Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 4.

Artikel 4.2

Riolering

Onderdeel van Handboek Openbare Ruimte

4.2.1. Algemene voorwaarden Ontwerpperiode voor rioleringen 80 jaar. Pompen en overige elektronica 15 jaar. Door het CROW uitgegeven publicaties en richtlijnen zijn binnen de gemeente Maastricht van toepassing. Op de site van het Stichting Rioned kan de Leidraad Rioleringen geraadpleegd worden (zie www.riool.net). De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de aanvraag van de benodigde vergunningen, in het bijzonder watervergunning, omgevingsvergunning en aansluitvergunning Riolering (per adres). Afwaterings- en rioleringsplan dient vooraf afgestemd te worden met Stadsbeheer i.v.m. toets beschikbare capaciteit gemeentelijk riool. Bij het inpassen van bovengrondse voorzieningen moet worden kortgesloten met team Cultureel Erfgoed en Ruimtelijke Kwaliteit (CERK) van de Gemeente Maastricht ten behoeve van stedenbouwkundig en landschappelijke inpassingen. Bovengrondse voorzieningen moeten worden ingepast in de omgeving, trafo's en andere omvangrijke voorzieningen bij voorkeur opnemen in bebouwing. Ondergrondse voorzieningen dienen te zijn afgestemd met andere ondergrondse aanwezige objecten. Denk hierbij aan de Kazematten, civieltechnische constructies en kabels en leidingen. Voorkeur gaat uit naar duurzame materialen die geschikt zijn voor hergebruik en niet milieubelastend zijn. Rioleringen dienen te zijn ontworpen conform de leidraad rioleringen (uitgegeven dor Stichting Rioned, zie www.riool.net). 4.2.2 Hoofdrioleringen Afstand riool tot bomen moet minimaal 2,50 m zijn. De exacte benodigde obstakelvrije zone van bomen kan worden berekend met de Boommonitor van Norminstituut Bomen Afstand tussen twee kruisende leidingen ter plaatse van de mof moet minimaal 0,20 m zijn. In verband met huisaansluitingen moet de dekking minimaal 1,35 m zijn. De aanlegdiepte van het hoofdriool moet maximaal 4,0 m te zijn Bij kruisingen van watergangen minimaal riool aanbrengen in mantelbuizen. Dekking moet minimaal 0,30 m zijn ten opzichte van de vaste bodem. Indien waterlopen van andere waterbeheerders worden gekruist kunnen aanvullende eisen van de betreffende waterbeheerder van toepassing zijn. Bij het ontwerp van de riolering of bebouwing in de nabijheid van riolering moet rekening worden gehouden met voldoende vrije ruimte i.v.m. toekomstige vervanging van de leiding. Bij plaatsgebrek dienen er voorzieningen te worden toegepast zodat vervanging in de toekomst mogelijk blijft (denk aan funderingen op palen, keerwanden, geen keldervloeren boven aanlegdiepte buis etc.). Zinkers in het vrijvervalriool zijn niet toegestaan (Bij hemelwaterafvoer (HWA) riool in overleg te bepalen en in droogwaterafvoer (DWA) riool niet toegestaan). Bij kruisingen van watergangen in beheer bij het waterschap, moeten vergunningen worden aangevraagd bij het waterschap. Voor HWA en infiltratievoorzieningen die lozen op oppervlaktewater of in de bodem moet een lozingsvergunning worden aangevraagd bij bevoegd gezag (omgevingsvergunning). Buiten gebruik gestelde hoofdriolen moeten worden opgegraven en op milieutechnisch verantwoorde wijze worden afgevoerd. Indien dit onmogelijk is, moet het na toestemming van de rioolbeheerder worden dicht geschuimd met beton. Dit gebeurt alleen na een nauwkeurige video inspectie i.v.m. het opsporen van inlaten. HWA hoofdrioleringen moeten worden uitgevoerd in beton met een minimale diameter van 400 mm of in PVC met een minimale diameter van 315 mm. Afwijkingen in overleg met de beheerder. DWA hoofdrioleringen dienen te worden uitgevoerd in beton met een minimale diameter van 300 mm of PVC beton met een minimale diameter van 315 mm De binnenzijde dient glad afgewerkt te zijn. Afwijkingen in overleg met de beheerder. Bij lozingspunten op oppervlaktewater dienen betonnen uitstroom bakken (met vuilrooster) te worden toegepast. 