Naar hoofdinhoud
3.7.1 opgaande structuren en binnenwanden Definitie Een architectonisch ontwerp bestaat ondermeer uit opgaande structuren en binnenwanden. De structuur van een gebouw, de vormgeving van ruimten en de locatie van (binnen-) wanden zijn bepaald door de constructie en de functie van het gebouw, de inrichting en de activiteiten die in het gebouw plaatsvinden. De oorspronkelijke verdeling van de functies van dragers, gedragen elementen, gesloten en open muurvlakken en overdekking zijn van groot belang. Binnenmuren of scheidingsmuren kunnen zijn opgetrokken uit steen, hout of vakwerk met vulling. Een stenen muur in het interieur die is bekleed met stuc, behang, wandbespanning, timmerwerk of een ander materiaal wordt doorgaans een (binnen) wand genoemd. Uitgangspunt De bestaande hoofdstructuur in het interieur van een monument dient behouden en waar mogelijk afleesbaar te blijven. Onderzoek en analyse Bij interieur is historisch onderzoek zeer belangrijk. Omdat een interieur over het algemeen regelmatig aan verandering onderhevig , is het van belang deugdelijk te onderzoeken welke onderdelen authentiek of van historisch belang zijn. Om inzicht te krijgen in wandafwerking of andere verborgen onderdelen kan in sommige gevallen in overleg met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht gekozen worden voor plaatselijk destructief onderzoek. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Vochtdoorslag Scheurvorming Mogelijke oorzaken Afval in spouwmuren / massief mestelwerk Verkeerde voegen qua mortelsamenstelling Verzakking door bijvoorbeeld slechte ondergrond Mogelijke oplossingen Verbeteren van ventilatie Verbeteren van stabiliteit Onderbreken van vochttransport naar fundering Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Het verwijderen van wanden van de (hoofd-)structuur is niet toegestaan Muurdoorbraken in een monument zijn niet gewenst en dienen zoveel mogelijk vermeden te worden Indien er waardevolle wandafwerkingen, stookplaatsen of voormalige stookplaatsen aanwezig zijn is een muurdoorbraak op deze plek niet toegestaan Indien vanuit het gebruik toch een doorbraak wenselijk is dient de noodzaak hiervan aangetoond te worden. De doorbraak mag niet groter zijn dan het normale deurformaat van circa 2 m2. Muurdoorbraken dienen bij voorkeur niet plaats te vinden in de dragende hoofdstructuur. Dragende muurconstructies worden zoveel mogelijk behouden zodat de interne structuur afleesbaar blijft Bij ruimten met een winkelfunctie of bijeenkomstfunctie dient eveneens de noodzaak van een doorbraak aangetoond te worden. Hierbij dient de doorbraak zo beperkt mogelijk te zijn. Indien er sprake is van muurdoorbraken van wanden bij ruimten met een winkelfunctie of bijeenkomstfunctie dient altijd aan weerszijden en aan de bovenzijde een muurdeel zichtbaar behouden te blijven in verband met de afleesbaarheid van de structuur. De opening moet zo beperkt mogelijk zijn en mag niet meer dan 45 % van de betreffende wandoppervlak bedragen en niet meer dan 2.4m breed zijn. Indien er sprake is van muurdoorbraken in de achtergevel op de begane grond van ruimten met een winkelfunctie of bijeenkomstfunctie dient altijd aan weerszijden en aan de bovenzijde een muurdeel van minimaal 40 cm zichtbaar behouden te blijven in verband met de afleesbaarheid van de structuur. Indien er sprake is van muurdoorbraken in perceelscheidende muren bij een winkelfunctie of bijeenkomstfunctie mogen deze pas vanaf 3 meter achter de voorgevel (of de naar de weg toegekeerde gevel) plaatsvinden. Spouwen en voorzetwanden mogen alleen worden aangebracht als er geen monumentale interieuronderdelen verwijderd of aan het zicht onttrokken worden, zoals lambriseringen, wandbespanning en monumentale plafonds en als de dikte afgestemd kan worden op het bestaande aftimmerwerk van venster- en deuropeningen en op de bestaande de dagkanten en vensterbanken. De draagconstructie zoals kolommen en constructieonderdelen dienen gehandhaafd te blijven. Indien vanwege herbestemming toch de wens bestaat een kolom of constructieonderdeel te verwijderen dient de noodzaak te worden aangetoond en dient dit door een constructeur te worden berekend. Uitvoeringsvoorschriften Bij de uitvoering van een doorbraak dient zoveel mogelijk bestaand materiaal gehandhaafd te blijven. Sparingen dienen aangeheeld te worden het bestaande vrijgekomen materiaal. Indien dit niet mogelijk is moet materiaal gebruikt worden dat past bij het bestaande materiaal. Het verwijderen van historische dikke muren kan van invloed zijn op de vochthuishouding van de ruimte. Een goede ventilatie is in dit geval belangrijk. Nadere informatie http://www.monumentenwachtlimburg.nl/dico/UserFiles/File/Folder%20Kasteelinterieurs2a.pdf 3.7.2 vloeren, balklagen en vloerafwerking Definitie Vloer Een vloer is een vlakke