Het buitengebied van Kampen heeft een hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Eeuwenlang is het landschap gevormd door rivier en beken, de zee, de wind én mensenhanden. Op de hoge gebieden ontstonden de eerste nederzettingen, het land eromheen is in gebruik genomen voor landbouw, met de daarbij behorende boerderijen, boeren linten, dorpen, buurtschappen en gehuchten. Het resultaat is het huidige waardevolle, afwisselende landschap waarvan een groot deel (Kampereilanden, Rivierengebied en de Mastenbroekerpolder) ligt in Nationaal Landschap IJsseldelta.
Kampereilanden: Kampereiland, Mandjeswaard, De Melm
Kenmerkend voor Kampereilanden, het door kleiafzettingen ontstane land, is de onregelmatige blokverkaveling en het reliëf dat in het verder vlakke, open landschap wordt gevormd door terpen en (historische) dijken.
De ca. 40 boerderijterpen uit de periode van vóór de aanleg van de Afsluitdijk (van 1432-1932) zijn hoog, met daarop lage hallenhuis en T-huis boerderijen. De voorgevel van het woongedeelte is, vanwege de wind en het water, veelal gericht naar het zuid-oosten, en opvallend genoeg dus niet per definitie naar de weg. De boerderij en bijgebouwen staan van oorsprong dicht bij elkaar op de relatief kleine terp. In de jaren ’30 van de vorige eeuw zijn nieuwe kavels uitgegeven en, op lagere terpen, min of meer standaard boerderijen gebouwd. De ruilverkavelings- en wederop-bouwboerderijen (1953-1966) zijn duidelijk te onderscheiden, omdat deze in principe op maaiveldniveau staan.
Hoge wederopbouw boerderij en Hallenhuis boerderij uit de jaren '30, ontwerp gemeente Kampen.
Mastenbroek
De veenwijde polder Mastenbroek, vanaf 1364 omdijkt en ontgonnen, is een mooi voorbeeld van vroege grootschalige ontginningen in Nederland en behoort tot de oudste in zijn soort. Mastenbroekerpolder kent een geometrische en grootschalige opzet, de hoofdstructuur wordt bepaald door een stelsel van elkaar haaks kruisende we(a)teringen en 'stegen' met daartussen, in de vakken, een verkaveling gebaseerd op rechthoeken van ongelijke grootte. Langs de weteringen is van oudsher de verspreide, agrarische bebouwing gesitueerd. Ruilverkaveling heeft in Mastenbroek beperkt plaatsgevonden, er is aan de weteringen dan ook weinig sprake van verdichting. Veel van de erven stammen uit de terpenperiode van voor de Afsluitdijk, met de boerderijen dicht aan de weg, ontsloten via een brug, en een wisselde oriëntatie van het woongedeelte. In de loop van de tijd zijn veel oude boerderijen vervangen en terpen helaas afgevlakt of helemaal verdwenen.
Nieuwere boerderijen, van na de aanleg van de Afsluitdijk en de ruilverkaveling, gelegen vooral aan de stegen en aan de randen van de polder, staan niet op een terp en zijn, net als de vernieuwde wederopbouwboerderijen, qua type divers.
Polder de Koekoek is onderdeel van de Mastenbroekerpolder maar hieronder apart beschreven.
De Koekoek
Polder De Koekoek, in feite het laatste vierkant binnen het schaakbordpatroon van de Mastenbroekerpolder, is drooggelegd in 1911. Polder De Koekoek is zeer regelmatig verkaveld, bijna een volmaakt vierkant met de afwateringssloten uitkomend op de Machinetocht en de Hoofdtocht. De rechthoekige kavels zijn smal en klein, met een woonhuis aan de voorzijde en daarachter bedrijfshallen en kassen, al dan niet geschakeld. Een aanzienlijk deel van het agrarisch terrein is momenteel bebouwd met kassen en loodsen. De Koekoek is daarmee, gezien het karakter van het buitengebied van Kampen, een vreemde eend in de bijt.
De meeste tuinderswoningen tot ca. de jaren ’70 van de vorige eeuw zijn eenvoudig vormgegeven en gedetailleerd: een rechthoekige plattegrond met een zadeldak haaks of parallel aan de weg, opgebouwd uit bruinrode en later ook lichtbruine baksteen en rode en gesmoorde pannen. De moderne woningen vanaf ’70, hebben ook afwijkende en samengestelde kappen en zijn soms overmatig gedetailleerd.
