bestrijdingsmiddelen zijn Lokale Maximale Waarden (LMW) vastgesteld. Deze zijn gelijk aan de interventiewaarde van de betreffende stof. Daarmee wordt een matig ecologisch beschermingsniveau gewaarborgd en worden humane risico’s uitgesloten.
Uitwisselen van OCB-verdachte grond tussen boomgaardpercelen:
Het uitwisselen van OCB-verdachte grond van een (voormalig) boomgaardperceel naar een huidig boomgaardperceel in het buitengebied, is toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
De toplaag (tot maximaal 0,3 m -mv) op het perceel waar de grond vandaan komt (herkomstperceel) is conform de NEN 5740 (onderzoeksstrategie VED-HE) onderzocht op OCB’s en de gemeten gehalten liggen voor alle onderzochte OCB’s onder de interventiewaarde én de toepassing voldoet ook aan de toepassingseisen die op het toepassingsperceel gelden ten aanzien van de overige parameters;
De OCB-verdachte grond komt vrij van een (voormalig) boomgaardperceel dat gelegen is binnen het “Bodembeheergebied IJsselstein”;
De grond wordt niet toegepast op een (voormalig) boomgaardperceel dat gelegen is binnen in bebouwd gebied of op een perceel met een gevoelige functie. Zie par. 5.4.2.;
Het herkomstperceel en het perceel waar de grond wordt toegepast (toepassingsperceel) mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming.
Toepassingsbereik
Deze Gebiedsspecifieke beleidsregel voor het uitwisselen van grond tussen bestaande boomgaardpercelen buiten de bebouwde kom, geldt voor:
Grond afkomstig van het “Bodembeheergebied IJsselstein”. Zie par. 5.2 voor een overzicht van gemeenten die binnen dit bodembeheergebied vallen.
5.4.7Ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering
Het verrichten van graafwerkzaamheden ten behoeve van kabels, leidingen en rioleringen is een veel voorkomende activiteit in de bodem. Hierbij wordt de vrijkomende grond veelal weer teruggeplaatst. Veel van deze activiteiten vallen onder het begrip tijdelijke uitname. In bijlage 7 van deze Nota is een samenvatting van het Handvat tijdelijke uitname opgenomen.
Generieke kader
Volgens de regels uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit dient bij het ontgraven van grond rekening te worden gehouden met de grondsoort, de chemische kwaliteit van de grond en de hoeveelheid bodemvreemd materiaal in de grond. Het tijdelijk uitnemen en daarna weer terugplaatsen van de grond, zonder het uitvoeren van onderzoek naar de chemische kwaliteit, is in het Generieke kader alleen mogelijk als:
De grond onder dezelfde condities en op dezelfde plek weer wordt teruggeplaatst, zonder te zijn bewerkt;
Verschillende grondlagen gescheiden ontgraven worden.
Vaak is gescheiden ontgraven niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat de grond al geroerd is door eerdere graafwerkzaamheden. Gescheiden ontgraven betekent dat de ontgraven grond tijdelijk gescheiden opgeslagen moet worden. Hier is niet altijd ruimte voor (bijvoorbeeld in stedelijk gebied). Het gescheiden ontgraven brengt meerkosten met zich mee en is niet in alle gevallen doelmatig. Daarom kiest IJsselstein ervoor om voor het ontgraven van grond ten behoeve van kabels, leidingen en riolering een Gebiedsspecifieke beleidsregel vast te stellen.
Gebiedsspecifieke kader
Door het vaststellen van een Gebiedsspecifieke beleidsregel, maakt de gemeente het mogelijk om grond niet gescheiden te ontgraven en niet gescheiden ontgraven grond, weer terug te plaatsen zonder rekening te houden met onder- of bovengrond. Op onverdachte locaties kan de bodemkwaliteitskaart (Ontgravingskaart) gebruikt worden om aan te tonen dat de grond niet ernstig verontreinigd is. Dit is verder uitgewerkt in par. 8.2. Daar wordt beschreven welke eisen worden gesteld aan het (historisch) vooronderzoek bij projectmatige ontgravingen.
De hoofdregel van het Gebiedsspecifieke beleid voor dit onderdeel is:
Bij aanleg, herstel of onderhoud van kabels, leidingen en is het, onder voorwaarden, toegestaan de verschillende bodemlagen niet gescheiden van elkaar te ontgraven en de ontgraven grond in geroerde toestand weer terug te plaatsen.