4.2.2 Inspectieputten en putranden De afstand tussen inspectieputten mag maximaal 100 m zijn. Geen inspectieputten toepassen in drempels, opritten, tussen banden of op andere slecht bereikbare of lastig uit te voeren locaties. Hoekverdraaiingen zijn alleen toegestaan met inspectieputten. Geen inspectieputten toegestaan in kabels & leidingen tracés. Werkzaamheden aan leidingen in de openbare ruimte verplicht melden/ vergunning aanvragen via het MOOR Platform2 Het MOOR Platform® is het platform dat de gemeente gebruikt voor vergunningen/ en meldingen ten aanzien van werkzaamheden aan kabels- en leidingen in de openbare ruimte. Het MOOR Platform® is samen met gemeenten, netbeheerders en aannemers ontwikkeld en ondersteunt alle processen die te maken hebben met het plannen, vergunnen, uitvoeren en administratief afhandelen van werkzaamheden aan de ondergrondse infrastructuur. Geen blinde putten toepassen. Inspectieputten moeten worden voorzien van fabrieksmatig aangebrachte inlaten. Daar waar dit niet mogelijk is (aansluiten op bestaand werk) dient een aansluitende leiding het werk te worden ingestort op een fabrieksmatig aangebrachte sparing. Minimale dagmaat moet worden afgestemd op de diepte van de put, uitgangspunt: mantoegankelijk DWA inspectieputten zijn voorzien van stroomprofiel. HWA putten worden standaard voorzien van zandvang, minimale diepte 0,50 m. Inspectieputten in bouwwegen worden voorzien van stalen afdekplaten. Dekking t.o.v. bovenzijde bouwweg 0,20 m. Locatie verklikken. Inspectieputten dienen van beton of glasvezelversterkte kunststof (GVK) te zijn. Ontvangstput van rioolpersleiding in GVK, aansluitende riool over een afstand van minimaal 20 m uitvoeren in kunststof. Uitstroom van een persleiding dient verzonken (onder water) aan te komen. Putranden dienen van fabricaat TBS/SVH te zijn en te zijn voorzien van opschrift VW of RW. Bij putranden in het asfalt moet het O-linq systeem worden aangehouden, waarbij ze worden ingeboord. Self-levels zijn niet toegestaan. Putranden in elementen verharding moet vierkant zijn met ronde deksels 4.2.3. Inlaten Inlatenbriefjes laten aanleveren, bij voorkeur met het programma RIOX3Riox is een app waarmee revisies van rioolaansluitingen op een smartphone of tablet gemaakt worden. Direct in X,Y,Z op basis van de putlocaties van de betreffende rioolstreng. Dit platform maakt het mogelijk om revisiegegevens digitaal te registreren, te beheren en in diverse (standaard)formaten te exporteren.) mede t.b.v. WIBON. (digitaal, met x,y,z coördinaat en foto’s). Inlaten in beton rioolbuizen mogen alleen middels fabrieksmatig aangebrachte inlaten in de moffen worden gezet. Naderhand ingebrachte inlaten kunnen middels een renovatieblok met flexibele zetting geplaatst worden op speciale hulpstokken. Dit renovatieblok dient te worden aangesloten op een machinaal geboord gat, afgestemd op de aansluitleiding. In het hoofdriool moeten inlaten met een diameter van 160 mm worden toegepast. Grotere inlaten worden enkel toegestaan in overleg met Stadsbeheer en dienen ten alle tijden te worden aangesloten op een inspectieput. Inlaten dienen in de kunststof buizen geboord te worden en te worden aangebracht middels een kleminlaat. 4.2.4 Rioolaansluitingen Bij huisaansluitingen mag maar één woning (HWA of DWA) worden aangesloten. Boven elkaar gelegen woningen worden hierbij als één woning beschouwd. Bij meerdere woningen in een pand is overleg met sector Stadsbeheer noodzakelijk. Ontwikkelaars hebben de verantwoordelijkheid om HWA op eigen terrein te houden (infiltratie, opvangen op eigendom), tenzij een gemeentelijke hemelwaterstructuur aanwezig is die anders voorziet. Vooraf afstemmen met ‘beleidsmedewerker Water’ bij het cluster B&O-Beheer. Aansluitingen van bedrijven en grotere panden altijd in overleg met de sector Stadsbeheer. Voor huisaansluitingen op gemeenteriool dient een aansluitvergunning te worden aangevraagd bij Stadsbeheer. Uitgangspunt