De hoge, rechthoekige bedrijfshallen hebben net als de kassen flauwe zadeldaken. Een enkele keer komt ook een plat dak voor. De kassen bestaan uit een staalskelet met glas, de loodsen zijn gedeeltelijk opgemetseld en gedeeltelijk opgetrokken in groene, bruine en lichte damwand-profielen met (licht) grijze en groene golfplaten daken.
Rivierengebied
Het rivierengebied, ontstaan door zandafzettingen van rivieren en beken, wordt gekenmerkt door een open, onregelmatig verkavelde ruimte, met dijken, kolken en een mozaïekachtige verkaveling. Het landschap is afwisselend, kleinschalig en perspectivisch, verrijkt door de diverse dorpen op de hogere stroom- en zandruggen. Boerderijen buiten de bebouwingskernen staan vaak op terpen, op dekzand en op verhogingen aan de dijk, maar direct onderaan de dijk of op grotere afstand van de dijk komt ook veel voor. Het woonhuis, bijvoorbeeld bij een T-huis boerderij, is niet altijd naar de weg georiënteerd. De oudere boerderijen (hallenhuis en T-huisboerderij) komen nog veel voor in dit gebied.
De dorpen in het rivierengebied: Wilsum, Zalk, Grafhorst en (een deel van) ’s-Heerenbroek zijn apart beschreven in paragraaf 3.2.4.
Kleinere buurtschappen, zoals De Zande en Nieuwstad, zijn organisch gegroeide bebouwingsconcentraties waar boerderijen en kleine woonhuizen, met verspringende rooilijnen en wisselende nokrichtingen, het beeld bepalen. De Zande ligt deels aan de dijk en deels onderaan de dijk, Nieuwstad ligt op een zandduin achter de dijk en is ontstaan vanuit de Nieuwstad achter de IJsseldijk.
Kamperveen en Dronthen
Het slagenlandschap oftewel veenontginningsgebied wordt gekenmerkt door de structuur van lange, rechte, smalle, parallelle kavels, gescheiden door sloten, haaks op lange weteringen, dijken en wegen. De strakke geometrische lijnen worden plaatselijk doorbroken door kolken achter de dijken, de vlakheid door terpen en dijken.
De boerderijen, veelal melkveebedrijven, zijn op regelmatige afstand van elkaar gesitueerd met een meer geconcentreerde bebouwing in o.a. de buurtschappen Zuideinde en Hogeweg. Terpen van voor de aanleg van de Afsluitdijk (waarvan twee in Zuideinde), zijn relatief zeldzaam, de meeste hoger liggende historische bebouwing staat direct tegen de dijken. De boerderijen op maaiveldniveau zijn gesticht na ruilverkaveling en de aanleg van de Afsluitdijk, met grote vrijstaande of, met een tussenlid aan de eveneens grote bedrijfsgebouwen gekoppelde, woningen.
Zuideinde heeft naast woningen aan het lint een school, een kerk en een begraafplaats. Onlangs zijn hier, aan een weg haaks aan het bebouwingslint, enkele kavels voor vrijstaande en half vrijstaande woningen uitgegeven. Kenmerkend voor Hogeweg is de kronkelende weg met kolken.
Dwarshuisboerderij Zuideinde.
Karakterisering Buitengebied
Het buitengebied wordt gekenmerkt door een diversiteit aan landschappen, van het kleinschalige rivierengebied tot de grootschalige verkaveling van de Mastenbroekerpolder. Uit verschillende periodes zijn, voor de IJsseldelta, kenmerkende boerderijen bewaard gebleven. De herkenbaarheid van deze verschillende boerderijtypes is een grote kwaliteit van het gebied en dient te worden behouden en waar mogelijk versterkt. De (her)inrichting van de erven en terpen met nieuwe bijgebouwen zijn een bedreiging voor het karakter en vragen om grote zorgvuldigheid.
Beleid
Bij verbouwingen en uitbreidingen aan de oorspronkelijke boerderijen en bijgebouwen dienen de karakteristieken van het desbetreffende boerderijtype te worden behouden en waar mogelijk versterkt. Dit geldt ook voor de karakteristieken van de buurtschappen. Voor Polder De Koekoek geldt dat vernieuwende vormgeving bij nieuwbouw mogelijk is en dat de bestaande karakteristieken dienen te worden gerespecteerd.
