Naar hoofdinhoud
3.6.1 Dakpannen Definitie Een dakpan is een uit klei gebakken tegel of gevormd beton als bedekking van een dak, schubsgewijs over elkaar liggend. De kleuren variëren meestal van rood (roodoranje), grijs tot zwart. In de loop der eeuwen zijn verschillende soorten pannen geproduceerd: oud hollandse, tuile du nord, vlakke muldenpan, kruispannen ook wel boulet pannen genaamd, verbeterde hollandse pan, opnieuw verbeterde hollandse dakpan, glazen dakpannen (als looplicht). Afhankelijk van de positie op het dak onderscheiden we de volgende typen dakpannen: gevelpannen, onder – en bovenpan, nokvorsten, eindvorsten, broekstukken, ventilatiepannen, chaperonpan, knikpan e.d. In de Maastrichtse binnenstad zijn de meeste daken gedekt met blauwgrijze pannen, die refereren aan de periode dat de meeste gebouwen nog met leien waren gedekt. Oud Hollandse dakpannen zijn in deze stad nagenoeg de oudste pannensoort, behoud ervan is daarom gewenst indien de kwaliteit en hoedanigheid het toelaat! Uitgangspunt Het historisch pannendak vormt een wezenlijk onderdeel van het monument en van belang voor het stadsbeeld. De tendens om holle pannen tijdens de restauratie te vervangen door opnieuw verbeterde Hollandse is een ongewenste ontwikkeling. Het eenvormige strakke uiterlijk van die pannen is wezensvreemd aan het historische dak. Onderzoek en analyse Indien dakpannen vervangen worden dient te middels deugdelijk onderzoek worden aangetoond dat deze niet meer voldoen. Bij hergebruik van pannen dienen deze eerst gecontroleerd te worden. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Verdwijnen of doorbreken van historisch pannendak Kapotte pannen Kalkmortel nokvorsten verdwenen Losliggende dakpannen Scheurvorming Afschilferen van pannen Mogelijke oorzaken Stormschade, hagel Begroeiing, vallende takken Toenemend gebruik van zolders voor woon- en werkruimte Aanbrengen van dakbeschot en isolatie Aanbrengen van daklichten, dakkapelen, rookgaskanalen etc. Pannen worden niet hergebruikt, maar belanden in de container Onbekendheid met de waarde van een historisch pannendak Onwetendheid over de herstelmogelijkheden van een historisch pannendak Mogelijke oplossingen Frequent onderhoud van het pannendak Jaarlijkse controle Aanleggen van een voorraad oude dakpannen Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Mocht er een technische noodzaak zijn om de pannen van een dakvlak of geheel dak te vervangen dient dit middels deugdelijk onderzoek aangetoond te worden. De slechte pannen dienen vervangen te worden door historische pannen. Slechts indien deze aantoonbaar niet meer verkrijgbaar zijn, is het mogelijk nieuwe ‘namaak’ pannen te gebruiken. Bij monumenten en beeldbepalende panden in het beschermd stadsgezicht van Maastricht zijn doorgaans gesmoorde keramische dakpannen toegepast. Deze zijn blauw-grijs van kleur. Het gebruik van rode pannen is slechts sporadisch mogelijk indien dit aantoonbaar bij het oorspronkelijke ontwerp hoort. Indien van toepassing dient de gemêleerde kleurstelling van het dakvlak gehandhaafd te blijven. Betonpannen passen door hun afmetingen, kleur en verwering niet bij monumentale panden en zijn in het beschermd stadsgezicht ongewenst. Dit geldt ook voor de toepassing van asfalt (shingles), kunststof, stalen en bitumineuze dakbedekkingen op hellende dakvlakken. Bij een dak met oud-hollandse pannen moet een licht gebogen, platte nokvorst of een loden nokafdekking te worden toegepast. Het is aanbevelenswaardig onder oud-hollandse pannen een dampdoorlatende folie aan te brengen. Uitvoeringsvoorschriften De bestaande pannen dienen zoveel mogelijk hergebruikt te worden. Bij het afnemen van de pannen dienen deze gesorteerd te worden en de bruikbare exemplaren, dat wil zeggen pannen waarvan de levensverwachting langer dan 15 jaar is, te worden hergebruikt. De slechte pannen kunnen in overleg met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht incidenteel worden vervangen met pannen die wat betreft vorm en kleur aansluiten op de bestaande pan. Voor de uitvoering van de werkzaamheden dient de toe te passen dakpan ter goedkeuring worden voorgelegd aan de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht. Het verdient de aanbeveling zowel de bestaande pannen als de nieuwe pannen bij elkaar te leggen. Bij veel materiaalverlies is het raadzaam met de overgebleven goede pannen de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijde eerst te dekken. Het aansmeren van