grondbedekking. Vloeren in kelders kunnen van leem, baksteen, hardstenen tegels en/of platen, maaskeien zijn. Steenachtige begane grondvloeren kunnen ook gefundeerd zijn op staal en/of gemetselde keldergewelven. Op gewelven zijn ze meestal in een zandbed gelegen. De begane grondvloeren zijn veelal van houten balklagen ondersteund door een onderslagbalk en/of een combinatie van steenachtige vloeren op staal. Stalen vloerconstructies in combinatie met holle bakstenen vloerelementen, betonplaten en/of in het werk gestorte gewapende monolietvloer komen vaak voor in industriële gebouwen. Wanneer de ondersteuningen (stempels) uit gietijzer bestaan deze doorgaans uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Balklaag Een balklaag is een rij balken bestemd om een vloer of zolder te dragen. De verdiepingsvloeren zijn veelal opgebouwd uit samengestelde balklagen: houten (eiken) moerbalken met daarover (eiken) kinderbinten. De oplegging van een houten balk is doorgaans versterkt met een sleutelstuk, korbeel en muurstijl. Houten onderdelen van balklagen werden van de vijftiende eeuw tot en met de zeventiende eeuw van eikenhout vervaardigd. In de loop van de zeventiende eeuw werd soms ook al grenenhout toegepast. Vurenhout deed pas in de negentiende en twintigste eeuw haar intrede en werd toen veelvuldig toegepast. Vloerafwerking Afhankelijk van het soort gebouw, de functie en het gewenst draagvermogen is een vloer afgewerkt met hout, marmer, baksteen, leem, maaskeien, plavuizen, (cementgebonden-) tegels, terrazzo of mozaïek. Oude vloeren zijn veelal afgedekt met koud tegen elkaar gespijkerde eiken of grenen gezaagde, geploegde en geschaafde delen. Parketvloeren worden uitgevoerd in patronen zoals blokvorm, visgraat of stroken. Uitgangspunt De vloeropbouw is een wezenlijk bestanddeel van het casco en dient zoveel als mogelijk qua peilniveau, verdiepingshoogten, constructieve opbouw en waardevolle afwerking behouden te blijven. Het isoleren van vloeren tussen verwarmde en onverwarmde ruimtes (bv. Kruipruimtes of zolders) beperkt het energieverlies aanzienlijk. Het isoleren kan zowel van bovenaf als van onderaf gebeuren, afhankelijk van de situatie. Soms zitten er waardevolle plafonds onder de vloer en is isolatie van bovenaf gewenst en soms hebben de vloeren een waardevolle afwerking en isolatie van onderaf de beste oplossing. Onderzoek en analyse Deugdelijk onderzoek naar de vloeropbouw en de onderlagen kan noodzakelijk zijn om schadeoorzaken te kunnen achterhalen. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Doorbuiging Scheurvorming Inrotten van balken bij de oplegpunten door vochtdoorslag schimmelvorming en aantasting door insecten • Mogelijke oorzaken Stabiliteit Vocht Insecten Mogelijke oplossingen Kruipruimte ventileren Vochttransport van buitenaf remmen door bv. toepassing van folie over de balkkoppen. Indien noodzakelijk balkkoppen of balken vervangen Insectenbestrijding Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Nieuwe sparingen en vergroting van bestaande sparingen in vloeren dienen relkening te houden met de bestaande balkstructuur en zo gering moglijk van omvang te zijn. Waardevolle afwerkvloeren zoals parket, natuursteen en tegels dienen behouden te blijven. Indien er technische of esthetische mankementen zijn, dient dit eerst plaatselijk gestabiliseerd of hersteld te worden. Hierbij kan hergebruik van oude bouwmaterialen een oplossing bieden. Waardevolle afdekvloeren mogen alleen gedemonteerd of herplaatst te worden als dit technisch noodzakelijk is en dit geen onherstelbare schade veroorzaakt. Indien een waardevolle afwerkvloer niet meer te herstellen is, dient dit aangetoond te worden en dient voorafgaand aan vervanging gedocumenteerd te worden. Indien het noodzakelijk is een nieuwe vloer aan te brengen dienen de bestaande dorpels, plinten en neuten behouden te blijven. Bij isolatie van een nieuwe steenachtige vloeren zonder kruipruimte, waarbij de isolatie van bovenaf wordt aangebracht kan het bij de wanden tot koudebruggen leiden en daarmee tot ongewenste vochtbelasting en eventueel schimmelvorming. Bij muurdoorbraken dienen waardevolle afwerkvloeren gehandhaafd te blijven. Er dient een passende oplossing gezocht te worden voor de aansluiting tussen beiden vloeren. In uit- of aanbouwen of nieuwe ruimten dienen eigentijdse bouwmaterialen gebruikte te worden voor een vloerafwerking. Falsificatie van de geschiedenis door hergebruik van oude bouwmaterialen moet hierbij voorkomen worden. Het egaliseren van vloeren is alleen toegestaan indien de vloer constructief niet meer voldoet door bijvoorbeeld verzakkingen. Het isoleren van vloeren mag alleen plaatsvinden op non-destructieve wijze. Dit wil zeggen dat waardevolle afdekvloeren alleen gedemonteerd mogen worden als dit geen onherstelbare schade veroorzaakt. Het isoleren