Vanaf het begin van de 20ste eeuw is continue gewerkt aan de uitbreiding van Kampen en IJsselmuiden, eerst ad-hoc en kleinschalig, later planmatig en ook grootschalig. De oorspronkelijke structuur, zoals de pre-stedelijke linten, de dijken en de Broekswegen, zijn voor een deel geïncorporeerd en aanleiding geweest voor de grootschalige planontwikkelingen.
De beschrijvingen geven een karakterisering van de woonbebouwing. Per bouwperiode vertonen de woonwijken grote verschillen. Daarom zijn de wijken onderverdeeld in zes type wijken en buurten, die ieder een bepaalde min of meer afgebakende periode representeren. Scholen, winkels, zorginstellingen en sporthallen zijn niet apart beschreven.
Verdeling woongebieden:
De pre-stedelijke linten Kampen en IJsselmuiden die zijn behouden binnen het stedelijk weefsel.
Arbeiders en burgermanswoningen begin 20ste eeuw:
Spaarbankstraat/Eenvoudstraat, Berkhuizen, Begijnekwartier en het Kloosterkwartier.
Tuindorpen jaren ’20 en ’30 (van de 20ste eeuw):
Oranjewijk (1926-1928) en Kampen-Zuid (1931-1949).
Wederopbouw en jaren ’60 stempelbouwwijken:
De Greente, Schokkerbuurt, de zuidkant van Zandberg in IJsselmuiden, Flevowijk (1959-1970), Cellesbroek-Noord en Cellesbroek-Zuid (1970), villabebouwing en bedrijfswoningen Kampen-Noord en (Zandwijk in IJsselmuiden).
Woonerfwijken jaren ’70 – ‘90:
Bovenbroek (1977), Cellesbroek-Middenwetering (jaren ’70 en ’80) en Hagenbroek (jaren ’80 en ’90), Groenendael (1976), Losse Landen (1980), Zeegraven(1993-1998) te IJsselmuiden en enkele kleinschalige inbreidingsplannen.
Wijken vanaf 2000:
De Maten, (2000), herstructurering van de Hanzewijk (2014-2017) Onderdijks (2014-2020), Oosterholt-Noord (2000) in IJsselmuiden en enkele kleine inbreidingsplannen.
Wijken in ontwikkeling:
Het Meer, Stationskwartier, delen van Het Onderdijks. Deze wijken zijn nog niet opgenomen in de gebiedsbeschrijvingen en vallen nog onder de desbetreffende beeldkwaliteit- of beeldregieplannen.
1. Linten
De geïncorporeerde linten zijn duidelijk herkenbare structuren binnen de later ontwikkelde woonwijken. Kenmerkend is de informele setting, met verspringende rooilijnen en kleinschalige, voornamelijk (half) vrijstaande, heterogene bebouwing uit diverse periodes. De bebouwing is traditioneel, een of tweelaags met vooral schilddaken en (gewolfde) zadeldaken in wisselende richting. Materiaal en detaillering is afwisselend, meest toegepast zijn diverse tinten rode baksteen en oranje en gesmoorde pannen, maar tussen de bebouwing staan ook wit gestucte boerderijen met rieten kappen.
Linten Brunnepe: St. Nicolaasdijk, Noordweg, Dorpstraat, Greenterweg en Beltweg.
De linten slingeren door de woonwijken als overblijfselen van de pre-stedelijke periode. De straten liggen hoger en zijn relatief smal, de kleine boerderijen van voor 1900 worden afgewisseld door later gebouwde woningen. Doordat de linten een beperkte verkeersfunctie hebben is de sfeer eerder dorps dan stedelijk en duidelijk anders dan die in de woonwijken. Slechts een deel van de oorspronkelijke linten is nog als zodanig herkenbaar.
Linten IJsselmuiden: Brug. Van Engelenweg, Oosterholtseweg, Plasweg.
De linten zijn tevens de doorgaande wegen naar Grafhorst en Oosterholt. Bij de Dorpsweg en de rotonde zijn enkele schaalverstoringen, maar desondanks is de lintenstructuur in IJsselmuiden goed zichtbaar en continue. Opvallend is de toepassing van rijke detaillering aan de linten. De linten blijven naar buiten toe een landelijk karakter houden.
Kop Karakterisering Linten
Karakteristiek voor de linten is de kleinschalige, heterogene bebouwing, de onregelmatige, organisch gegroeide verkaveling en verspringende rooilijnen in een informele setting. De bebouwing vertoont diversiteit door verschillende dakvormen en richtingen, verschillend kleur en materiaalgebruik en verschillende bouwstijlen. Geen twee huizen naast elkaar zijn gelijk.
