3.2.1 baksteen metselwerk
Definitie
Baksteen is een kunststeen, waarbij de ruwe grondstoffen klei of leem of mengsels daarvan worden gevormd, gedroogd en in ovens worden gebakken. De eigenschappen van dit ceramische materiaal, zoals kleur, worden bepaald door de duur en de temperatuur van het bakken ( van 850 tot 1200 graden) en door de geaardheid van het materiaal (bijv. de kleuren rood en geel, respectievelijk afhankelijk van een gering of hoog ijzer- en of kalkgehalte) en de methode van het in vorm brengen. Een belangrijke eigenschap van baksteen is poreusheid. De afmeting van de poriën en het totale poriënsysteem beïnvloeden het gedrag van de baksteen en verflaag bij vocht-, zouttransport en vorst.
Naast bouwmateriaal wordt baksteen ook gebruikt voor detaillering of ornamentering. Hierbij valt te denken aan vlechtwerk, muizenoor, ezelsrug, rollagen, vensterbanken, hoekstenen, geprofileerde stenen, verblend - en geglazuurde stenen e.d. Bakstenen worden in een specifiek verband gemetseld. We onderscheiden ondermeer kruis-, vlaams-, staand-, halfsteens-, klezoren-, koppen-, ketting en wild verband.
Uitgangspunt
Het metselverband, het formaat, de textuur (de waarneembare structuur), de kleur en de patina (de door weersinvloeden ontstane toplaag) van de steen zijn bepalend voor het historisch karakter van een monument. Conserveren van het bestaand metselwerk is daarom het uitgangspunt.
Onderzoek en analyse
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient de oorzaak van de schade te worden vastgesteld. Hierbij dienen de bouwtechnische aspecten van het metselwerk aan de orde te komen, maar ook de factoren in de omgeving die van invloed op de schade zijn geweest. Pas wanneer de oorzaak van de schade is vastgesteld en ook is weggenomen, kan gestart worden met het herstel van het metselwerk.
Voorafgaand aan de werkzaamheden is het belangrijk dat het verband, de metseltekens en andere bijzonderheden zoals bouwsporen en onregelmatigheden door middel van het maken van tekeningen en/of foto’s worden vastgelegd.
Schades, oorzaken en oplossingen
Mogelijke schades
scheurvorming
uiteenvallende stenen
afschilferen van bakhuid
verkleuring
afzanden
uitbleken
uitbloeien van zouten aan het oppervlak (efflorescentie)
afschilferen (door crypto-efflorescentie: uitbloeien van zouten onder het oppervlak)
afpoederen
verkruimelen, afbrokkelen
slijp- en haksporen
vervuiling door onder andere verf of aanplakbiljetten
Mogelijke oorzaken
klimatologische invloeden
inwateren van bovenaf of stromen van regenwater langs gevel
indringing regenwater door loszittende voegen
bevriezing water in capillaire ruimtes en poriën
reinigen (van cementspatten) met zoutzuur
optrekkend vocht of direct contact met grondwater
kristalliserende zouten
verkeerde hardheid of samenstelling van de voeg- en metselmortel
onvoldoende ventilatie van binnenruimten
inferieure bakstenen en voegen
gebruik van verkeerde stenen bij inboeten
het verzakken van muren
achterstand onderhoud ijzerconstructies in metselwerk
opspattend water, verkeerd aangelegde bestratingen
het gebruik van verkeerde afwerklagen
begroeiing van planten en schimmels, met name mossen en klimopplanten
aangebrachte graffiti of gelijmd reclamemateriaal
het verkeerd en onzorgvuldig reinigen van de gevel
afwerken van de gevel met verkeerd of dampdicht verfsysteem
hydrofoberen
onzorgvuldig uitslijpen van voegwerk
Mogelijke oplossingen (afhankelijk van onderzoek en type schade)
toetreding van vocht en vochttransport voorkomen door gootherstel, aanbrengen van muurafdekkingen etc.
bij omvangrijke reparaties het verband, metseltekens, bouwsporen etc. op foto vastleggen.
de nog bij te werken steen afhakken met beitel en hamer tot de vaste, gezonde kern, ontstane opening reinigen van stof en gruis en vol en zat aanhelen met reparatiemortel
herbestraten en aanleggen van een goede afvoer
beschadigde stenen uithakken en vervangen (inboeten) door stenen van dezelfde aard en kwaliteit
algen en mossen droog afborstelen met een zachte borstel
steen herstellen door reparatiemortel
verbleekte of verkleurde stenen of inboetwerk camoufleren door te schilderen, oliën of pleisteren, indien toegestaan of historisch verantwoord
scheuren herstellen door reparatiemortels of dilatatievoegen
lijmresten van papier losweken en verwijderen met een zachte borstel
graffiti verwijderen met milieuvriendelijke watergedragen verfafbijt
Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria
Het metselwerk mag plaatselijk vervangen worden, indien herstel niet meer mogelijk blijkt bij bijvoorbeeld scheurvorming of onherstelbare aantasting van de stenen. Dit dient op tekening te worden aangeduid.
Het vervangen van metselwerk dient plaats te vinden door middel van inboeten. Onder inboeten wordt het inmetselen van bakstenen verstaan op plaatsen waar bakstenen zijn gescheurd en/of op plaatsen waar de baksteenconstructie niet meer voldoende is. Het inboeten kan zowel aan de oppervlakte van de gevel plaatsvinden als in het inwendige ervan.
Brede scheuren moet men niet dichtsmeren of herstellen met reparatiemortel maar inboeten zodat de muur één constructief geheel vormt. Het inwerken van wapening kan hierbij noodzakelijk zijn.
Een grote hoeveelheid scheuren in de bakstenen muur kan duiden op instabiliteit van het metselwerk. Indien de muur hierdoor niet behouden kan worden dient dit altijd rekentechnisch te worden onderbouwd.
Het inboetwerk moet aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van het bestaande metselwerk. Indien dit niet het geval is kunnen reacties optreden die schade veroorzaken.
Het gebruik van metselmortels met uitsluitend cement als bindmiddel is niet toegestaan, omdat cementmortels te star zijn en een slecht watervasthoudend vermogen hebben. Door het gebruik van cementmortels blijft er te veel vocht in de steen waardoor beschadigingen op kunnen treden bijvoorbeeld tijdens vorst.