van waardevolle tegel, terrazzo of natuursteenvloeren zal in de meeste gevallen niet mogelijk zijn. Het aanbrengen van vloerverwarming mag alleen plaatsvinden bij nieuwe vloeren. Indien het aanbrengen van een badkamer in een ruimte de monumentale waarde niet aantast en mogelijk is, dient de houten ondervloer onder het aanbrengen van een zwaluwplatenvloer behouden te blijven. Uitvoeringsvoorschriften Naden in vloeren kunnen door het toepassen van dichtingband bij de plinten worden gedicht. Dit kan door het loshalen van de bestaande plinten of het aanbrengen van een voorzetplint. Grotere kieren kunnen eerst vol gezet worden met stroken van een schuimrubberachtig materiaal. Naden kunnen ook gevuld worden met PUR-schuim met als nadeel dat deze oplossing minder reversibel is en daarmee niet de voorkeur geniet. Bij isolatie onder de vloer, moet de koude zijde goed worden geventileerd met buitenlucht om te hoge vochtconcentraties te voorkomen. Bij keldergewelven of monumentale balklagen mag geen gespoten isolatie worden toegepast. Bij houten vloeren moet bij de aansluitingen bij balken een goede kierdichting worden toegepast om ongewenste koudestromen te voorkomen. Nadere informatie Houten vloeren: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek26.pdf Keramische vloertegels uit de twintigste eeuw: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_49.pdf Herstel en onderhoud van terrazzovloeren: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_23-2001.pdf Onderhoud van houten vloeren: http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b912.pdf Onderhoud van natuursteenvloeren: http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b641.pdf 3.7.3 gewelven en plafonds Definitie Gewelf Een gewelf is een gebogen, ruimte-overspannende metselwerkconstructie, bestaande uit verschillende stenen die zijdelings zo tegen elkaar steunen dat in de hele gewelfconstructie uitsluitend drukkracht optreedt. De dragende wanden of kolommen van een gewelf worden zowel horizontaal als verticaal belast. Gemetselde gewelven komen vooral voor in kelders, kerken, boerderij- en kasteelcomplexen. We onderscheiden verschillende soorten gewelfconstructies waaronder het koepelgewelf, kruisgewelf, kruisribgewelf, tongewelf etc. Ook gebogen houtconstructies of bijvoorbeeld gewelf nabootsingen in hout of stuc worden een gewelf genoemd. Gespelderd plafond In verschillende type gebouwen in Limburg en ook Maastricht komen veelvuldig de zogeheten gespelderde plafonds voor. Dit type plafond bestaat uit een klein gewelf, zogenaamd troggewelf, opgespannen rond en tussen de kinderbinten. Het gewelf bestaat doorgaans uit wilgen– of essentwijgen afgewerkt met een leempleister en een laag kalkverf. Troggewelven kunnen ook gemetseld zijn. Bij kelders uit de negentiende en vroeg-twintigste eeuw worden wel eens stalen I-balken met daartussen gemetselde of stampbetonnen troggewelfjes toegepast. Plafond Een plafond is een horizontale bovenafsluiting van een ruimte. Een plafond kan ook de onderzijde van een vloer zijn. In dergelijke situaties werden de houten delen en balken beschilderd. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw worden de balken en vloerdelen aan het zicht onttrokken en wordt er een houten plafond onder de balken aangebracht. Houten cassettenplafonds en bijv. houten kraaldelen komen wel eens voor in prominente gebouwen en in kerkbouw. Aan het eind van de zeventiende eeuw raken de beschilderde plafonds uit de mode en wordt overgegaan tot het pleisteren van de plafonds. Maastricht kent slechts nog weinig houten plafonds, deze zijn bijna allemaal bepleisterd. Zie verder Interieur > plafond- en wandafwerking. Zowel houten als gepleisterde plafonds kunnen veel informatie verschaffen over historisch kleur- en materiaalgebruik en applicatietechniek. Met name 19de-eeuwse plafonds kunnen verrassende tinten herbergen. Uitgangspunt Gewelven en plafonds met waardevolle afwerking zijn wezenlijke onderdelen van een monument en dienen behouden te blijven. Onderzoek en analyse Onderzoek naar de plafondopbouw en constructie is noodzakelijk om schade-oorzaken te kunnen achterhalen. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Scheurvorming Inrotten van balken bij de oplegpunten Corrosie van ijzeren liggers of balkankers. schimmelvorming en aantasting door insecten Mogelijke oorzaken Stabiliteit / verzakking Vocht Insecten Mogelijke oplossingen Goede ventilatie Indien noodzakelijk balkkoppen vervangen Insectenbestrijding Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Bestaande waardevolle plafonds, dragers en gewelven dienen behouden te blijven. Plafondherstel aan de dragers van stucplafonds is vaak van bovenaf, vanuit de vloer, mogelijk zonder het bestaande plafond aan te tasten. Moerbalken die deel uit maken van het plafond en soms ondersteund worden door een muurstijl, korbeel en sleutelstuk zijn meestal bijzonder en moet men ook als zodanig behouden. Bij onherstelbare schade aan stucplafonds dient het plafond gereconstrueerd te worden waarbij gebruik gemaakt kan worden van hedendaagse technieken en materialen. Het gebruik van gipslaten is ongewenst vanwege de mogelijke scheurvorming en de beperkte hechtingsmogelijkheden. Het aanbrengen van verlaagde plafonds is alleen toegestaan indien de noodzaak hiervan is aangetoond en deze zorgvuldig kan worden aangebracht zonder onherstelbare schade te veroorzaken. Een oplossing hiervoor is het verlaagd plafond vrijdragend aan te brengen. Bij het aanbrengen van een verlaagd plafond dient het bestaande plafond verankerd en gefixeerd te worden om blijvende schade te voorkomen. Het plaatsen van leidingen en installaties is alleen toegestaan indien dit aantoonbaar noodzakelijk is en er geen schade wordt aangebracht aan plafonds en balken. Dit dient op een non-destructieve wijze en zoveel mogelijk uit het zicht te worden aangebracht. Nieuwe doorbraken ten behoeve van trappen en leidingwerk etc. kunnen alleen plaatsvinden zonder de hoofdconstructie aan te tasten (moerbalken en kinderbinten) en dienen op plekken aangebracht te worden waar het zo min mogelijk schade aanbrengt aan de historische afwerking. Vooraf dient eerst deugdelijk onderzocht te worden of mogelijk bestaande doorbraken gebruikt kunnen worden. Bij bijzondere (monumentale) plafonds bestaat de mogelijkheid om te isoleren d.m.v het opnemen van het vloerhout van de bovengelegen verdieping, een dampwerende folie en een isolatiedeken op het (gepleisterde) plafond aan te brengen waarna de vloerplanken weer terug te leggen. Zie ook bij vloeren, balken en vloerafwerking Nadere informatie http://www.monumentenwacht.nl/pdf/Bestrijding%20houtaantasting%20en%20herstel.pdf 3.7.4 kelders en souterrains Definitie Een kelder is een lage, onderaardse of ten dele verzonken, meestal overwelfde ruimte, bedoeld als bergplaats voor levensmiddelen, wijn etc. Wanneer een kelder maar ten dele is verzonken is sprake van een kelderverdieping waar woonvertrekken kunnen zijn ondergebracht. Kelders zijn in het algemeen de oudste delen van een huis omdat zij tijdens verbouwingen meestal opnieuw werden ingepast en bij brand intact bleven. Verbouwingen resulteerden wel vaak in verplaatste ingangen en dichtgemetselde trapgaten of kaarsnissen. In Maastricht zijn de vloeren van veel kelders langs de Maas vanwege de regelmatig terugkerende waterstanden, opgehoogd! Uitgangspunt De kelder is over algemeen het oudste onderdeel van het huis en daarom van belang vanwege de bouwhistorische informatie. Onderzoek en analyse Bij de wens om een kelder uit te diepen dient eerst deugdelijk onderzoek plaats te vinden naar de waarde van het bestaande vloeroppervlak. Vervolgens dient aangetoond te worden dat er geen verstoring plaats vindt van het archeologisch bodemmateriaal en de waterhuishouding. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Scheurvorming Schimmelwerking Mogelijke oorzaken Vocht Overbelasting door water bv. hoogtestand van de Maas Mogelijke oplossingen Goede ventilatie en verwarming Pleisterwerk vervangen door dun kalklaagje (vertinlaag) ofwel witkalk Drainagesysteem Waterkerend scherm in muurwerk Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Bestaande kelders dienen gehandhaafd te blijven en mogen niet worden vergroot of uitgebreid. De bestaande toegangen naar de kelders dienen gehandhaafd te blijven. Het toevoegen van nieuwe toegangen is alleen mogelijk indien de monumentale waarden niet wordt aangetast. Het ventileren van bestaande kelders is noodzakelijk om schade te voorkomen. Bestaande kelderramen dienen geopend te blijven. Voor het behandelen van mergelwanden zie mergel. Het aanbrengen van nieuwe kelders of het uitdiepen van bestaande kelders is alleen mogelijk als middels deugdelijk onderzoek is aangetoond dat er geen nadelige gevolgen ontstaan voor de constructie. Bij het uitdiepen van kelders dient het onderste vloeroppervlak behorende bij de bestaande kelder uitgangspunt te zijn voor de nieuwe diepte. De aanleg van een nieuwe vloer dient nooit onder de aanlegdiepte van de oorspronkelijke fundering te komen. Bij hergebruik of uitdiepen van de kelder dienen de bestaande vloerafwerking zo veel mogelijk gehandhaafd te blijven. Het aanbrengen van nieuwe kelders of het uitdiepen van bestaande kelders is alleen mogelijk als het waardevol archeologisch bodemarchief niet wordt verstoord. Bij het aanbrengen van nieuwe kelders of het uitdiepen van bestaande kelders dient middels deugdelijk onderzoek aangetoond te worden dat de waterhuishouding niet verstoord wordt en geen nadelige gevolgen ontstaan voor de constructie en omliggende panden. Nadere informatie N.v.t. 3.7.5 schouwen en rook- en ventilatiekanalen