pannen mag alleen in geval van noodherstel of reparatie van incidentele lekkages. Het aansmeren van de nok en hoekkepervorsten dient toegepast te worden in kalkspecie. Het gebruik van portlandcement of elastische mortels op basis van lijnolie of lijnzaad met polystyreentoeslag is niet toegestaan. Nadere informatie Het pannendak http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek12.pdf 3.6.2 Leien Definitie Een lei is een kleine dunne plaat uit leisteen gekloofd en gehakt, enkele mm tot ruim 1 cm dik en meestal blauwgrijs van kleur. De leien, al sinds de 13e eeuw toegepast op belangrijke gebouwen zoals kerken, kloosters, raadhuizen en kastelen, kwamen vroeger voornamelijk via de Maas uit Frankrijk en België en via de Rijn uit Luxemburg en Duitsland, tegenwoordig steeds vaker uit andere landen als Ierland, Spanje of zelfs Vietnam. Bepalend voor het uiterlijk van het leiendak is de dekking. We onderscheiden rechthoekige leien (maasdekking) en schubvormige leien (rijndekking). Opvallend aan daken met maasdekking zijn de horizontale lijnen en verticale naden die per lei verspringen, terwijl bij daken met rijndekking duidelijk schuin oplopende naden zijn te herkennen. Leien worden vastgespijkerd op een dakbeschot al dan niet met panlatten. Bij maasdekking kunnen de leien ook door middel van haakjes worden bevestigd. Vooral bij oude leiendaken kan schade ontstaan of kunnen leien verschuiven doordat haakjes of nagels zijn open gebogen of doorgeroest. Om deze reden is het belangrijk om zwartgemaakte roestvrijstalen leihaken of koperen nagels te gebruiken. Een goed aangebracht leiendak kan ca. 60 a 80 jaar meegaan. Leien worden rechtstreeks gespijkerd op het dakbeschot of op leilatten. Vooral bij de bevestiging van leien op het dakbeschot is het ventileren van de dakconstructie van groot belang om verstikking te voorkomen. Uitgangspunt Handhaven van het leiendak is het uitgangspunt. Onderzoek en analyse Indien nieuwe leien worden toegepast dient een keuringsrapport met herkomstcertificaat te worden overlegd . Het keuren van leien op fysische, chemische en petrografische kenmerken van duurzaamheid en kwaliteit is van belang voor de instandhouding van daken. Deze keuring moet door een onafhankelijk onderzoeksinstituut worden verricht. De op basis van deze keuring te verwachten levensduur van een natuurlei dient ten minste 80 jaar te zijn. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Verdwijnen of doorbreken van historisch leiendak Kapotte leien Losliggende leien Scheurvorming Afschilferen van leien Mogelijke oorzaken Stormschade, hagel Begroeiing, vallende takken Ondeugdelijke onderconstructie Verkeerde wijze van bevestigen Inferieure kwaliteit leien Moeilijk bereikbaar of begaanbaar door ontbreken van klimhaken Verkeerde toepassing Toenemend gebruik van zolders voor woon- en werkruimte Aanbrengen van dakbeschot en isolatie Aanbrengen van daklichten, dakkapelen, rookgaskanalen etc. Leien worden niet hergebruikt, maar belanden in de container Onbekendheid met de waarde van een historisch leiendak Mogelijke oplossingen Frequent onderhoud van het leiendak Jaarlijkse controle Keuring van de nieuwe leien Aanbrengen van klimhaken Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Bestaande leien dienen slechts vervangen te worden als deze technisch slecht zijn. Bij twijfel over de kwaliteit van bestaande leien, kan een keuring uitsluitsel bieden over de te verwachten levensduur. Indien de leien vanwege technische noodzaak vervangen worden, dienen de nieuwe leien een minimale levensduur van 80 jaar te hebben. Dit dient aangetoond te worden door middel van een keuring. Indien er leien door ouderdom van de haken uitzakken is het meestal aan te bevelen om het gehele dak te herdekken. De oorspronkelijke wijze van dekken dient te worden gehandhaafd. Kunstleien of andere producten ter vervanging van natuurleien zijn niet toegestaan. Klimhaken dienen alleen aangebracht te worden wanneer inspecties niet op andere wijzen mogelijk zijn. Klimhaken dienen alleen aangebracht te worden tijdens restauratiewerkzaamheden van het dak. Klimhaken moeten voldoen aan de gestelde eisen van de arbo-wetgeving. Nadere informatie Het keuren van natuursteen leien http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek13.pdf Veilig werken in en op monumenten http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_36-2003.pdf 3.6.3 Overige dakbedekkingen Definitie Zink Vanaf halverwege het eerste kwart van de