Het gebruik van kalkmortels is bij het metselwerk essentieel vanwege het feit dat kalk goed verwerkbaar is en een belangrijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van de hechtsterkte, de elasticiteit van de baksteenconstructie en het reguleren van de vochthuishouding.
Indien vanwege herbestemming of herinrichting er voor gekozen wordt om een doorbraak in het metselwerk door te voeren dient de noodzaak hiervan aangetoond te worden. Zie ook interieurs.
Voor het isoleren van gevels zie gevelafwerking en schilderwerk
Uitvoeringsvoorschriften
Kapotte stenen die tot vervolgschade kunnen leiden dienen hersteld te worden door onder andere inboeten, het toepassen van reparatiemortels, injectie van mortel en/of dilatatievoegen.
De stenen die aangemerkt zijn om uitgehakt te worden, dienen strak en kantig en per gedeelte te worden uitgehakt en/of te worden uitgeboord.
Hergebruik van de bestaande stenen heeft bij inboeten en vervanging de voorkeur.
De in te boeten stenen moeten qua hardheid, formaat, kleur en textuur aansluiten op het bestaande metselwerk.
Gebruik geen ‘achterwerkers’ of binnenmuurstenen aan de oppervlakte van het werk. Let er op dat stenen niet verontreinigd zijn door roet, zouten, resten van verf, teer of een hydrofobeermiddel;
De in te boeten stenen moeten in hetzelfde verband worden verwerkt als in de bestaande situatie.
De in te boeten stenen en de samenstelling van de metselmortel moeten voorafgaand aan de werkzaamheden overlegd worden met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht.
De vochtigheidsgraad van de steen is van invloed op de hechting aan het bestaande werk en de uitharding van de metselmortel.
Nadere informatie
Baksteenmetselwerk: scheuren en herstel:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_4.pdf
Oorzaak en schade van baksteenmetselwerk en herstel 2:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_05-2001.pdf
Vocht en zouten in metselwerk:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_08-2005.pdf
Zout en behoud?
http://www.wta.de/nl/system/files/syllabi/Zout_en_behoud.pdf
Zie ook: het Kalkboek: het gebruik van kalk als bindmiddel voor metsel- en voegmortels in verleden en heden, Koen van Balen en Bert van Bommel; e.a., Zeist: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2003.
Algen, mossen en korstmossen:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_16.pdf
3.2.2 Voegwerk
Definitie
Voegwerk is het geheel van voegen in metselwerk. De voeg is het zichtbare deel van de mortel, ofwel de verharde specie, tussen de stenen van het metselwerk. Hiermee worden openingen tussen de stenen zodanig opgesloten dat indringing van vocht in de stenen wordt voorkomen. Voegwerk bestaat uit stootvoegen en lintvoegen. De stootvoegen zijn de staande voegen en de lintvoegen zijn de liggende voegen. De tekening en het beloop van de voegen is afhankelijk van de aard van het metselverband. Vormen van voegwerk kunnen onder meer zijn:
Doorgestreken voeg (veelal 17de eeuws) komt voor bij de vestingwerken.
Dagstreep (kan 16de eeuws zijn).
Gesneden voeg (17 en 18de eeuws)
Geknipte voeg (veelal 19de eeuws)
verdiepte voeg, schaduwvoeg, terug liggende en iets terug liggende voeg, platvolle voeg, dik opgezette voeg e.d.
Pas na de WO II werd er met portlandcement gewerkt, daarvoor veelal met kalkmortel.
Uitgangspunt
Het voegwerk is een essentieel onderdeel van de gevelafwerking van een monument en draagt in grote mate bij aan de schoonheid en architectonische waarden. De vorm en kleur van het voegwerk bepalen mede het karakter van de gevel. Om het historisch karakter te handhaven staat het behoud van het bestaand voegwerk voorop.
De vorm, kleur en samenstelling van het bestaande voegwerk is het uitgangspunt bij herstel en vervanging.
Onderzoek en analyse
Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen onderstaande items te worden vastgesteld / onderzocht:
de oorzaak van de schade
de bestaande samenstelling en kleur van het voegwerk
oorspronkelijke karakteristieke vorm van de voeg. Vaak is deze vorm nog onder de goot te vinden.
het wateropnemend gedrag van de voeg, visueel of bijvoorbeeld door een waterabsorptie test (Karstenbuisje).
in het verleden uitgevoerde reparaties of reinigingswerkzaamheden of aangebrachte waterafstotende lagen.
Schades, oorzaken en oplossingen
Mogelijke schades
het loslaten van de voeg
scheuren in het voegwerk
het verkleuren van het voegwerk
Mogelijke oorzaken
lekkende goten of hemelwaterafvoeren
overmatige vochtbelasting van het metselwerk
oude voeg is te ondiep uitgehaald
activeren van zouten door vocht
bevriezing van vocht
het verzakken van de muren
onvoldoende onderhoud
optrekkend vocht vanuit de fundering
reparaties of reiniging in het verleden
vochtoverbelasting door slagregen
het verkeerd reinigen van de gevel
zure regen die een chemische reactie met kalk aangaat, waardoor gipsvorming ontstaat.
begroeiing in ’t algemeen maar ook mos of algengroei
in het verleden aangebrachte waterafstotende lagen hebben nadelige invloed op nieuw voegwerk
Mogelijke oplossingen (afhankelijk van onderzoek en type)
toetreding van vocht en vochttransport voorkomen door gootherstel, aanbrengen van muurafdekkingen etc.
voegherstel uitvoeren in vorstvrije periodes
indien voegherstel noodzakelijk is tijdens vorstperiodes, het nieuwe werk voldoende isoleren en afdekken
algen en mossen droog afborstelen met een zachte borstel
indien bestaande mortel geen schade heeft veroorzaakt, oude samenstelling opnieuw gebruiken
het loszittend voegwerk vervangen
kalk of traskalk gebruiken
Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria
Alleen die delen van het voegwerk die slecht zijn mogen worden vervangen. Dit wil zeggen alleen de voegen die technisch niet meer functioneren en niet meer waterwerend zijn.
Indien meer dan 70 % van het voegwerk slecht is, mag het voegwerk integraal worden vervangen. Indien het metselwerk een oppervlakte van minder dan 35 vierkante meter beslaat, mag het voegwerk integraal worden vervangen als 50% van het voegwerk in een slechte staat verkeert. In het geval dat de aantasting onder het bovengenoemde percentage blijft maar zeer over de gevel is verspreid, kan dit reden zijn om het voegwerk integraal te vervangen. Dit dient in het kader van de vergunningaanvraag te worden voorgelegd en beoordeeld.