Definitie Schouw Een schouw is een stookplaats met een op de vloer of laag bij de grond aangelegd open vuur, waarvan de rook in een grote kap wordt opgevangen. Doorgaans bevindt de schouw zich op een prominente positie in de ruimte. De schoorsteenmantel is de bekleding, vaak in marmer, van de schoorsteen, de gemetselde ondersteuning van de rookvanger boven de stookplaats. De schoorsteenmantel wordt afgedekt met een plaat of tablet, waarop kandelaars of andere attributen konden worden geplaatst. De boezem is het bovenste, in de ruimte vooruitspringend gedeelte van de schouw. De in Maastricht nog overgeleverde schouwen en schoorsteenmantels zijn vaak pronkstukken en verschaffen veel informatie over de periode en stijl waarin ze zijn vervaardigd. Ook gesloopte schoorstenen verschaffen door middel van bouwsporen in de vloer of ravelingen in het plafond veel informatie. Uitgangspunt Schouwen en rook- en ventilatiekanalen zijn structuurbepalende elementen in een monument en dienen ook als deze niet meer in gebruik zijn, qua positie, opbouw, afmeting, materialisatie, vormgeving en kleur behouden te blijven. Onderzoek en analyse Omdat schouwen en rook- en ventialtiekanalen structuurbepalende elementen zijn is hieruit veel bouwhistorische informatie af te leiden. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Doorslag van roetwater Schoorsteenbrand Mogelijke oorzaken Slecht of verkeerd voegwerk Geen goede afdekking Verstoppingen waardoor ventilatie ontbreekt Inwateren door slechte loodindekking Mogelijke oplossingen Voegwerk vernieuwen Loodindekking vervangen Schoorsteen vegen Afdekking op schoorsteen aanbrengen Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Om de afleesbaarheid van het gebouw te waarborgen is het behoud van de bestaande schouwen of restanten van schouwen noodzakelijk. Indien de schouw monumentale waarde heeft, dient de bestaande vormgeving en afwerking gehandhaafd te blijven. Dit geldt zowel voor de mantel als de boezem. Ook specifieke decoratieve onderdelen zoals de haardplaten, marmerimitaties en tegelwerk dienen gehandhaafd te blijven. Monumentale schouwen die niet meer gebruikt worden, mogen niet verwijderd worden. Indien de bestaande schouw storend is voor een nieuwe functie van een ruimte moet de functie ergens anders in het gebouw worden ondergebracht. Specifiek ontworpen interieuronderdelen zoals spiegels of schilderijen die bij de schouw horen dienen eveneens behouden te worden. Door rookkanalen kan ongewild veel energie verdwijnen, indien deze niet in gebruik zijn. Een regelklep die de trek in de schoorsteen regelt kan, indien het rookkanaal niet in gebruik is, het rookkanaal afsluiten. Rook- en ventialtiekanalen die buiten gebruikt zijn gesteld, kunnen aan de bovenzijde beter worden dichtgezet tegen verlies van energie en tegen inwateren. Een andere oplossing is een zogenaamde rookkanaalballon, die in het rookkanaal afsluit. Mogelijk kunnen rookkanalen, welke niet meer in gebruik zijn, worden gebruikt om voorzieningen voor van ventilatielucht op te nemen. Nadere informatie N.v.t. 3.7.6 trappen Definitie Een trap is een verbinding tussen twee op verschillende hoogte gelegen vlakken en gevormd door een aantal in schuine richting boven elkaar aangebrachte treden. De trap kan vrij in de ruimte staan of besloten tussen 1 of 2 wanden. De zijkant van de trap, waarin de treden zijn gevat, wordt de trapboom genoemd. Een stootbord komt voor bij een dichte trap en is de verticale betimmering tussen de treden. Trappen kunnen zijn uitgevoerd in hout, natuursteen, baksteen, gietijzer, staal of beton. Detaillering, decoratie en materialisering verschaffen veel informatie over de periode waarin de trap is vervaardigd. Trappen variëren van eenvoudige ladders tot rijk uitgewerkte trappartijen, maar vooral de rechte steektrap, steektrap voorzien van kwart of twee kwarten, spiltrappen en bordestrappen komen veelvuldig voor. Uitgangspunt Trappen zijn structuurbepalende elementen in een monument en dienen qua positie, opbouw, afmeting, materialisatie, vormgeving en kleur ook zoveel als mogelijk behouden te blijven op de plek waar ze staan. Onderzoek en analyse Omdat trappen structuurbepalende elementen zijn is hieruit veel bouwhistorische informatie af te leiden. Ook ravelingen van verdwenen trappen geven deze informatie en moeten daarom gehandhaafd blijven. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades stabiliteit aantasting door vocht afslijten van treden door gebruik verrotting Mogelijke oorzaken Verankering in vloeren en wanden Insecten en schimmels Mogelijke oplossingen Goede ventilatie Insecten- en schimmelbestrijding Stabiliteit verbeteren Opdikken van de uitgesleten treden Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Om de afleesbaarheid van het gebouw te waarborgen is het behoud van de bestaande trappartijen noodzakelijk. Indien de trap monumentale waarde heeft, dient de bestaande vormgeving en afwerking gehandhaafd te blijven. Het verwijderen van de stootborden ter bevordering van de ruimtelijke beleving is niet toegestaan. Het verwijderen van stijg- en daalpunten vanwege een nieuwe functie is niet toegestaan. Het aanpassen van bestaande, niet monumentale- stijg- en daalpunten is alleen mogelijk indien het geen monumentale waarden aantast. Met name het aanpassen van trapsparingen. Het aanbrengen van nieuwe stijg- en daalpunten kan alleen plaats vinden indien dit geen monumentale waarden aantast. Ze dienen aangebracht te worden op de minst kwetsbare plekken van het pand. Waardevolle plafonds mogen hierbij niet worden aangetast. Nadere informatie H. Janse. Trap en trede: houten trappen in Nederland: een bouwhistorische beschouwing. Zeist, 1995. 3.7.7 deuren, omlijstingen en hang- en sluitwerk Definitie Opgeklampte deuren Bij een opgeklampte deur zijn verticale delen bevestigd op horizontale klampen. Op de delen komen soms de kraslijnen voor die als hulplijnen dienden voor de vernageling. Veelal werden gesmede nagels gebruikt. Paneeldeur In een paneeldeur bevinden zich 1 of meerdere vlakke platen die gevat zijn in een omlijsting van stijlen en regels en een verdiept veld vormen. De stijlen en panelen zijn niet vast verbonden aan elkaar om te voorkomen dat bij werking van het hout scheuren optreden. Langs de omtrek zijn de panelen vaak afgeschuind, waardoor de zogenaamde bossing wordt gevormd. Paneeldeuren kunnen ook zijn voorzien zijn van glas. In de achttiende eeuw komen vooral geornamenteerde paneeldeuren voor. In de jaren ’30 van de vorige eeuw worden paneeldeuren vervangen door fineerdeuren. De eerste machinaal seriematig vervaardigde deuren verschijnen eind negentiende eeuw. Deuromlijsting Een deuromlijsting of kozijn is een uitspringende geprofileerde omlijsting van steen (natuursteen, baksteen, beton), hout of staal, bestaande uit een onderdorpel of bovendorpel en twee of meer verticale stijlen en is een raamwerk voor een ingang en om een deur aan te bevestigen. Kozijnen worden vaak nog afgetimmerd met een architraaf of deklijst. Hang- en sluitwerk Met hang- en sluitwerk worden voorwerpen als gehengen, scharnieren, grendels en sloten aangemerkt die behoren tot het afhangen van ramen, deuren, hekken etc. Doorgaans zijn deze voorwerpen vervaardigd van ijzer, koper of messing. Het oudste materiaal dat hiervoor gebruikt werd is smeedijzer. Vanaf rond 1600 worden al gesmede gehengen en duimen in verschillende vormen toegepast. Ook scharnieren hebben een ontwikkeling doorgemaakt van bochtscharnieren bij paneeldeuren in de achttiende eeuw tot platte fitsen met vaste en/of losse pennen, kogelfitsen, vlagfitsen in de negentiende eeuw tot paumelles in de twintigste eeuw. Sloten, grendels, kantschuiven, espagnoletten, deurknoppen en krukken e.d. uit verscheidene periodes en in verschillende typen en materiaalsoorten worden met regelmaat nog aangetroffen. Uitgangspunt Historische deuren en deuromlijstingen zijn belangrijke interieuronderdelen van een monument en dienen behouden te blijven. Vanwege het steeds zeldzamer worden van historische sloten, deurknoppen, scharnieren enz. is behoud hiervan het uitgangspunt. Onderzoek en analyse Deuren kunnen vaak beschoten zijn met planken of plaatmateriaal. Hierachter kan wellicht een oude paneeldeur schuil gaan. Bouwhistorisch onderzoek kan hier informatie over geven. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades aantasting door vocht verrotting knellende deuren en stroeve scharnieren Mogelijke oorzaken Verzakking Aantasting door vocht Insecten en schimmels Mogelijke oplossingen Goede ventilatie Insecten- en schimmelbestrijding Behandeling van scharnieren. Aanpassen van deur en kozijn Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Historische deuren en deuromlijstingen dienen zo veel mogelijk gehandhaafd te blijven. Indien deuren of deuromlijstingen vervangen moeten worden dient de profilering van de oude deuren of omlijsting overeenkomstig in de nieuwe omlijsting te worden aangebracht. De draairichting van de historische deuren dient gehandhaafd te blijven. Indien door functieverandering een deur niet meer in gebruik is, dient deze vanwege het behoud van de structuur gehandhaafd te blijven. Indien dit niet mogelijk is en er gekozen wordt voor het dichtzetten van de deuropening dienen de bestaande kozijnen en deuromlijstingen geïntegreerd te worden en de bestaande deur in het pand opgeslagen te blijven. Bij vloerwijzigingen dienen bestaande kozijnen en deuren niet ingekort te worden. Historisch hang- en sluitwerk dient behouden te blijven. Uitvoeringsvoorschriften Onbeschilderd hang- en sluitwerk dient onbeschilderd te blijven en niet mee geschilderd te worden in de kleur van de