negentiende eeuw wordt het bouwmateriaal zink vanwege het veelzijdige karakter steeds vaker toegepast aan en op gebouwen in de vorm van dakbedekking voor roevendaken of dakkapellen, goten, losanges (ruitvormige platen als dak- of gevelbekleding), hemelwaterafvoeren of ornamenten. Naarmate er steeds vaker gebruik wordt gemaakt van neo-architectuurstijlen verschijnen ook in zink uitgevoerde ornamenten. Het materiaal is tamelijk hard en grijs-blauwig wit van kleur, soms bepaald door het beschermende wittige oxidelaagje dat in de buitenlucht ontstaat, de patina. Afhankelijk van het walsen hebben de zinken platen een dikte van 0,65 mm (zink 12), 0,80 mm (zink 14), 1,10 mm (zink 16) en 1,60 mm (zink 20). Het bouwmateriaal zink is aanzienlijk goedkoper dan koper of lood, maar heeft vanwege de corrosiegevoeligheid in natte milieus ook een kortere levensduur. Zinkwerk dient te worden uitgevoerd door een vakkundig dakdekkerbedrijf, waarbij rekening dient te worden gehouden met de uitzettingscoëfficiënt, omdat zink ruimte nodig heeft om te kunnen uitzetten en krimpen. Zink heeft een strakke uitstraling omdat het gezet wordt en niet gedreven. De kwaliteit van het tegenwoordige zink is verbeterd door het toevoegen van titaan. Om deze reden spreken we van traditioneel bladzink, wat nog veel aanwezig is op bestaande gebouwen en titaanhoudend bladzink. De eigenschappen zijn sterk afhankelijk van de richting. De zinkplaten hadden een zogenaamde ‘vezelstructuur’. Koper Bladkoper wordt in de vorm van dakbedekking, goten en hemelwaterafvoeren, lantaarns of uithangborden al langer toegepast op gebouwen dan zink, maar komt minder voor. In de meeste gevallen is voor koper gekozen vanwege architectonische overwegingen en de beeldbepalende groene oxidatiekleur. Tegenwoordig vindt koper juist afzetting vanwege het duurzame karakter, dat ontstaat door het oxidatieproces waardoor de kleur van koper transformeert van rood naar bruin en vervolgens het mooie groen. Lood Het bouwmateriaal lood wordt al gedurende vele eeuwen veelvuldig toegepast als dakbedekking, voor goten en waterafvoeren en als bekleding van houtconstructies en voor decoratieve elementen. Lood is een zwaar, makkelijk smelt-, buig- en pletbaar metaal, dat vroeger in platen werd gegoten, thans meestal wordt gewalst. Dit vrij dure, maar zeer duurzame materiaal wordt voornamelijk verwerkt als loodslabbe, een strook lood om een waterdichte aansluiting te verkrijgen tussen onderdelen van een gebouw, bv. bij een schoorsteen of een dakvenster. Wanneer lood toch als hoofddekking fungeert dan vooral als bekleding van torenspitsen of koepels. Lood, verkrijgbaar in verschillende dikten, werd vroeger aangeduid met de eenheid pond. Hoe zwaarder (dikker) het lood, hoe sterker het materiaal. Op monumenten wordt 25 ponds lood of zwaarder toegepast, waarbij dit type een gewicht heeft van 25 kg/m2 (en niet 25 pond). Oud lood heeft een mooie lichtgrijze tot witte gekleurde verweringskleur. Nieuw lood is meestal donkergrijs van kleur en ook behandeld met een patineerolie. Door de patinalaag is het lood bestand tegen veel invloeden van buitenaf, behoudens organische zuren. Lood dient te worden gepatineerd met patineerolie, om aflopen van loodwit op onderliggende constructies te voorkomen. Bitumineuze dakbedekkingen Bij hellende daken zijn bitumineuze dakbedekkingen meestal in de vorm van shingles toegepast, een dakbedekking die in beperkte mate het uiterlijk heeft van een leidekking. Bij platte daken komt bitumineuze dakbedekking als historisch materiaal voor als teerpapier. Soms wordt dit nog onder nieuwere dakbedekkingslagen aangetroffen. Uitgangspunt De toepassing van zink, koper en lood kan in sommige ontwerpen de karakteristiek bepalen van een monument en moeten bij restauraties op dezelfde wijze worden toegepast als in de bestaande situatie met gebruikmaking van traditionele bevestigingsmethoden. De toepassing van bitumineuze shingels is geen traditionele dakbedekking maar bij oude panden is deze dakbedekking in de plaats gekomen van bijvoorbeeld leien of zink. In de regel wordt een bitumineuze dakbedekking gezien als een verarming. Indien historische bitumineuze dakbedekking op platte daken wordt aangetroffen dient zorgvuldig onderzoek en zo mogelijk conservering uitgangspunt te zijn. Onderzoek en analyse Indien non ferro materialen vervangen worden dient te worden aangetoond dat deze niet meer voldoen. Onderzoek en voorbereiding alvorens zink gesoldeerd kan