Indien de voeg in het verleden met de verkeerde mortelsamenstelling is uitgevoerd, en deze schade kan veroorzaken aan de steen, kan dit reden zijn de voegen integraal te vervangen.
Indien er smalle scheuren in de gevel aanwezig zijn en inboeten niet mogelijk blijkt, kunnen de voegen uitgekapt worden en opnieuw worden gevoegd.
Het gebruik van (luchthardende) kalk of traskalk als bindmiddel is bij restauratie van historisch voegwerk uitgangspunt. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de juiste verhoudingen die vanwege andere samenstelling van species anders kan zijn dan de historische verhoudingen van bestanddelen. Indien er bijvoorbeeld veel zouten in de gevel aanwezig zijn of wanneer er met cementspecie is gemetseld, kan een ander bindmiddel gekozen worden dan kalk of traskalk.
Pas na de Tweede Wereldoorlog werd er met portlandcement gewerkt. Het gebruik van portlandcement is slechts toegestaan, indien aangetoond kan worden dat het gebouw oorspronkelijk in portlandcement is gevoegd.
Uitvoeringsvoorschriften
De te vervangen voeg moet worden verwijderd met gereedschap dat geen schade toebrengt aan het historisch metselwerk. Een lintvoeg (de liggende voeg) dient, alvorens hij met een naaldbeitel wordt uitgehakt, eerst langs een rei met een op lage toeren draaiende diamantzaag tot de gewenste uithakdiepte te worden ingezaagd. Vervolgens kan de stootvoeg (de staande voeg) handmatig worden verwijderd. Bij metselwerk met een lintvoeg die smaller is dan 7 mm is slechts het inzagen van de lintvoeg toegestaan. Een stootvoeg smaller dan 1,5 mm mag niet worden verwijderd.
Het gebruik van een slijptol voor het verwijderen van voegwerk is niet toegestaan.
Samenstelling, kleur en vorm van de voeg dienen uitgevoerd te worden conform bestaande toestand.
De afzonderlijke bestanddelen (bindmiddel, toeslagstoffen zoals zand, water en eventuele hulpstoffen), waaruit de voegspecie is opgebouwd, dienen in het juiste volume gemengd te worden en vrij van verontreinigingen te zijn.
De voegmortel moet qua samenstelling aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van het bestaande metselwerk. Indien dit niet het geval is kunnen reacties optreden die schade veroorzaken. Bovendien is de vochtigheidsgraad en de vorstperiode van invloed op de hechting aan het bestaande werk en de uitharding van de voegmortel.
De samenstelling van de voegmortel moet voorafgaand aan de werkzaamheden overlegd te worden met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht.
Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden dient een bemonstering van het te vervangen voegwerk beoordeeld te worden door de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht. Het proefvlak dient circa 50 bij 50 cm groot te zijn en op een niet zichtbare plek aangebracht te worden.
Nadere informatie
Voegwerk:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_2.pdf
Het gebruik van kalkmortel:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_37-2003.pdf
Onderhoud en herstel van historisch voegwerk:
http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b129.pdf
http://www.monumenten.nl/site/nl-nl/Themas/Onderhoudstips+Monumentenwacht/Voegwerk.htm
3.2.3 Natuursteen
Definitie
Natuursteen bestaat uit één of meerdere mineralen die door een specifieke ontstaanswijze tot een structuur en samenstelling zijn gevormd. Zij bezitten een eigen karakter en fysische en chemische eigenschappen als sterkte, kleur en duurzaamheid.
Natuursteen is in steengroeven uit vaste rots gebroken steen, die daarna meer of minder door steenhouwers bewerkt wordt. Veel voorkomende soorten natuursteen zijn o.a. hardsteen, mergelsteen, zandsteen, kalksteen, tufsteen, kolenzandsteen, graniet, marmer, maaskeien. Natuursteen kan ook bewerkt worden of op een decoratieve wijze toegepast. Voorbeelden van bewerking of ornamentering zijn frijnslag ( Belgische/Hollandse), scharreren, boucharderen, geschuurd, gezoet. We onderscheiden ook verbanden- patronen in vloervelden zoals: diagonaal, visgraat, stroken e.d.
Uitgangspunt
Het gebruik van natuursteen bij monumenten was historisch gezien vaak een teken van rijkdom, zoals bijvoorbeeld het toepassen van natuurstenen raamomlijstingen, gevelstenen en traptreden. Een ‘rijke’ gevel heeft doorgaans veel architectonische en monumentale waarde. Het is daarom van belang dat behoud van de historische natuursteen voorop staat.
Onderzoek en analyse
Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen onderstaande items te worden vastgesteld / onderzocht:
de oorzaak van de schade
de bestaande steensoort
de bestaande afwerkingstechniek
vastleggen van telmerken en merktekens die steenhouwers vaak achterlieten
Schades, oorzaken en oplossingen
Mogelijke schades
Uiteenvallen
Verwering
Verkleuring
Slijtage van de oppervlakte
Scheurvorming
Roestvorming
Kalkvorming in de vorm van gipskorst
Mogelijke oorzaken
Schadelijke ingrepen in het verleden
Zure regen die een chemische reactie met kalksteen aangaat, waardoor gipsvorming ontstaat.
Specifieke verweringsverschijnsel per natuursteensoort
Slechte stenen kunnen een bedreiging vormen voor andere stenen
Verkleuring of verwering door het verwijderen van in het verleden aangebrachte verflagen
Roestende ankers
Te harde mortel
Gebruik van steenverstevigende middelen
Belemmering van vochttransport of vochthuishouding door gebruik van verkeerde mortel of lijm
Vervolgschade in de vorm van snellere verwering door oude verwering te verwijderen met chemicaliën of stralen
De (ex)positie van de natuursteen
Bevriezen van vocht
Wijze waarop de natuursteen is gewonnen of bewerkt
Uitslijten door erosie
Zuren
Kristalliserende zouten
Biodegradatie, begroeiing door mossen of algen
Begroeiing van bomen en struiken in de nabijheid
Op verkeerde wijze of met verkeerde producten reinigen of schilderen
Waterafstotende lagen
Mogelijke oplossingen (afhankelijk van onderzoek en type schade)
Goede afwatering van de natuurstenen elementen
Herstel van goten en waterlijsten
Begroeiing van bomen en struiken tegengaan
Vakkundig verwijderen van gipskorsten, met behoud van natuurlijke verwering en patina
toetreding van vocht en vochttransport voorkomen door gootherstel, aanbrengen van muurafdekkingen etc.