deur. Nadere informatie N.v.t. 3.7.8 wand- en plafondafwerking Definitie Wanden en plafonds kunnen op verschillende wijze zijn afgewerkt of zijn voorzien van een (decoratief) materiaal. Doorgaans geeft het type afwerking, het materiaalgebruik, het patroon of de wijze van uitvoering een illustratief beeld van de gehanteerde stijl in een bepaalde periode of de smaak van de opdrachtgever. We onderscheiden ondermeer de volgende afwerkingen: Wandbespanning en behang Door stoffen op te spannen en niet langer langs of tegen de koude, vochtige en ongeïsoleerde muur te hangen kwamen deze dure materialen esthetisch beter tot hun recht en konden ze beter beschermd worden. Het opspannen werd mogelijk door een constructie van houten latten op de muur aan te brengen. Op deze latten werd een laag linnen of jute aangebracht, waarachter een luchtspouw ontstond. Op de laag jute of linnen werd een laag grondpapier aangebracht, waarna de wand met behang, textiel of leer werd afgewerkt. Vooral in voorname gebouwen kwamen zeer rijke vormen van wandbekleding voor zoals damast, velours, of beschilderd linnen, waarbij ook binnenwanden werden opgenomen in het ontwerp. Deze vormen van wandafwerking komen in Maastricht niet meer veelvuldig voor. Wel is het zeventiende eeuwse goudleer behang in het stadhuis van Maastricht een prachtige overlevering. De wandbespanning is gewoonlijk omgeven door houten aftimmerwerk, met aan de onderzijde een lambrisering en / of een stoelplank om beschadigingen door stoten of rugleuningen te voorkomen en aan de bovenzijde een gedecoreerde plafondlijst. Verder is de wandbespanning keurig passend gemaakt rondom kozijnen en interieurelementen als een schouw. Naarmate er meer papieren behang verkrijgbaar was, werden de wandbespanningen regelmatig met papier afgewerkt, vaak wel rijk gedecoreerd. Lambrisering en andere houten elementen Een lambrisering is een wandbetimmering, bestaande uit paneelwerk en aangebracht tegen het onderste deel van een muur. Ook bij trapopgangen kunnen lambriseringen zijn aangebracht. Een lambrisering had meerdere functies: verfraaiing, bescherming van de wandbespanning tegen stootschade en bescherming tegen koudestraling via buitenmuren. Houten lambriseringen worden in de loop der eeuwen op verschillende wijze uitgevoerd, afgewerkt of gedecoreerd. In de zeventiende eeuw blijft het houten timmerwerk nogal eens onafgewerkt. Vooral in de achttiende en negentiende eeuw worden houten elementen zoals lambrisering, schouwen, kolommen voorzien van een hout- of marmerimitatie. Met behulp van verf en vernis werden hout- en marmersoorten nagebootst, het zogenaamde ‘houten’ en ‘marmeren’. Tegel Een tegel is een handmatig of machinaal gevormde platte steen, verhard door te bakken bij temperaturen tussen 800 en 1100 graden Celsius en waterbestendig gemaakt door de tegel voor de tweede maal te bakken en te voorzien van een laag glazuur. In de loop der eeuwen hebben tegels een decoratieve ontwikkeling doorgemaakt. Werden tegels voorheen vooral toegepast rondom schouwen en in keukens, vanaf eind negentiende eeuw en in de twintigste eeuw maakten zij vanwege esthetische en hygiënische motieven steeds vaker onderdeel uit van het integrale architectuurontwerp. Hout- en Marmerimitatie Hout of marmerimitaties zijn decoratieve afwerkingen waarbij met verf, pigmenten en vernis de kleurbedoeling, het ader- of houtnerfverloop, de glans van (gevernist) hout of echt gepolijst marmer wordt nagebootst. Stucwerk Vanaf het eind van de zeventiende eeuw werden plafonds steeds vaker voorzien van stucwerk. Als ondergrond werden rietmatten, latjes of boomschors gebruikt, die middels koperdraadjes en gesmede spijkers waren bevestigd aan de ondergrond. Wanneer tegen de rietstengels een pleisterlaag werd aangebracht, krulde het pleistermateriaal aan de bovenzijde om de rietstengel, waardoor de laag verankerd zat. Later werden ook smalle latten gebruikt in plaats van riet. Door de latten met enige tussenruimte tegen de dragers te maken kon ook hier de pleisterlaag zich verankeren aan de latten. De aansluitingen tussen wand en plafond werden vaak voorzien van een geprofileerde, halfronde lijst. Ook het plafondveld zelf was doorgaans geornamenteerd met profielen, bladmotieven en figuren. Gepleisterde plafonds kunnen veel informatie verschaffen over historisch kleur- en materiaalgebruik en applicatietechniek. Met name negentiende eeuwse plafonds kunnen verrassende tinten herbergen. Marmerstuc Marmerstuc is een imitatie van marmer door een mengsel van gips, grondverf, pigmenten en lijmwater op een stuc-grondlaag aan te brengen met speciale spatels en vervolgens te polijsten. Een bekende vorm is het zogenaamde stucco-lustre, dat zowel op wanden als op plafonds kon en kan worden aangebracht. Uitgangspunt Wand en plafondafwerking die behoren tot het oorspronkelijk architectonisch ontwerp zijn waardevol en dienen behouden te blijven. Historisch waardevolle kleurafwerkingen, wandbespanningen en behangsels dienen gehandhaafd te blijven. Onderzoek en analyse Bij herstel van deze specifieke afwerkingstechnieken is het inschakelen van specialistische bedrijven op dit vakgebied aan te raden. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades aantasting door vocht Scheurvorming Loszittend pleisterwerk Zoutuitbloei Verkleuring Mogelijke oorzaken Aantasting door vocht Insecten en schimmels Zonlicht Mogelijke oplossingen Goede ventilatie Afstemming isolatie en ventilatie Insecten- en schimmelbestrijding Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Interieurs die in zijn geheel ontworpen zijn inclusief schilderingen en decoratieve onderdelen en die kunsthistorische van belang zijn dienen behouden te blijven. Ook de roerende objecten die onderdeel uitmaken van het ontwerp dienen bij voorkeur in de ruimte aanwezig te blijven. Indien wand- en plafondafwerking van historisch waardevolle vertrekken technisch aan onderhoud of vernieuwing toe zijn, dient voorafgaand aan de werkzaamheden kleur- en materiaaltechnisch onderzoek plaats te vinden. Bij herstellen van wand- en plafondafwerking van historisch waardevolle vertrekken dient kleur- en materiaal afgestemd te worden op de historisch waardevolle situatie. Binnenisolatiesystemen en voorzetwanden kunnen alleen worden toegepast als er geen monumentale interieuronderdelen verwijderd of aan het zicht onttrokken worden, zoals lambriseringen, wandbespanning en monumentale plafonds. Het aanbrengen van binnenisolatie en de dikte hiervan moet afgestemd zijn op het bestaande aftimmerwerk van venster- en deuropeningen en op de bestaande de dagkanten en vensterbanken. Binnenisolatiesystemen kunnen de vochthuishouding in de constructie aantasten. Voordat ze worden aangebracht dient met een bouwfysisch rapport te worden aangetoond dat geen inwendige condensatie kan optreden. Bij herstel of restauratie van historisch behang, wandbespanning of decoratieve schilderingen dient een deskundig onderzoek en restauratieplan opgesteld te worden. Historische wandtegels die bij het ontwerp van historische vertrekken hoort, dienen gehandhaafd te blijven. Zie ook gewelven en plafonds. Uitvoeringsvoorschriften Indien er oude verflagen aanwezig zijn moeten deze bij noodzakelijk herstel niet volledig worden verwijderd maar overgeschilderd in verband met toekomstig kleuronderzoek. Oude verflagen kunnen verwijderd worden indien deze afbreuk doen aan het oorspronkelijk ontwerp, bijvoorbeeld dichtgeschilderde profilering van stucplafonds. Indien het demonteren van wand- of plafondonderdelen technisch noodzakelijk is vanwege herstelwerkzaamheden, dient dit zorgvuldig en zonder schade te gebeuren. Plafondherstel aan de dragers van stucplafonds is vaak van bovenaf, vanuit de vloer, mogelijk zonder het bestaande plafond aan te tasten. Het aanbrengen van dampdichte afwerklagen op historische binnenwanden is niet toegestaan. Bij een damp-open afwerking wordt de kans op aantasting door schimmels sterk verminderd. Nadere informatie Stichting Restauratie Atelier Limburg http://www.sral.nl/ Stichting het Nederlands Interieur http://www.shni.nl Tegels in de twintigste eeuw http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_cultuurhistorie_13.pdf 3.7.9 industriële interieurelementen Definitie Fabrieksgebouwen, bruggen, sluizen en andere objecten die refereren aan materiële sporen van een industriële maatschappij en de dagelijkse arbeid vallen in de meeste gevallen onder het industriële erfgoed. Niet alleen het gebouw zelf, maar ook alle in het gebouw aanwezige, soms ook decoratieve, interieurelementen worden steeds vaker in hun voortbestaan bedreigd wanneer de oorspronkelijke functie verdwijnt. Te denken valt aan oude machines, sanitaire ruimten, glas-in-loodramen, tegeltableaus, wandschilderingen. Uitgangspunt Industriële interieurelementen maken vaak onderdeel uit van het authentieke ontwerp en worden steeds zeldzamer. Deze interieurelementen of machinerieën dienen waar mogelijk behouden te blijven. Onderzoek en analyse Aan deze interieurelementen is vaak af te lezen hoe de functie en het gebruik van het monument is geweest. Schades, oorzaken en oplossingen Afhankelijk om welke onderdelen het gaat kan hiervoor advies ingewonnen worden bij specialisten. Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Meubilair, lichtarmaturen, sanitairvoorzieningen, directieruimten, tegelwanden of vloeren, machinerieën, molenwerken, enzovoorts hebben vaak een hoge monumentale waarde en zijn speciaal ontworpen voor de desbetreffende fabriek. Het heeft de voorkeur deze onderdelen in het monument te behouden en te gebruiken bij een eventuele herbestemming. Nadere informatie N.v.t.

Rechtspraak bij dit artikel