worden Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Puntslijtage, ontstaan van zogenaamde druipgaten Dakbedekking ligt los Strepen, vlekken Lekkende naden Vochtschade aan onderconstructie Aantasting a.g.v. rioolgassen Optische aantasting van metaal, vlekken etc. Plooivorming en scheurvorming bij lood Uitzakken van lood Mogelijke oorzaken Organische zuren Lang nadruppen van hemelwater uit uitlopen, afvoeren, goten veroorzaakt puntslijtage Oxidatie van bevestigingsmiddelen, zodat metalen dakbedekking los komt te liggen Slecht soldeerwerk Condensatievocht kan de onderconstructie aantasten Opstijgende rioolgassen via de hemelwaterafvoer Bepaalde stoffen of materiaalcombinaties kunnen metaal aantasten Kalk kan in aanwezigheid van zuurstof en water metaal aantasten Warme lucht kan aan de binnenzijde van een metalen oppervlak voor condens zorgen wat kan leiden tot corrosie Onvoldoende ventilatie kan leiden tot condensatie tegen de binnenzijde van het metaal Bepaalde zuren in hout kunnen in combinatie met water het metaal aan de niet zichtbare achterzijde aantasten Te lange lengten lood veroorzaken plooivorming en / of scheurvorming Onjuist uitkloppen van lood Bladeren in een natte goot transformeren tot humus, waaruit sulfaten ontstaan die het metaal aantasten Zink wordt aangetast door bitumineuze producten of koper Organische zuren uit riet kunnen in combinatie met water zink aantasten Zink in aanraking met ijzer (draadnagels uit de gootbodem of een verloren spijker in de goot) kunnen het zink ernstig aantasten Koperen leidingen van bliksemafleiderinstallaties kunnen door druipwater ernstige aantastingen van zink veroorzaken. Mogelijke oplossingen Regelmatig inspecties of onderhoud uitvoeren Regelmatig goten schoonmaken Regelmatig naden controleren en opnieuw solderen Het dak op een andere wijze opnieuw dekken Bij een geïsoleerde dakconstructie zorgen voor een goede damprem aan de binnenzijde en voldoende ventilatie onder de dakhuid. Aanbrengen van scheidingslagen om contact tussen verschillende metalen te voorkomen Aanbrengen van een verflaag om het zink of lood te beschermen Scheuren en gaatjes in lood kunnen gemakkelijk gerepareerd worden door een stukje lood erop te solderen Zorgen voor voldoende expansiemogelijkheid bij toepassing van metalen Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Indien het materiaal vervangen moet worden vanwege technische redenen dient een minimale dikte gehanteerd te worden van 1.1 mm bij zink (Zink 16), o,8 mm bij koper en 25 ponds lood met uitzondering van dakbedekkingen en bekledingen van goten dat 35 ponds moet zijn. Bij het vervangen van bitumineuze dakbedekking op hellende daken en verondersteld mag worden dat het bitumen een oorspronkelijk ander materiaal vervangen heeft, dient gekozen te worden voor de originele soort dakbedekking. Bij vervanging van het materiaal dient de detaillering (bv. platte kraal of ronde kraal) en bevestiging (bv. klangen en felsverbindingen) conform bestaande toestand uitgevoerd te worden. Bij metalen dakbedekking is voldoende ventilatie nodig tussen het zink, lood of koper en de onderliggende houtconstructie. Het toepassen van zware metalen in de bouw wordt vanwege de milieubescherming niet aanbevolen. Bij monumenten wordt prioriteit gegeven aan het behoud van de waarden en kwaliteiten van het pand. Deze worden mede bepaald door de uitstraling van het materiaal en details. Hierbij kan het behoud en het toepassen van historische materialen voorrang hebben op het vervangen van zware metalen door milieuvriendelijke alternatieven. Zink is slecht bestand tegen kalkhoudende producten en kan daarom nooit worden ingemetseld in muurwerken. Zijkanten van historisch waardevolle dakkapellen zijn vaak in zink uitgevoerd. Het vervangen van zink in ander materiaal is hierbij ongewenst omdat dit het monumentale karakter aantast. Zinken afdekkingen op mergelmuren om inwatering te voorkomen is niet toegestaan omdat dit de technische staat van de mergel aantast. Zinken afdekkingen op bakstenen topgevels is niet wenselijk vanwege de aantasting van het architectonisch beeld en de bouwhistorische kwaliteit. Een oplossing hiervoor is het bestaande voegwerk herstellen en verbeteren. Bij schoorstenen en dakverbindingen dienen loodloketten gebruikt te worden in plaats van het inslijpen van loodslabben. Voor meer informatie zie ook paragraaf 3.6.6 goten. Uitvoeringsvoorschriften Scheuren kunnen afhankelijk van de oorzaak gerepareerd worden