voegherstel uitvoeren in vorstvrije periodes
indien voegherstel noodzakelijk is tijdens vorstperiodes, het nieuwe werk voldoende isoleren en afdekken
algen en mossen droog afborstelen met een zachte borstel
steen herstellen door reparatiemortels of lijmen
mortel of lijmen aanpassen teneinde vochthuishouding of vochttransport te verbeteren
scheuren herstellen door reparatiemortels of lijmen
kapotte stenen indien noodzakelijk vervangen door inboeten
roestende ankers behandelen of vervangen
beschermen van het natuursteenoppervlak door te schilderen indien historisch verantwoord
afdekken, beschermen tegen regen
Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria
Natuursteen mag pas vervangen worden als herstel niet mogelijk blijkt. Dit dient altijd middels onderzoek aangetoond te worden.
Indien schade aan natuursteen verdere schade aan het monument tot gevolg kan hebben, dient de steen met een daartoe geëigende reparatiemortel gerepareerd te worden. Hierbij mag de reparatieplek geen grotere omvang hebben dan 10 cm³.
Herstel van natuurstenen onderdelen met een acrylhars is slechts toegestaan als reguliere reparatiemethoden (met mineraalgebonden mortels) geen oplossing bieden. Het gebruik van acrylhars beïnvloedt de dampdichtheid en vochthuishouding van de natuursteen. Dit kan nadelige gevolgen hebben.
In geval van ernstige schade dan wel verwering (meer dan 10 cm³) is inboeten (inschieten) van een nieuw stuk natuursteen van dezelfde soort, kleur en afwerking toegestaan.
Kunstharslijmen zijn alleen voor kleine verticale scheuren (max. 1,2 mm) toegestaan. Indien het bij horizontale scheuren toegepast zou worden vormt de reparatie een waterwerende laag wat kan leiden tot vorstschade of verwering.
Het toepassen van steenverstevigers en impregneren met kunsthars is niet toegestaan. De laag is niet te verwijderen zonder schade en dient in verband met verwering na circa acht jaar opnieuw aangebracht te worden waardoor de textuur van het natuursteen volledig verloren gaat. Indien de laag gaat verweren en er vocht achter de verstevigingslaag komt, kan door vorst of afschilfering ernstige schade ontstaan.
Ernstig aangetaste natuurstenen elementen mogen in uitzonderlijke gevallen, vervangen worden door een kopie van dezelfde steensoort.
Voor ornamenten waarvan de expressie volledig verloren is gegaan, kan het element in uitzonderlijke gevallen vervangen worden door een kopie in dezelfde steensoort.
De oorspronkelijke balusters van trapleuningen en hekwerken dienen met lood in natuursteen bevestigd te worden.
Voor isoleren van gevels zie de paragraaf 3.4.1 Gevel isoleren
Uitvoeringsvoorschriften
Bij enkelvoudige breuken dienen de natuursteen onderdelen gelijmd te worden.
Nieuw aan te brengen natuursteen dient eenzelfde afwerking en detaillering te krijgen als in de bestaande situatie.
Nadere informatie
Natuursteen in Nederland:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_28-2001.pdf
Verwering van natuursteen in het exterieur:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_29-2002.pdf
Natuursteen: de steenkeuze in de restauratiepraktijk
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_30-2002.pdf
Algen, mossen en korstmossen:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_16.pdf
3.2.4 Mergel
Definitie
Mergel is een natuursteensoort die in de laatste periode van het Krijt (bv. het Maastrichtien) in een ondiepe zee werd afgezet als een laag kalksteen. Mergel is net als bentheimer zandsteen een sedimentair gesteente (afzettingsgesteente), maar is anders gevormd.
In Zuid-Limburg komt mergel veelvuldig voor. Afhankelijk van de locatie bevat mergel een andere verhouding van kalk met klei, leem of zand. De zacht lichtgele mergelsoort, die geschikt is voor de bouw en toegepast wordt voor decoratieve elementen, bestaat hoofdzakelijk uit calciumcarbonaat met slechts 2% zand. Mergel(steen) is een zachte steensoort, maar toch weervast en krijgt na verloop van tijd een calcietlaagje, dat de steen beschermd.
Uitgangspunt
Vanwege de toepassing van dit typisch locale product is de architectonische en cultuurhistorische waarde ervan groot. Behoud van de bestaande mergel is het uitgangspunt.
Onderzoek en analyse
Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen onderstaande items te worden vastgesteld / onderzocht:
de oorzaak van de schade
de bestaande mergelsoort
de bestaande afwerkingstechniek
vastleggen van telmerken en merktekens die steenhouwers vaak achterlieten
Schades, oorzaken en oplossingen
Mogelijke schades
Verkleuring
Slijtage van de oppervlakte door verwering en inkrassing
Scheurvorming
Afstoting van de complete (calciet)huid
Gaten en krassen
Belasting door hemelwaterafvoer
Mogelijke oorzaken
Behandelingen in het verleden met een steenverstevigend middel, zoals waterglas of kalkmelk, waardoor de steen aan het oppervlak zijn vocht niet meer kwijt kan
Behandelingen in het verleden met een steenverstevigend middel, waardoor zouten in de natuursteen worden geïntroduceerd met mogelijke vervolgschade
Zure regen die een chemische reactie met kalksteen aangaat, waardoor gipsvorming ontstaat.
Schadelijke ingrepen in het verleden
Bevriezing van vocht
Uitslijten door erosie
Zuren en zouten
Begroeiing door mossen of algen
Op verkeerde wijze of met verkeerde producten reinigen of schilderen
Waterafstotende lagen
Vandalisme
Wespennesten
Krassen van vogelpoten
Mogelijke oplossingen (afhankelijk van onderzoek en type schade)
Goede afwatering van de natuurstenen elementen
Herstel van goten en waterlijsten
Begroeiing van bomen en struiken tegengaan
Acceptatie van gipskorsten, natuurlijke verwering en patina
kapotte stenen vervangen door inboeten
toetreding van vocht en vochttransport voorkomen door gootherstel, aanbrengen van muurafdekkingen en drainage systemen etc.
voegherstel uitvoeren in vorstvrije periodes
steen herstellen door reparatiemortels of lijmen
scheuren herstellen door reparatiemortels of lijmen
kapotte stenen vervangen door inboeten
algen en mossen droog afborstelen met een zachte borstel
mortel of lijmen aanpassen teneinde vochthuishouding of vochttransport te verbeteren
roestende ankers behandelen of vervangen
Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria
Indien de kapotte mergelsteen verdere schade aan het monument tot gevolg kan hebben, dient de steen met een daartoe geëigende reparatiemortel gerepareerd te worden. Hierbij mag de reparatieplek geen grotere omvang hebben dan circa 10 cm³.