Het niet gescheiden ontgraven van grond ten behoeve van de aanleg, herstel of onderhoud van kabels, leidingen en/of riolering, en vergelijkbare projectmatige ontgravingen t.b.v. infrastructuur, is in IJsselstein toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
De ontgraving is nuttig en functioneel. Dat wil zeggen er wordt niet dieper gegraven en er komt niet meer grond vrij dan doelmatig is voor het geplande werk;
Er moet middels een (historisch) vooronderzoek aangetoond kunnen worden dat de bodem op de locatie waar de graafwerkzaamheden uitgevoerd worden, niet ernstig verontreinigd is. Zie par. 8.2;
De hoeveelheid bodemvreemd materiaal voldoet aan de eis die voor de betreffende functie geldt. Zie par. 5.4.1.
Als de vrijkomende grond niet wordt teruggeplaatst, maar elders binnen de gemeente IJsselstein wordt hergebruikt, wordt als kwaliteitsklasse voor de toepassing van de grond elders, uitgegaan van de kwaliteitsklasse die op de Ontgravingskaart bovengrond (zie bijlage 4B) of de Ontgravingskaart ondergrond (zie bijlage 4C) aangegeven wordt. Als de grond geroerd is wordt de slechtste kwaliteit van de genoemde bodemlagen (boven- en ondergrond) aangehouden bij het toetsen of de vrijkomende grond toegepast mag worden. In de meeste gevallen is dat de kwaliteit die de Ontgravingskaart van de bovengrond aangeeft. Het staat de initiatiefnemer overigens altijd vrij om alsnog een partijkeuring uit te voeren, bijv. als de acceptant van de grond daarom vraagt.
5.4.8Ontgraven van grond dieper dan 2 meter
De Ontgravingskaart ondergrond geeft de verwachte bodemkwaliteit aan tot een maximale diepte van 2 meter beneden het maaiveld. Voor grond die dieper dan 2 meter beneden het maaiveld vrijkomt, kan de Ontgravingskaart dus niet gebruikt worden als bewijsmiddel om de te verwachten kwaliteit van de grond aan te tonen.
Generieke kader
In het Generieke kader betekent dit dat er een partijkeuring of verkennend bodemonderzoek nodig is om de kwaliteit van de grond aan te kunnen tonen.
Gebiedsspecifieke kader
Omdat verwacht mag worden dat, in de meeste gevallen, de diepere ondergrond schoner is dan de grond in de ondiepere bodemlagen, heeft de gemeente IJsselstein een Gebiedsspecifieke beleidsregel vastgesteld voor het graven in de bodem dieper dan 2 meter. Hierdoor is het in de meeste gevallen niet meer nodig om de grondkwaliteit middels een onderzoek aan te tonen.
De hoofdregel van het Gebiedsspecifieke beleid voor dit onderdeel is:
Voor ontgravingen dieper dan 2 meter wordt als gemiddelde kwaliteit de verwachte kwaliteit van de grond in de bodemlaag 0,5 – 2 m -mv gehanteerd
De vrijkomende grond die dieper dan 2 meter beneden het maaiveld ontgraven wordt, kan elders in de gemeente, zonder onderzoek, toegepast worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
Er zijn tijdens het graven geen aanwijzingen gevonden dat de vrijkomende grond verontreinigd zou kunnen zijn;
Uit het raadplegen van het GeoPortaal van de ODRU (www.odru.nl) zijn geen gegevens naar voren gekomen op grond waarvan een bodemverontreiniging vermoed kan worden. Zie par. 8.2.2.
5.4.9Verspreiden van bagger op de landbodem
Baggeren is een veel voorkomende activiteit in gebieden met veel oppervlaktewater. Vaak wordt de bagger direct naast de watergang verspreid, maar daar is niet altijd ruimte voor. De regels voor bagger zijn in het Besluit bodemkwaliteit gelijk gesteld aan die voor grond. Dit geldt althans voor het toepassen van baggerspecie op percelen die niet direct aan de watergang grenzen waar de bagger vandaan komt. Voor het verspreiden van baggerspecie op aan de watergang grenzende percelen, incl. de tijdelijk opslag van bagger in een weilanddepot, is in het Besluit en in de Regeling bodemkwaliteit een apart toetsingskader opgenomen.