door middel van solderen en mogen niet worden gelijmd. Bij het aanhelen van stukken metaal kan het solderen slechts indien de afmeting beperkt is. Wanneer open vuur voor loodgieterswerk onontbeerlijk is, dan dienen voorzorgsmaatregelen genomen te worden om brand te voorkomen. Zink mag niet in aanraking komen met koper, brons en bitumineuze dakbedekkingen. Al deze stoffen gaan een chemische reactie aan en kunnen het zink vroegtijdig aantasten. Zinken uitlopen bij bitumineuze dakbedekking kunnen behandeld worden om schade te voorkomen Bij het werken met lood kunnen giftige stoffen vrijkomen. Hiervoor is het van belang rekening wordt gehouden met de veiligheidsregels van de arbo-wetgeving. Bij het toepassen van lood op eikenhout dient eerst een isolatielaag te worden aangebracht om aantasting van het lood door de aanwezige zuren te voorkomen. Stroken lood mogen niet te groot zijn in verband met het uitzetten van het materiaal. Toepassing van de juiste felsverbindingen voorkomt scheurvorming. Nadere informatie Bladzink op monumenten: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_35-2003.pdf Bladkoper op monumenten http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_33-2003.pdf Bladlood op monumenten http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_34-2003.pdf Metaal in het interieur: http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b488.pdf Hemelwaterafvoer: http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b371.pdf Loodtoepassingen: http://www.bouwlood.nl/PraktijkSubSub/12/Meest_toegepaste_looddikten.html 3.6.4 Dakkapellen en daklichten Definitie Dakkapel Een dakkapel is een opbouw op een hellend dak waarin een raamkozijn is opgenomen en voorzien is van zijwanden, de wangen. Dit vormt een klein uitspringend venster dat een hellend dakvlak onderbreekt om lucht en licht in de kap toe te laten. Vooral bij rijkere huizen kunnen dakkapellen ook vanuit esthetische overwegingen zijn gerealiseerd, waarbij ze werden geplaatst om de architectuur te benadrukken. Dakkapellen zijn in Maastricht doorgaans afgedekt met een haaks op de gevel staand zadeldak (vanaf de zeventiende tot de twintigste eeuw) of rond- of halfrondboogdak (eind achttiende eeuw). Dakkapellen met een plat dak stammen doorgaans uit de twintigste eeuw. Dakkapellen kunnen zijn opgebouwd uit uiteenlopende materialen zoals: hout, zink, lood, koper, baksteen, natuursteen, leien, shingles (bitumen), pleisterwerk. In Maastricht komt vooral de dakkapel met een zadeldak voor. Daklicht of daklantaarn Een daklicht is elke vorm van lichtdoorlating in het dak, zonder dat het als "raam" wordt gezien. Daklichten worden meestal in het hellend vlak van het dak geplaatst t.b.v. daglichttoetreding. Daklantaarns bevinden zich meestel boven trappenhuizen in de vorm van bijvoorbeeld een lichtkoepel. Dakvenster of dakraam Een dakvenster is een raam in een veelal schuin dak. Dit raam kan geopend worden door te kantelen. Lichtstraat Een lichtstraat is een systeem van lichtdoorlatende vensters in een framewerk in het dak, vaak in een serre of uitbouw, vrijwel altijd in een plat dak. Dakdoorbraak of opbouw Een doorbraak door het dak of opbouw op het dak waardoor het doorlopend dakvlak wordt onderbroken. Dit kan bijvoorbeeld door een rookkanaal of door een liftschacht. Loggia’s en (inpandige) dakterrassen Een dakdoorbraak is ook mogelijk door een inpandig dakterras of loggia aan te brengen, een balkon dat binnen het schuine dakvlak valt. Uitgangspunt Het gesloten karakter van een dakvlak dient, afhankelijk van de situatie, gehandhaafd te blijven omdat dit een beeldbepalend onderdeel is van een monument. Van oudsher waren zolders opslagruimtes en waren deze meestal niet voorzien van dakramen of kapellen e.d. Een dakenlandschap met gesloten dakvlakken in de binnenstad heeft een hoge waarde en dient gerespecteerd te worden. Onderzoek en analyse Indien de wens bestaat dakkapellen of daklichten aan het monument toe te voegen dient de noodzaak hiervan aangetoond te worden. Het belang van de functiewijziging en de hoeveelheid daglichttoetreding zal hierbij worden afgewogen. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Schade aan non ferro metalen aan dakkapelen Zie non ferro metalen Houtrot Schimmelgroei Loslaten van delen van het hout Kromtrekken Blazen onder en onthechting van de verflaag Mogelijke oorzaken Liggende, vooruitstekende onderdelen zoals onderdorpels zijn kwetsbaar voor houtrot Onvoldoende onderhoud of onvoldoende inspecties Gebruik van onvoldoende duurzame houtsoorten Aanwezigheid van vuil en algen Ondeugdelijke of dampdichte verflagen of verkeerd verfsysteem aan binnen- en / of buitenzijde Zetting van het gebouw Onvoldoende ventilatie Waterinfiltratie door slechte detaillering of profilering of bijvoorbeeld verstopte condensgaatjes Door gebruik van kunststof reparatiemortels in het verleden Aantasting door insecten Mogelijke oplossingen Bij voorkeur herstel met behulp van historische demontabele technieken zoals pen- en gatverbinding en het gebruik van toognagels in plaats van verlijming Frequenter (preventief) onderhoud, reinigen, schilderwerk Bij schilderwerk aandacht voor binnen- en buitenzijde en juiste type verf, bij voorkeur aan de binnenzijde één verflaag meer aangebracht dan aan de buitenzijde Herstelwerkzaamheden door middel van aanlassen, aanscherven etc. Milieuvriendelijke pillen en capsules tegen houtrot Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Nieuwe dakkapellen, daklichten, dakvensters en dakdoorbraken in het dak zijn alleen toelaatbaar bij monumenten als dit vanwege een nieuwe functie noodzakelijk is en deze niet elders in het gebouw is onder te brengen. Functiewijziging is geen garantie voor toestemming. Soms is een dak dermate waardevol dat er geen openingen mogelijk zijn. Toevoegingen op het dak moeten ondergeschikt blijven, waardoor het programma van eisen ten behoeve van de nieuwe functie wellicht moet worden aangepast. Meer lichttoetreding vanwege comfortverbetering is niet toegestaan. Nieuwe dakkapellen, daklichten, dakvensters en doorbraken in het dak zijn mogelijk indien aantoonbaar is dat deze oorspronkelijk onderdeel hebben uitgemaakt van het ontwerp. Nieuwe dakkapellen, daklichten, dakvensters en doorbraken zijn alleen toegestaan indien er geen monumentale onderdelen van de kap worden aangetast. Deze dienen tussen de spanten, gordingen aangebracht te worden. Loggia’s en (inpandige) dakterrassen zijn in en bij monumentale daken niet toegestaan. Nieuwe dakramen zijn aan de voorzijde of straatgevel niet toegestaan. Het dak dient zo veel mogelijk gesloten te blijven. Nieuwe dakkapellen, daklichten, dakvensters en doorbraken dienen op de minst zichtbare zijde van het monument, over het algemeen de achterzijde, plaats te vinden. De plaatsing en positie van dakkapellen, daklichten, dakvensters en doorbraken dient zorgvuldig overwogen te worden. Hierbij dienen de toevoegingen ondergeschikt te blijven aan het dakvlak. Er dient rekening te worden gehouden met de plaatsing ten opzichte van de gevel- en vensterassen. Daarnaast dienen de afstanden tot de nok, zijkant en de goot groot genoeg te zijn. Nieuwe dakkapellen, daklichten, dakvensters en doorbraken in het dak dienen in de onderste helft van en zo laag mogelijk in het dakvlak geplaatst te worden en zijn niet mogelijk op wolfeinden. Nieuwe voorzieningen ten behoeve van extra daglichttoetreding in het dakvlak moeten door hun afmetingen ondergeschikt blijven aan het totale oppervlak. Dakkapellen, daklichten, dakvensters en doorbraken zijn daarom slechts beperkt en met beperkte afmeting toegestaan. De beoordeling hiervan is afhankelijk van de grootte en helling van het dak en de grootte van de toe te voegen voorziening, de zichtbaarheid, de plaatsing in het dakvlak. Indien aanwezig kunnen bestaande daklantaarns (boven trappenhuizen) hersteld worden. Daklichten en dakvensters Indien daklichten en dakvensters worden aangebracht is een maximale afmeting van 4 en / of 6-pans daklichten mogelijk. Daklichten en dakvensters dienen optisch de vorm van een staande rechthoek te hebben. Door het hellend dakvlak kan een rechthoekig raam vertekenen door het perspectief. Dit wil zeggen dat de verhouding tussen hoogte en breedte groot genoeg moet zijn. Daklichten en dakvensters dienen verzonken aangebracht te worden, waardoor de bovenzijde van het daklicht gelijk komt te liggen met de pannenlijn. Bij voorkeur dienen daklichten en dakvensters aangebracht te worden met stalen kozijnen en fijne profilering en voorzien van ontspiegeld glas. De kozijnkleur van daklichten en dakvensters dienen afgestemd te worden op de dakbedekking. In sommige gevallen kan als alternatief voor een daklicht of dakvenster gebruik gemaakt worden van transparante of semi-transparante dakpannen. Dit is afhankelijk van de locatie, de vormgeving en kleur van het bestaande dak en wordt beoordeeld in het kader van de vergunningverlening. dakkapellen