Bij vervanging van mergel dient altijd middels onderzoek aangetoond te worden dat het bestaande materiaal om technische redenen niet meer te behouden is.
Het vervangen van mergelwerk dient plaats te vinden door middel van inboeten.
Voor ornamenten waarvan de expressie volledig verloren is gegaan, kan het element in uitzonderlijke gevallen, vervangen worden door een kopie in dezelfde steensoort.
Het kan zijn dat de calciethuid te dik wordt waardoor er risico bestaat op afschilferen. Om dit te voorkomen beschilderde men in het verleden mergelsteen met een laagje rode ijzeroer. Deze kleurstof bestaat uit zuivere ijzeroxyde, die zich gemakkelijk kan binden met de kalk uit de mergelsteen: zo wordt een hechte beschermende buitenlaag gevormd, die de indringing van water vermindert. Indien aangetoond kan worden dat een dergelijke laag op het monument aanwezig was, kan een dergelijke afwerking in het kader van de vergunningaanvraag worden voorgelegd en beoordeeld.
Het is niet toegestaan mergelblokken te reinigen met hoge druk, door afschaven en het gebruik van chemische middelen. Mergel vormt van nature een harde calciethuid aan de buitenzijde van de steen die ontstaat door uitwatering van opgeloste kalkdeeltjes. Hierdoor wordt de beschermende calciethuid verwijderd of beschadigd.
Bij vochtproblemen dient voorafgaand aan de werkzaamheden de oorzaak van het vochtprobleem achterhaald te worden. Op basis hiervan kan een geschikte oplossing gezocht worden. Een (historische) oplossing voor optrekkend vocht is het toepassen van een basement of trasraam van een hardere steensoort opgemetseld aan de voet van een mergelgebouw.
Mergel heeft een groot waterabsorberend vermogen. Het is dan ook belangrijk om de natuurlijke waterhuishouding van de steen te bevorderen door goede ventilatie en indien van toepassing het gebruik van goede waterdampdoorlatende verfsystemen.
Voor isoleren van gevels zie de paragraaf 3.4.1 Gevel isoleren
Uitvoeringsvoorschriften
Indien het reinigen van mergel noodzakelijk is, kan dit door het gebruik van een zachte borstel en eventueel afspoelen met schoon leidingwater.
De te vervangen stenen dienen verwijderd te worden zonder de omringende stenen te beschadigen.
Bij het inboeten moeten de mergelblokken eerst vochtig worden gemaakt, om de uitharding van de mortel goed te laten verlopen.
De nieuwe mergelblokken moeten op een manier verwerkt worden waarbij rekening wordt gehouden met de structuur van de mergelblok. De horizontale legrichting van de mergelblok dient dezelfde te zijn als de structuur voorafgaand aan de delving in de groeve. Mer¬gel kan maar een geringe druk¬spanning verdragen en als de steen dwars op de richting van de oorspronkelijke lagen wordt ingemet¬seld dan zal de steen breken of verpulveren.
De samenstelling van de mortel moet overlegd te worden met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht.
De voegen moeten zo smal mogelijk zijn, maximaal 2-3 mm dik zijn. Het hoofdbestanddeel van de mortel die gebruikt wordt moet op kalkbasis en zonder cement samengesteld zijn.
De mergel moet ‘vol en zat’ worden verwerkt, zodat holle ruimtes met lucht in het muurwerk vermeden worden.
Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden dient een bemonstering van het te vervangen mergelwerk beoordeeld te worden door de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht. Het proefvlak dient circa 50 bij 50 cm groot te zijn en op een niet zichtbare plek aangebracht te worden.
Nadere informatie
“Mergel, natuurlijk Limburgs bouwmateriaal”, in: Monumenten, vol.16 (1995), afl. 1-2, pag. 15-18.
KNOB Rob van Hees 2009
Algen, mossen en korstmossen
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_16.pdf
3.2.5 Beton
Definitie
Beton is een kunstmatig vervaardigd steenachtig materiaal. Minerale hulpstoffen als zand en grind, toeslagstoffen en water worden bijeen gehouden door een hydraulisch bindmiddel. In de meeste gevallen is dit bindmiddel cement, in alle andere gevallen is kalk met tras het bindmiddel. De verharding ervan is een gevolg van de reactie tussen water en cement, waardoor het cement alle samenstellende delen verbindt tot een steenachtig materiaal.
Het verschil tussen beton en cementmortel wordt bepaald door de grootte van de zand- en grindkorrels: zijn deze korrels groter dan 4 mm dan is er sprake van beton, zijn deze kleiner dan hebben we te maken met cementmortel.
Beton wordt toegepast betonconstructies. Historische betonconstructies komen o.a. voor als het Hennebiquesysteem of paddestoelvloeren. Door het Hennebiquesysteem werd een skelet van kolommen, balken en vloeren van gewapend beton mogelijk. De paddestoelvloer is geschikt voor hoge belastingen, maar werd ook om esthetische redenen regelmatig toegepast. De paddestoelvloer kan buiging in twee richtingen opnemen en om spanningsconcentraties bij de opleggingen te verminderen worden de kolommen van een kop voorzien.
Uitgangspunt
De bestaande betonconstructie dient zoveel mogelijk behouden te worden. Hierbij geldt dat de kwaliteit van het beton en de mogelijk optredende schadeoorzaken bepalend zijn voor de wijze waarop het materiaal moet worden geconserveerd of hersteld. Bij sommige monumenten met name bij het industrieel erfgoed maakt het beton onderdeel uit van het architectonisch ontwerp. Hierbij heeft het materiaal beton ook een esthetische waarde. Daarom is het van belang terughoudend te zijn met schilderwerk en gevelbekleding van het beton.