Generieke kader
Binnen het Generieke kader mag baggerspecie op aangrenzende percelen verspreid worden (en daaraan voorafgaand tijdelijk opgeslagen worden in een weilanddepot), als de bagger voldoet aan de verspreidingsnorm (zie Regeling bodemkwaliteit) of afkomstig is uit een onverdachte watergang. Een watergang is al snel verdacht en verspreiden van bagger op aangrenzende percelen is niet altijd mogelijk (bijvoorbeeld in stedelijk gebied). De gemiddelde baggerkwaliteit in IJsselstein varieert van vrij verspreidbaar (schone bagger), verspreidbaar (licht tot matig verontreinigd) tot niet verspreidbaar (matig of sterk verontreinigd). Binnen het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit mag de verspreidbare baggerspecie niet verder verspreid worden dan op aan de watergang grenzende percelen. De gemeente IJsselstein kiest ervoor om de regels voor het verspreiden van bagger, middels het vaststellen van een Gebiedsspecifieke beleidsregel, te verruimen.
Gebiedsspecifieke kader
Er worden regelmatig baggerwerkzaamheden uitgevoerd in de gemeente IJsselstein, onder andere door de waterkwaliteitsbeheerder (waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden), maar soms ook door de gemeente zelf. Het afvoeren van baggerspecie naar een erkend verwerker, brengt veel verwerkingskosten met zich mee en is niet duurzaam vanwege de grote aantallen transportbewegingen die nodig zijn om de bagger af te voeren. Bovendien is het van belang om, waar mogelijk, grond en bagger in hetzelfde gebied te houden om de voortdurende bodemdaling enigszins te kunnen compenseren. Het is door het vaststellen van een Gebiedsspecifieke beleidsregel mogelijk om het verspreiden en toepassen van licht verontreinigde baggerspecie op de landbodem te verruimen. Hierdoor kunnen veel kosten worden bespaard en kunnen baggerwerkzaamheden kosteneffectief en duurzaam uitgevoerd worden. De gemeente IJsselstein kiest daarom voor de mogelijkheid om verspreidbare bagger ook buiten de aan de te baggeren watergang grenzende percelen te kunnen verspreiden. Dit wordt mogelijk gemaakt door een ruimere invulling te geven aan het begrip “aangrenzende percelen”. Dit begrip wordt in het Gebiedsspecifieke beleidskader ingevuld als “alle percelen die zijn gelegen binnen dezelfde bodemkwaliteitszone als de watergang waar de bagger uit afkomstig is”.
De hoofdregel van het Gebiedsspecifieke beleid voor dit onderdeel is:
Verspreiding van “verspreidbare ongerijpte baggerspecie”, is aanvullend op wat toegestaanis in het Generieke kader, in IJsselstein ook buiten aangrenzende percelen toegestaan als aan de gestelde volgende voorwaarden voldaan wordt.
De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om van deze verruimde invulling gebruik te kunnen maken, zijn:
De bagger is afkomstig uit een watergang die gelegen binnen dezelfde zone als waar de bagger verspreid wordt;
De bagger is onderzocht conform de NEN 5720 (waterbodemonderzoek) of een door de gemeente IJsselstein goedgekeurde waterbodemkwaliteitskaart én de bagger is gekwalificeerd als verspreidbaar (voldoet aan de verspreidingsnorm); of
De bagger is afkomstig van een onverdachte watergang, blijkens een, conform de NEN 5717 uitgevoerd, (historisch) vooronderzoek voor waterbodems;
De op de landbodem op te brengen laagdikte en hoeveelheden moeten nuttig en functioneel zijn en mogen andere waarden of functies van de bodem geen blijvende schade toebrengen. De toe te passen laag mag daarom niet dikker zijn dan 0,3 meter.
Deze laatste voorwaarde wordt hieronder verder toegelicht:
De aerobe afbraak van organische verontreinigingen in de bagger worden ernstig bemoeilijkt als baggerspecielagen dikker dan 30 cm worden aangebracht. Daarom wordt dit als maximaal wenselijk aan te brengen laagdikte beschouwd. Dit sluit ook het meest aan bij bepalingen uit bestemmingsplannen in het buitengebied. Wanneer een dikkere laag baggerspecie dan 0,3 m op de landbodem wordt aangebracht, is bovendien in de meeste gevallen een Omgevings- vergunning (aanlegvergunning) vereist.
Toepassingsbereik
De Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is alleen van toepassing op het grondgebied van de gemeente IJsselstein. Omdat de geldende Gebiedsspecifieke eisen aanvullend zijn op de eisen die voor het verspreiden van bagger op aangrenzende percelen in het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit opgenomen zijn, blijft het mogelijk om ook verspreidbare bagger uit te wisselen met buurgemeenten, mits de bagger verspreidbaar is en toegepast wordt op percelen die aan (één van) de watergangen grenzen die gebaggerd worden.