Dakkapellen mogen de gootlijn en de nok niet doorsnijden. De vorm van de dakkapel dient afgestemd te zijn op de monumentale waarden en architectonisch ontwerp van het pand en op de historische context van de omgeving en wordt beoordeeld in het kader van de vergunningverlening. De zijwangen van een dakkapel dienen uitgevoerd te worden in een donkergrijze kleurstelling afgestemd op de dakbedekking. Witte zijwangen zijn mogelijk indien dit bij het authentieke ontwerp van de historische dakkapel hoort. Het is tevens mogelijk zink of leien toe te passen indien dit bij het authentieke ontwerp past. Zijwangen, windveren, boeiboorden en deklijsten dienen uitgevoerd te worden in de historische houtsoort of in de houtsoort ‘western red ceder’. Het toepassen van Melamineplaatmateriaal (bv. Trespa) is bij monumenten niet toegestaan. Nadere informatie Licht op zolder http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_cultuurhistorie_15.pdf Toegankelijkheid van zolders, kapruimtes, daken en goten: http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b83.pdf 3.6.5 Schoorstenen Definitie Met schoorsteen wordt doorgaans het gemetselde gedeelte boven het dak aangeduid, maar in feite wordt met de term de gemetselde en beklede ondersteuning van de rookvanger boven een tegen de muur aangelegde stookplaats bedoeld. Verwarmde lucht is lichter dan onverwarmde. De rook wordt door de verwarmde lucht meegezogen en stijgt via het rookkanaal naar buiten. Schoorstenen op het dak bestaan afhankelijk van tijdsbeeld en architectuurstijl uit metselwerk, pleisterwerk, gietijzer, keramiek, plaatstaal of beton. De plaatsing van de schoorsteen op het dakvlak is afhankelijk van de functie van het gebouw, de dakvorm of de constructie. In Maastricht komen voornamelijk gemetselde schoorstenen voor. Maastricht is ook rijk aan fabrieksschoorstenen. Een fabrieksschoorsteen is een kanaal dat dient tot afvoer van afvoergassen die vrijkomen bij een productieproces. De oudste schoorstenen stonden doorgaans bij bedrijven met een productieproces waar veel warmte voor nodig was, zoals steenbakkerijen, ijzergieterijen en glasfabrieken. Uitgangspunt Historische schoorstenen boven op het dak dienen, ook indien de schouw niet in gebruik is, behouden te blijven. Hedendaagse ontluchtingspijpen dienen uit het zicht of op het achterdakvlak geplaatst te worden. Onderzoek en analyse Indien de wens bestaat een schoorsteen te verwijderen dient middels deugdelijk onderzoek aangetoond te worden dat deze geen bouwhistorische waarde heeft. Indien nieuwe ontluchtingspijpen aangebracht moeten worden dient aangetoond te worden waarom deze niet in de bestaande rookkanalen ondergebracht kunnen worden. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Lekkages bij aansluiting dakvlakken Omwaaien, stabiliteit vogels, verstoppingen schoorsteenbrand, schoorsteen regendoorslag. Mogelijke oorzaken Slecht of verkeerd voegwerk Geen goede afdekking Verstoppingen waardoor ventilatie ontbreekt Inwateren door slechte loodindekking Verankering niet afdoende Mogelijke oplossingen Voegwerk vernieuwen Loodindekking vervangen Schoorsteen vegen Afdekking op schoorsteen aanbrengen Verankeren door staalbanden Specifieke richtlijnen toetsingscriteria Bouwhistorisch waardevolle schoorstenen moeten worden gehandhaafd. Indien stabiliteit aantoonbaar slecht is, dient reconstructie met hergebruik van het bestaande materiaal in de vergunningaanvraag te worden voorgelegd en beoordeeld. Bij daken die prominent in het zicht liggen dient onderzocht te worden of voorzieningen voor ontluchting en/of ventilatie opgenomen kunnen worden in rookkanalen die niet meer in gebruik zijn. Indien dit onmogelijk is, dienen ze uit het zicht of op het achterdakvlak geplaatst te worden. Dit dient zoveel mogelijk geclusterd plaats te vinden en dan voorzien van een ommanteling. Nieuwe ontluchtingspijpen dienen in de kleur van het dakvlak uitgevoerd te worden. Stalen of aluminium pijpen dienen in de gewenste kleurstelling gemoffeld of gecoat te worden. Bij schoorstenen en dakverbindingen dienen loodloketten gebruikt te worden in plaats van het inslijpen van loodslabben. Afdekkingen op schoorstenen om inwatering te voorkomen door middel van metalen kappen of roosters dienen zorgvuldig te worden aangebracht. Rookkanalen die niet meer in functie zijn dienen met een stenen plaat te worden afgedekt tegen inwateren. Uitvoeringsvoorschriften Indien rookgassen van HR ketels via bestaande rookkanalen worden