Onderzoek en analyse
Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen onderstaande items te worden vastgesteld / onderzocht, waarbij de technieken afhangen van de schade:
Visuele inspectie
Prognose van de schade ontwikkeling en onderzoek naar de schademechanismen
Bepaling van de historische waarden van het beton voorafgaand aan werkzaamheden
Bekloppen van het betonoppervlak (verschil van klank)om delaminaties, grindnesten, holtes etc. op te sporen
Het nemen van monsters om de mechanische, fysische en chemische eigenschappen te onderzoeken in het laboratorium
Onderzoek met een terugslaghamer, dekkingsmeter of een betontester
de oorzaak van de schade om een schadeanalyse te kunnen maken
de kwaliteit van het beton
de invloeden waaraan het beton wordt blootgesteld: fysische en mechanische belasting, weersinvloeden
de betondekking (de afstand tussen oppervlak en wapening). Hiermee kan de levensduur van het beton bepaald worden of berekend wanneer de wapening bloot komt te liggen.
de pH-waarde van het beton / alkaliteit, waarbij ondermeer gebruik kan worden gemaakt van een indicator vloeistof (fenolftaleïne) in een breukvlak om de carbonatatiediepte te berekenen.
Indien onderdelen van de betonconstructie vervangen moeten worden dient aangetoond te worden dat deze constructief niet meer voldoen.
Schades, oorzaken en oplossingen
Mogelijke schades
Roestende wapening
Afdrukken / loskomen van schollen beton
Lichtbruine roestvlekken, zogenaamde chloridenschade
Constructieve schade indien roestende wapening niet behandeld wordt
Scheuren ten gevolge van te hoge druk
Mogelijke oorzaken
Chemische reactie tussen stoffen die aanwezig zijn in de cementsteen en de toeslagstoffen, waarbij een hoge vochtigheid een voorwaarde is
Roestende wapening als gevolg van het carbonatatieproces (het indringen van koolzuur in het beton waardoor de alkaliteit van het beton afneemt en door verval de wapening bloot komt te liggen)
Roestende wapening heeft meer volume dan het wapeningsstaal
In het verleden verkeerd uitgevoerde herstelwerkzaamheden met verkeerde reparatiemortel
Schade ontstaan door hogere belasting door een veranderd gebruik of andere functie
Niet stabiele verzakkingen als gevolg van wisselende grondwaterpeil
Thermische werking als vervormingen niet mogelijk zijn of worden verhinderd, door het ontbreken van dilataties en uitzetvoegen
Uitdrogingskrimp
Bevriezing van vocht, vorst-dooizoutschade
Dampdicht verfsysteem met vochtophoping als gevolg
kwaliteit beton
chemische aantasting van de cementsteen
fysische en mechanische aantasting van het beton
calamiteiten
Mogelijke oplossingen
Kwaliteit beton en betondekking (minimaal 25 mm) verbeteren
De vereiste eigenschappen van het herstelmateriaal bepalen de keuze van de hersteltechniek
Kathodische bescherming van de wapening, waardoor de roestvorming wordt afgeremd, zodat geen hak- en breekwerk nodig is.
Vochttoetreding verminderen door het afdichten en / of volledig dichtzetten van scheuren of in uiterste geval het aanbrengen van een verflaag
Verminderen van vochtgehalte in beton rondom de wapening
Injecteren van beton kan onder lage druk via de scheur of onder hoge druk via boorgaten
Wanneer uit onderzoek is gebleken dat het beton gezond is, dan hoeft het beton niet gehydrofobeerd of geschilderd te worden
Het schilderen van beton om esthetische of technische redenen is slechts mogelijk indien historisch verantwoord en indien geen afbreuk wordt gedaan aan oorspronkelijke uitstraling, textuur en kleur
Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria
Afhankelijk van het oorspronkelijk materiaal dienen de beschadigingen aangeheeld te worden met cementgebonden mortel al dan niet polymeer gemodificeerd.
Het gebruik van volledig kunstharsgebonden mortels wordt ontraden, omdat de eigenschappen teveel verschillen met die van traditioneel beton. Door verschillen in spanningen kan het materiaal loskomen
Betonconstructies kunnen alleen geschilderd worden indien de ‘schone’ betonconstructie geen wezenlijk onderdeel vormt van de karakteristiek van het monument.
Wanneer het vanwege vocht of andere technische redenen noodzakelijk is de betonconstructie te beschermen kan het geïmpregneerd worden of behandeld met een kleurloze minerale verf. De verflaag dient dampopen te zijn en niet film-vormend (folievorming).
Indien de bestaande constructie niet toereikend is, dient naar een oplossing gezocht te worden om het draagvermogen te versterken die zo min mogelijk de bestaande karakteristiek van het monument aantast.
Uitvoeringsvoorschriften
Bij gebruik van reparatiemortel moet deze aangepast zijn aan de bestaande kwaliteit, samenstelling en elasticiteit van het bestaande beton.
Het is van belang dat reparaties of aangeheelde onderdelen eenzelfde afwerking en uiterlijk krijgen als de oppervlaktestructuur, textuur, kleur en behandeling van het bestaande beton.
Nadere informatie
Beton, schade en analyse:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_40-2004.pdf
Beton, onderhoud en herstel:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_44-2006.pdf
Beton, herstel en uitvoering:
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_45-2006.pdf
Beton behouden – Theorie in de praktijk gezet:
http://www.wta.de/nl/system/files/syllabi/Beton20behouden20-20Theorie20in20de20praktijk20gezet.pdf
Valorisatie en consolidatie van monumentale betonconstructies:
http://www.wta.de/nl/system/files/syllabi/Valorisatie_en_consolidatie_van_monumentale_betonconstructies.pdf
Cement en beton
Nieste, A., van mergel tot cement: zeventig jaar ENCI 1926-1996, (Maastricht 1996).
3.2.6 Vakwerkgevels
Definitie
Vakwerk
Vakwerkbouw is een bouw in stijl- en regelwerk, waarbij de wanden als een vakwerk worden samengesteld, d.w.z. een geraamte van horizontale drempelhouten, regels of liggers, verticale stijlen en schuine schoren of kruishouten, waartussen de open ruimten gevuld worden met vlechtwerk van tenen en leem, grove steen of planken. Het gebruik van vakwerk is typerend voor Zuid-Limburg.
Leem
Leem is een kleisoort en bestaat vooral uit de fijnkorrelige mineralen klei, silt en een relatief hoog percentage fijn zand. Daarnaast bevat leem een aantal andere mineralen als ijzer, magnesium, calcium en kalium die het materiaal speciale eigenschappen als elasticiteit en verwerkbaarheid verschaffen. Zij bepalen ook de kleur die kan variëren van bruin tot rood en van wit tot geel of grauw.