is dat er per adres een aansluitvergunning wordt aangevraagd, eveneens bij Stadsbeheer. Er kan niet worden gestart voordat de vergunning is verleend. De doorlooptijd is circa 8 weken, na ontvangst van het volledig en correct ingediend aanvraagformulier, inclusief bijlagen. Bij sloop dienen huisaansluitingen te worden opgebroken en op een deugdelijke wijze te worden dichtgezet op de perceelsgrens. Voor alle gevallen geldt dat er een revisie geleverd moet worden. Voor het wijzigen of verwijderen van aansluitingen is een aansluitvergunning riolering verplicht. Werkzaamheden aan huisaansluitingen in openbaar gebied worden gedaan op kosten van de realisator, maar uitgevoerd door de gemeente. De gemeentelijke aansluitverordening is hierbij van toepassing. Huisaansluitingen van grondgebonden woningen dienen een ontstoppingspunt te hebben op maximaal 0,5 m. (op gemeentelijk eigendom) vanaf eigendomsgrenzen op eigen terrein. Hoogteligging huisaansluitingen dient in overleg met Stadsbeheer zo te worden gekozen dat geen conflicten met nutsleidingen ontstaan. Aansluitleidingen op gemeentegrond hebben de volgende specificaties: Huisaansluitingen HWA in pvc, SN 8 (klasse 34), kleur grijs. Huisaansluitingen DWA in pvc, SN 8 (klasse 34) kleur bruin. 4.2.5 Afwaterbare openbare ruimte Hemelwater afkomstig van straten met een verkeersintensiteit hoger dan 1000 motorvoertuigen per etmaal en van parkeerterreinen dienen te worden afgevoerd middels een bodempassage (zie kwaliteits- en kwantiteitstrits van het waterschap). Maximaal 250 m2 verharding per kolk. Afhankelijk van de situatie en aantal m2. Kolkaansluitingen in pvc, SN 8 (klasse 34), kleur grijs, 160 mm doorsnede. Maximaal 3 à 4 kolken (afhankelijk van de situatie) op een pvc leiding, diameter 160 mm. Minimale dekking op kolkaansluitingen 0,60 m. Kolken moeten zoveel mogelijk worden geïntegreerd in de kantopsluiting van de weg. Kolken altijd voorzien van zandvang en stankslot. Langs fietsvoorzieningen moeten kolken worden toegepast die fietsvriendelijk zijn, hierbij is er een voorkeur voor combikolken Waar mogelijk moet hemelwater afkomstig van verhardingen worden geïnfiltreerd, dit in overeenkomst met de watertoets en het vigerende waterschapsbeleid. Kolken hart op hart maximaal 20 m of 25 m bij voldoende langshelling. Specificaties type kolken: Trottoirkolken fabricaat TBS/SVA (zie standaarddetails) Straatkolken fabricaat TBS/SVA (zie standaarddetails) Specifieke minimumvoorwaarden: Betonkolken, 2-delig. Bij kolken op infiltratievoorzieningen of in nabijheid van bomen een bladvanger type gullystrain gebruiken Kolken op het DWA riool altijd voorzien van een stankslot Flexibele aansluiting Het gebruik van lijngoten dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen. Indien toegepast, worden deze gevoerd in beton, met een verkeersklasse aangepast aan de locatie. Lijngoten moeten voldoende grote inloopvoorziening hebben met een minimale afmeting van 100 X 200 mm. Lijngoten moeten standaard worden voorzien van zandvangvoozieningen bij iedere aansluitleiding. Aansluitleidingen standaard uitgevoerd in PVC, 160mm of groter. Sterkteklasse minimaal SN8 een geen bochten groter dan 45 graden. Geen Polyesterbeton toepassen. 4.2.6 Gemalen/ Persleidingen Gemalen toepassen van Xylem Watersolutions, voorzien van Mac-Tac systeem via GPRS-verbinding in afstemming met Xylem. Rond schakelkasten bestrating toepassen. In verband met het draagvermogen van hijsinstallaties (250 kg) Davidpotten toepassen. Bij toepassing van pompen zwaarder dan 250 kg kan in overleg met de beheerder afgeweken worden van de Davidpot. De bereikbaarheid van de pompput met een kraanwegen is dan een aandachtspunt waar rekening mee moet worden gehouden Gemalen, bergbezinkbassins (BBB’s), bijzondere voorzieningen en inspectieputten moeten bereikbaar zijn voor een rioolcombi ten behoeve van de reiniging van het systeem.

Rechtspraak bij dit artikel