5.4.10Tijdelijke opslag van grond en bagger
Generieke kader
Grond kan vaak niet direct worden toegepast op de definitieve eindbestemming en wordt dan tijdelijk opgeslagen. Het Besluit bodemkwaliteit stelt ook regels aan tijdelijke opslag van grond en baggerspecie. Het Besluit onderscheidt een aantal vormen van tijdelijke opslag. Dit is in de tabel hierna weergegeven.
Tabel 9: Vormen van tijdelijke opslag van grond en bagger op de landbodem (in het Generieke kader)
Vorm opslag
Max. toegestane duur opslag
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
Kortdurende opslag
6 maanden
Geen (wel zorgplicht bodem)
Ja
Opslag bij Tijdelijke uitname
Looptijd van het werk
Geen (wel zorgplicht bodem)
Nee
Tijdelijke opslag grond
3 jaar
Generieke kwaliteitseisen voor de ontvangende bodem
Ja**)
Tijdelijke opslag bagger in een weilanddepot *)
3 jaar
Generieke verspreidingsnorm voor bagger én verspreiding binnen aangrenzende percelen
Ja **)
*) een weilanddepot is een depot voor de tijdelijke opslag van bagger op een perceel dat direct grenst aan (één van) de gebaggerde watergang(en) en daar ook verspreid wordt.
**) met vermelding van voorziene duur van de opslag en de eindbestemming.
Gebiedsspecifieke kader
Aan een aantal vormen van tijdelijke opslag zijn ook voorwaarden verbonden (kwaliteitseisen). Deze voorwaarden passen prima binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende Generieke toepassingskader. Echter, bij grondverzet binnen het bodembeheergebied van IJsselstein volgens het Gebiedsspecifieke kader dat in dit hoofdstuk beschreven is, leiden de kwaliteitseisen uit het Generieke kader tot problemen. Dan kan zich namelijk de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie wel partijen grond of baggerspecie mogen worden toegepast, maar dat dezelfde partijen grond of baggerspecie daar niet tijdelijk mogen worden opgeslagen. Om deze discrepantie weg te nemen, kiest de gemeente IJsselstein ervoor om de Gebiedsspecifieke beleidsregels die gelden bij de toepassing van grond en bagger, ook van toepassing te verklaren op de tijdelijke opslag, voorafgaand aan de definitieve toepassing.
In onderstaande tabel zijn de eisen die in het Gebiedsspecifieke kader gelden voor de tijdelijke opslag van grond en bagger, samengevat (alleen de afwijkingen t.o.v. het Generieke kader zijn aangegeven).
Tabel 10: Gebiedsspecifieke kader voor de tijdelijke opslag van grond en bagger op de landbodem
Vorm opslag
Max. toegestane duur opslag
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
Tijdelijke opslag grond
3 jaar
Eisen zijn gelijk aan de Gebiedsspecifieke eisen die gelden voor de bijbehorende toepassing op de vermelde eindbestemming
Ja *)
Tijdelijke opslag bagger in een weilanddepot
3 jaar
Bagger moet voldoen aan de verspreidingsnormen voor bagger uit het Generieke kader en moet verder voldoen aan de Gebiedsspecifieke voorwaarden van par.
5.4.9 m.u.v. de aangegeven maximale dikte van de baggerlaag
Ja *)
*) met vermelding van voorziene duur van de opslag en de eindbestemming.
De afwijking voor de tijdelijke opslag van grond en bagger in het Gebiedsspecifieke kader t.o.v. het Generieke kader voor dit onderdeel, geldt alleen voor de kwaliteitseisen die gesteld worden aan de “tijdelijke opslag van grond” en de “tijdelijke opslag van bagger in een weilanddepot”. De overige eisen en voorwaarden voor tijdelijke opslag, uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit (maximale duur van de opslag en wel of niet melden), blijven onveranderd van kracht. Daarmee is deze Gebiedsspecifieke beleidsregel niet beperkend, maar aanvullend op het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit voor de Tijdelijke opslag van grond en bagger op de landbodem.
Toepassingsbereik
De Gebiedsspecifieke beleidsregels voor de tijdelijke opslag van grond en bagger gelden alleen voor grond afkomstig uit het “Bodembeheergebied IJsselstein”, Zie par. 5.2. voor een overzicht van gemeenten die binnen dit bodembeheergebied vallen.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.4.3
Toepassen van lood-houdende grond in tuinen
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein houdende regels omtrent bodembeheer