Leem is een natuurlijk bindmiddel, waarbij de aanwezigheid van klei belangrijk is vanwege de bindende kracht. Het bestanddeel klei mag echter niet te groot zijn, omdat anders de leem te vet of kleiig wordt en de toevoeging van zand nodig is om de leem te verschralen. Door leem te verschralen blijven krimpscheuren uit. Leem kan steviger en watervaster worden gemaakt door het materiaal te vermengen met stro of koeienmest.
Leem heeft door zijn massa een groot vermogen om warmte op te slaan en heeft, wanneer met voldoende stro vermengd, een goede warmte-isolerende werking. Leem reguleert de luchtvochtigheid en neemt in korte tijd een grote hoeveelheid vocht op uit de lucht, nog meer dan baksteen, en geeft dit vocht geleidelijk ook weer af. Leem is niet watervast en dit wordt soms als een groot nadeel gezien.
Uitgangspunt
Behoud van de bestaande vakwerkconstructie is het uitgangspunt.
Onderzoek en analyse
Bij het noodzakelijk vervangen van vakwerkonderdelen dient middels deugdelijk onderzoek aangetoond te worden dat dit technisch noodzakelijk is. Bouwhistorisch onderzoek zou kunnen uitwijzen hoe de vakwerkconstructie is opgebouwd en ontstaan. Wellicht zijn er nog merktekens aanwezig.
Dendrochronologisch onderzoek kan uitsluitsel geven over de datering van het houtwerk.
Schades, oorzaken en oplossingen
Mogelijke schades
Uitvallen van (leem)-pleister
Uitspoelen van leempleister
Instabiliteit vakwerk
Verwering van houten vakwerk
Afbladderen van verflagen
Mogelijke oorzaken
Indringing van vocht door bijvoorbeeld lekkende goten of hemelwaterafvoeren
overmatige vochtbelasting van het metselwerk
Bevriezing van vocht, leem is vorstgevoelig wanneer de poriën te klein zijn
Onvoldoende onderhoud
Verzakking
Natuurlijke verwering
Mogelijke oplossingen
Herstel van goten en waterlijsten
Herstel van houtconstructie
Aanbrengen van nieuw leempleisterwerk
Aanbrengen van leempleisterwerk met voldoende lucht en grote poriën om schade door bevriezen van vocht tegen te gaan.
Aanbrengen van nieuwe verflagen op zowel leem als het houten vakwerk
Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels deugdelijk onderzoek te worden aangetoond welke onderdelen van de houtconstructie vervangen moeten worden. Dit dient op tekening met een kleuraanduiding inzichtelijk te worden gemaakt. Indien mogelijk dient het onvoldoende draagvermogen rekentechnisch te worden aangetoond.
Het vervangen van lemen vakwerkvullingen door stenen vullingen is niet toegestaan. Dit kan schade aan de houten vakwerkconstructie veroorzaken.
Indien het lemen vakwerkvullingen vervangen moeten worden, dient de opbouw en samenstelling te worden overlegd en beoordeeld. Hierbij dient rekening gehouden te worden met ventilatie en isolatie.
De kleurstelling en de vakwerkvulling van vakwerkgevels dienen conform bestaande toestand gehandhaafd te blijven.
Voor overige richtlijnen en toetsingcriteria zie houten kapconstructie.
Voor isoleren van gevels zie de paragraaf 3.4.1 Gevel isoleren
Uitvoeringsvoorschriften
Indien er vakwerkvullingen aanwezig zijn en deze niet handhaafbaar zijn, dient na het verwijderen overleg plaats te vinden met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht om de technische staat van het vakwerkskelet goed te kunnen inspecteren en het definitieve restauratieplan vast te stellen.
Nadere informatie
Eggen, C., Vakwerkbouw in Limburg. Weert, 1989.
Hekker, R.C. Het vakwerkhuis van de late middeleeuwen tot omstreeks 1850 in Maastricht en Sittard. Zeist, 1990
Birgit Dukers, “Maastrichtse vakwerkbouw, resten van een houten verleden”, Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, 103 (2004), p. 201-214.
3.2.7 Geveldetails en ornamenten
Definitie
In een gevel kunnen onderdelen of details zijn opgenomen ter verfraaiing, maar die tegelijkertijd ook een constructieve functie kunnen hebben. Voorbeelden van dit soort elementen zijn fratskoppen (mascarons), kraagstenen, sluitstenen, jaarstenen, gevelstenen, frontons, omlijstingen, sierankers, enz.
Gevelsteen
Een gevelsteen is een steen, plaat of blok in de gevel waarin een voor de (eerste) eigenaar kenmerkend opschrift is zij kunnen bijvoorbeeld jaartalstenen, stenen met een naamaanduiding of ook familiewapens in attieken zijn. Soms is de gevelsteen een herdenkingssteen. In sommige gevallen zijn gevelstenen herplaatst en afkomstig van een andere locatie. Gevelstenen ontlenen hun zeggingskracht aan een voorstelling of tekst in reliëf, eventueel in combinatie met polychromering.
Gevelstenen waren gewoonlijk opgenomen in het fries boven de onderpui en zij speelden vaak een rol in de adresaanduiding.
Gedenkstenen
Gedenkstenen zijn een aparte categorie binnen de gevelstenen. Gedenkstenen herinneren aan een beroemde bewoner of aan een gebeurtenis, zoals bijvoorbeeld een eerste steenlegging. Jaartalstenen zijn ook op te vatten als gedenkstenen.
Mascaron
Een mascaron is een siermotief, dat is uitgevoerd in de vorm van een fantasierijk menselijk of dierlijk gelaat of buste en wordt meestal toegepast als ornament boven een boog of onder een kroonlijst of balkon.
Muurankers
Een muuranker is een smeedijzeren staaf, waarmee balken en stijlen aan muren kunnen werden bevestigd waarmee werd voorkomen dat muren konden uitwijken.