afgevoerd is een metalen rookdoorvoer met afvoer van condenswater vereist i.v.m. roetdoorslag. Nadere informatie Fabrieksschoorstenen: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_cultuurhistorie_10.pdf 3.6.6 Goten Definitie Een dakgoot is een langgerekte bakvormige constructie onder aan een dak, onder een dakbedekking of tussen twee dakvlakken, waarin hemelwater wordt opgevangen, dat vervolgens naar een afvoer wordt geleid. Materialen die voor een dakgoot of de afwerking worden toegepast zijn hout, zink, koper, lood, aluminium, gietijzer, bitumen, baksteen of beton. In Zuid-Limburg wordt een dakgoot ook wel een kanjel genoemd. We onderscheiden de volgende verschijningsvormen: Blokgoot Een blokgoot is een houten goot, gemaakt door uitholling van een plaat, een houten rib of een balk van naaldhout (de zogenaamde badding); Keulse goot Een Keulse goot is een goot die het hemelwater binnendoor, over de zoldervloer, van een zakgoot tussen twee dakvlakken naar een buitengoot voert; Vlaamse goot Een Vlaamse goot is met een kroonlijst verbonden en loop voorlangs de straat; Een bakgoot Een bakgoot is een voor de gevel aangebrachte gootconstructie van hout bestaande uit bodem, buiten- en binnenopstand, ondersteund door ingemetselde houten klossen of ijzeren consoles. Een mastgoot Een mastgoot werd oorspronkelijk gemaakt uit een houten mast, die in de lengte werd doorgezaagd en uitgehold. Inwendig werd de mast afgewerkt met pek of loodmenie. Tegenwoordig komen vooral mastgoten in metaal of kunststof voor. IJzeren gootbeugels ondersteunen de mastgoot. Deze beugels worden op regelmatige afstand aan de muurplaat of daksporen bevestigd. Een zakgoot Een goot tussen twee dakvlakken wordt een zakgoot genoemd. Een verholen goot Een verholen goot bevindt zich onder de dakbedekking en is daardoor vrijwel onzichtbaar. Bijzondere goten zoals: zakgoot, kilgoot, zalinggoot, verholen goot, Keulse goot. Een zalinggoot Een zalinggoot is een horizontale goot, de zogenaamde zaling, tussen het dakvlak en een verticaal element, zoals een muur of een schoorsteen. Een kilgoot Een kilgoot is een goot die zich tussen twee elkaar ontmoetende schuine dakvlakken bevindt. Uitgangspunt Indien goten vanwege technische redenen vervangen moeten worden dient de bestaande detaillering zoals kroonlijst, gootklossen en zinkkralen behouden te blijven. Onderzoek en analyse Onder de goot is vaak veel informatie afleesbaar omdat de gevel daar vaak goed bewaard is gebleven. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Lekkende dakgoten Mogelijke oorzaken Geen goede waterafvoer waardoor putcorrosie ontstaat Mos en algengroei Geen goede aansluitingen. Mogelijke oplossingen Plaatselijk herstel door inlegstukken Regelmatig schoonmaken dakgoten Specifieke richtlijnen toetsingscriteria Bij vervanging van goten en hemelwaterafvoeren moet hetzelfde materiaal worden toegepast als bestaande toestand. Kunststof goten en hemelwaterafvoeren die vanwege technische redenen worden vervangen, moeten in een historisch verantwoord materiaal worden uitgevoerd. Goten dienen vervangen te worden conform bestaand type (bakgoot, mastgoot) en detaillering (kroonlijsten, gootlijsten en klossen) Het gebruik van Melamineplaatmateriaal (bv. Trespa) is bij monumenten niet toegestaan. Voor meer informatie over non ferro materialen zie ook dakbedekking de paragraaf overige dakbedekkingen Uitvoeringsvoorschriften Vanwege de milieubescherming wordt het coaten van metalen dakgoten en hemelwaterwafvoeren gestimuleerd. Hierdoor blijft het uitspoelen van metaaldeeltjes in het water beperkt Goten dienen altijd op afschot te liggen. Dit is van belang voor het afvoeren van het water zodat door het stilstaande water geen putcorrosie ontstaat Het dilateren van goten moet bij voorkeur gebeuren door middel van een broekstuk in plaats van een expansiestuk. Om problemen bij bestaande goten met een te lage achteropstand te voorkomen kan een verklikker of spuwer aan de voorzijde worden gemaakt. Met een verlaging van de buitenopstand of een ingesoldeerd pijpje zal bij een verstopping het water aan de voorzijde wegstromen. Hierdoor dringt het niet de constructie binnen en wordt de eigenaar/beheerder gewaarschuwd. Nadere informatie Bladzink op monumenten http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_35-2003.pdf Toegankelijkheid van zolders, kapruimtes, daken en goten: http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b83.pdf

Rechtspraak bij dit artikel