Criteria Buitengebied (m.u.v. De Koekoek) Situering
Binnen het erf is het hoofdgebouw ten opzichte van de omringende bijgebouwen beeldbepalend, bijgebouwen hebben een ondergeschikte situering;
Nieuwe bedrijfswoningen van (van origine) agrarische bedrijven verstoren de bestaande structuur van het erf niet;
Bij vernieuwbouw van het hoofdgebouw is de bestaande situatie (omtrek fundering) het uitgangspunt;
Nieuwe bijgebouwen dienen haaks op dan wel parallel aan het hoofdgebouw te staan, binnen de singelbeplanting, waarbij het hoofdgebouw niet aan het zicht wordt onttrokken;
Nieuwe bijgebouwen dienen met de nok haaks op de weg geplaatst worden, tenzij de locatie een andere situering verlangt;
Silo’s en andere moderne bouwwerken nemen geen prominente plaats op het erf in.
Vormgeving
Vernieuwing van de hoofdgebouwen is mogelijk mits de oorspronkelijke typologie van het betreffende boerderijtype qua hoofdvorm wordt nagevolgd;
Nieuwe bijgebouwen volgen de karakteristieke hoofd-vorm van de bij het type boerderij horende bijgebouwen;
De plattegrond van nieuwe bijgebouwen is rechthoekig;
De verhouding tussen het bouwvolume en de kap van nieuwe bijgebouwen sluit aan op de verhoudingen van de bestaande, oorspronkelijke bijgebouwen. Daarbij is de kap helder van hoofdvorm;
Aan- op- en uitbouwen, waaronder dakkapellen, voegen zich naar het bestaande bouwwerk;
Het bedrijfsgedeelte en het woonhuis vormen, indien van toepassing voor een bepaald boerderijtype, één onlosmakelijk geheel;
Verandering van de functie in een bestaande of voormalige boerderij mag niet ten koste gaan van de uiterlijke verschijningsvorm;
Het onderscheid tussen woon- en bedrijfsgedeelte dient, indien van toepassing, herkenbaar te blijven;
De plaats en afmetingen van raam- en deuropeningen in de gevels is op elkaar afgestemd;
De geleding van de vensteropeningen dient overwegend verticaal te zijn;
Dakkapellen zijn onopvallend in het dakvlak geplaatst en terughoudend ontworpen.
Detaillering, materiaal en kleur
Zorgvuldige en consequente detaillering toepassen;
De detaillering, materialen en kleuren van nieuwe gebouwen is afgestemd op de (oorspronkelijke) omringende bebouwing. Daarbij is de detaillering sober van karakter, de grote kleurvlakken gedekt en de kozijnen en windveren in (gebroken) wit of in wit/groen;
Bij historische boerderijen, woonhuizen en bijzondere functies, de karakteristieke rijke detaillering handhaven;
Bij verbouwingen aansluiten op de oorspronkelijke materialen;
De kleuren van andere bouwwerken, zoals silo’s, zijn gedekt en sluiten aan bij de kleuren van de bijgebouwen;
De dakbedekking vertoont een duidelijke textuur. Geglazuurde pannen en damwandprofielen zijn niet toegestaan. Voor de daken van bijgebouwen zijn golf profielplaten in gedekte en donkere kleuren toegestaan;
Geen damwandprofielen toepassen;
Geen glimmende materialen toepassen;
Geen felle en contrasterende kleuren toepassen.
Criteria De Koekoek
Situering
Nieuwe woonhuizen zijn met de voorgevel naar de weg gekeerd;
Binnen het erf is het hoofdgebouw (de woning) beeldbepalend ten opzichte van de omringende bijgebouwen;
De nieuwe bijgebouwen staan met de nokrichting haaks op, dan wel parallel aan de weg;
Vormgeving
Een nieuw bouwvolume heeft een duidelijke hoofd vorm, in aansluiting op de belendingen;
Bij nieuwe woningen aansluiten op de schaal en maat van de omgeving;
Aan- op- en uitbouwen, waaronder dakkapellen, voegen zich naar het bestaande bouwwerk;
Bij (ver)nieuwbouw dienen de plaats en de afmetingen van raam- en deuropeningen in de gevels op elkaar te worden afgestemd;
De vormgeving van de bedrijfsbebouwing is divers, maar de grotere hallen zijn onder één kap;
Detaillering, kleur en materialen
Bij verbouwingen en uitbreidingen aansluiten op de bestaande detaillering;
Diverse materialen en kleuren zijn toegestaan;
De kleuren van de bijgebouwen zijn gedekt;
Het materiaal van de kassencomplexen is transparant.