De oudste muurankers stammen uit de 13de eeuw. Smeedijzeren sierankers werden meestal vervaardigd van begin 16de eeuw tot in de 2de helft van de 17de eeuw. Jaartalankers werden meestal vervaardigd vanaf ca. 1550.. Na het midden van de 17de eeuw verandert de architectuur en worden vrijwel geen sierankers meer vervaardigd. In de 19de eeuw verschijnt dan weer het zogeheten gietijzeren sier- en rozetanker. Een muuranker kan recht, gekromd, C-, S-, X- of Y-vormig, in de vorm van een letter of cijfer (jaartal), en kan ook rijk bewerkt zijn. Als het anker bewerkt is spreken we van een sieranker. Als het anker ingemetseld wordt, heet het anker blind.
Ventilatieroosters
Bij 19e eeuwse en vroeg 20e eeuwse panden kunnen wel gietijzeren roosters voorkomen als afsluiting van een ventilatiekanaal ter hoogte van de vloerconstructie. Deze situatie kan benut worden om de ventilatievoorziening van een pand te verbeteren. Aan dergelijke kanalen zijn vaak eenvoudig suskasten te koppelen.
Uitgangspunt
Behoud van alle geveldetails en ornamenten staat voorop.
Onderzoek en analyse
Bij het schilderen van gevelstenen of gevelankers dient steeds kleuronderzoek plaats te vinden. Gevelankers dienen gecontroleerd te worden op roestvorming. Visuele inspectie van de gevelankers is gericht op het signaleren van:
Kunnen er stabiliteitsproblemen ontstaan wanneer gevelankers worden gedemonteerd?
Onderzoek van historische verflagen op gevelankers
Vervorming
Breuken en scheuren
Corrosie
Ontbrekende verbindingen
Porositeit en luchtgaten
Schades, oorzaken en oplossingen
Mogelijke schades
Scheurvorming
Barstvorming
Kapot springen van metselwerk of natuursteen
Vervorming van de gevelankers
Afdrukken / loskomen van delen van gevelsteen of natuurstenen decoratie
Roestvorming in de ankers
Verlies van decoratieve waarde
Gebroken ankers
Vochtproblemen
Mogelijke oorzaken
Roestvorming in de ankers waardoor spanning in het metaal worden veroorzaakt, vooral wanneer elementen zitten vastgeklemd
Door roestvorming neemt volume toe en ontstaan scheuren en barsten of worden delen van de gevel losgedrukt
Bevriezing van vocht in gevelstenen of andere natuurstenen elementen
Aanwezigheid van roest en zuurstof leidt tot corrosie van ijzeren of stalen delen
Verkeerde hersteltechnieken in het verleden
Op verkeerde wijze isoleren leidt tot vochtstromen
Spanning in het metaal
Ontbrekende verbindingen bij gevelankers
Luchtgaten, porositeit bij gevelankers
Onvoldoende onderhoud, met als gevolg bijvoorbeeld poreuze verflagen
Verkeerde verfsystemen
Mogelijke oplossingen
Frequenter onderhoud van gevelankers, ook op moeilijk bereikbare plaatsen
Op de juiste wijzen isoleren, daarbij ook rekening houdend met gevelisolatie, beglazing en verflagen aan binnen- en buitenzijde van gevelkozijnen om vochtstromen te voorkomen
Uitvoeren van conserverings-, schilder- of verniswerk
Voorkomen dat water kan blijven staan op of in de aansluiting van gevelanker en gevel
Afhankelijk van de ernst van de schade en de locatie moeten gevelankers gedemonteerd worden door boren of hakken, behandeld ter plaatse of in fabriek en herplaatst of vervangen worden
Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria
Indien onderdelen zoals muurankers vervangen moeten worden dient middels deugdelijk onderzoek aangetoond te worden dat deze constructief niet meer voldoen.
Onderdelen van ankers of ijzeren elementen die aan de buitenzijde niet zichtbaar zijn maar zich in of achter het geveloppervlak bevinden dienen eveneens zo veel mogelijk ontroest te worden.
Tegeltableaus en gevelstenen moeten gehandhaafd blijven en mogen niet worden overgeschilderd of anderzijds weggewerkt op een wijze die schade aan het tableau of gevelsteen veroorzaakt.
Het polychromeren van gevelstenen en reliëfs is alleen toegestaan, indien ze dateren uit een tijd dat polychromeren gebruikelijk was. Een voorstel hiervoor dient onderbouwd te zijn door middel van historisch onderzoek en dient in het kader van de vergunningverlening te worden voorgelegd en beoordeeld.
Het schilderen van gevelstenen met olie- of siliconenemulsieverf in dezelfde kleurstelling is aan te raden, omdat deze verf de stenen beschermt. Het verfsysteem moet dampopen zijn en moet zonder schade aan de steen te verwijderen zijn. Het gebruik van mineralogische verven op gevelstenen is niet toegestaan, omdat deze verven een reactie aangaan met de ondergrond en niet meer reversibel zijn.
Het maken van extra ventilatievoorzieningen in de gevel is bij gevels met een hoge monumentale waarde doorgaans niet mogelijk.
Bij gevels met beperkte monumentale waarde kan een ventilatievoorziening in de vorm van een gemetseld “rooster” m.b.v. open voegen of een gietijzeren rooster gemaakt worden. Achter deze roosters behoort het maken van suskasten tot de mogelijkheden.
Uitvoeringsvoorschriften
Geroeste ijzeren elementen in de gevel dienen ontroest en geconserveerd te worden in plaats van te vervangen, tenzij herstel niet mogelijk is.
Geroeste ankers moeten goed vakkundig en door een specialistisch bedrijf worden geconserveerd want ze kunnen veel schade aanrichten in de steenachtige constructies waarin ze geplaatst zijn.
Smeedijzeren elementen kunnen niet gelast worden.
IJzeren restanten zonder technische functie of decoratieve waarde dienen om corrosie te voorkomen in overleg met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht verwijderd te worden.
Bij het aanbrengen van verflagen dient men rekening te houden met de textuur van de ondergrond door een transparante opbouw van de verschillende verflagen te gebruiken, ook wel glaceren genoemd.
Nadere informatie
Instandhouding van smeedijzer in het exterieur
http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_32-2003.pdf
Onderhoud van ijzerwerk
http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b487.pdf
3.2.8 Gevelpuien
Zie welstandsnota, gebiedsgericht, Hoofdstuk 11, bijzondere gebieden, objecten en ensembles, winkelpuien, pagina 106, 108 en 109, http://www.maastricht.nl/maastricht/show/id=146254
3.2.9 Gevelreclame
Zie welstandsnota, reclamebeleid, http://www.maastricht.nl/maastricht/show/id=147985
Hoofdstuk 3
Artikel 3.2