2. Arbeiderswoningen en Burgermanswoningen begin 20ste eeuw
De stedenbouwkundige eenheden Spaarbankstraat/ Eenvoudstraat (1904-1905), Berkhuizen (1910), Begijnekwartier (1914-1916) en Kloosterkwartier (1921-1922), zijn gebouwd vanuit de pre-stedelijke lintbebouwing van het voormalige Brunnepe en hebben van oorsprong een sterke relatie met de fabrieken aan de noordkant van Kampen. De gebieden zijn ontwikkeld door de emaille fabriek Berk Kampen (BK), banken en woningbouwverenigingen. Binnen de verschillende eenheden is, ondanks individuele aanpassingen, sprake van uniformiteit, daarbuiten, aan de voormalige linten, is het beeld heterogeen. Zoals kenmerkend voor de vroege arbeiderswijken zijn deze compact, met smalle straten, gesloten bouwblokken en kleine centrale pleintjes, in de Begijnekwartier en Kloosterkwartier. Vrijwel alle woningen zijn ontworpen door architect Broekema (1866¬1946). Een aantal directeurswoningen aan de randen illustreren het industriële verleden.
De arbeiderswoningen aan de Eenvoudstraat en Spaarbankstraat zijn tweelaags plat afgewisseld met eenlaags en een dakschild. De woningen zijn gedetailleerd volgens de heersende mode met stijlkenmerken van de Hollandse neorenaissance, (jugendstil), met (kunst)stenen sierbanden en sluit- en aanzetstenen. De woningen in Berkhuizen zijn qua opzet hetzelfde maar minder rijk gedetailleerd.
Begijnekwartier: de buurt is als eenheid ontworpen, met karakteristieke gepleisterde en gemetselde gevelvlakken. De burgermanswoningen zijn hoger, tweelaags met rode langskappen afgewisseld met topgevels, of tweelaags plat. Accenten zijn de rijk gedetailleerde topgevels en serres. Winkeltjes (op hoeken) waren oorspronkelijk aanwezig maar nu veelal verdwenen. Symmetrische bouwblokken versterken de als eenheid vormgegeven ensembles.
Kloosterkwartier
Het Kloosterkwartier bestond oorspronkelijk uit éénlaagse bebouwing met hoge langskappen en steekkappen. Door collectieve ophoging van de voorgevel door middel van dakkapellen is het uniforme beeld behouden maar zijn de steekkappen minder prominent. De gevels waren oorspronkelijk allemaal schoon metselwerk maar zijn later voor een deel gewit.
Karakterisering Arbeiders- en burgermanswoningen
Karakteristiek voor de woningen van begin 20ste eeuw is de uniformiteit binnen de als eenheid ontworpen ensembles (straten, bouwblokken), de eenvoudige maar soms ook rijk en gevarieerd gedetailleerde bouw met waardevolle stijlkenmerken. Ondanks kleine individuele aanpassingen is de eenheid tot nu toe behouden. De zichtbaarheid van het industriële verleden is een bijzondere kwaliteit voor het hele gebied. Ingrijpende individuele aanpassingen, zoals de kleur van het pleisterwerk, doen afbreuk aan de kwaliteit, ondergeschikte wijzigingen van individuele woningen doen dit niet.
3. Tuindorpen jaren ’20 en ’30.
Oranjewijk (1926-1928) en Kampen-Zuid (1931-1949) zijn gebouwd in opdracht van woningbouwverenigingen en voorbeelden van de zogenaamde tuindorpen. Wijken uit deze periode worden gekenmerkt door een regelmatig stratenpatroon, relatief brede straten en veel voortuinen. De (bijna) gesloten bouwblokken bevatten grondgebonden woningen in een mix van arbeiderswoningen en burger-manswoningen. Hoekaccenten zijn vaak verrassend vormgegeven en symmetrie is zowel binnen de blokken als in een hele straat of pleinwand toegepast. De ambitie om arbeiders en burgers beter te laten wonen spreekt niet alleen uit de rijke detaillering, maar ook uit de vele pleintjes en plantsoenen en de winkelpandjes op de hoeken. In de Oranjewijk is de Westerkerk beeldbepalend.
Oranjewijk
Overheersend zijn de lage rijtjeswoningen onder doorlopende zadeldaken, veelal marsardekappen met dakkapellen en enkele steekkappen. De detaillering vertoont sterke invloeden van de Amsterdamse School, maar is minder expressief. Het materiaalgebruik, bruine steen en oranje pannen, is uniform en beeldbepalend, net als de doorlopende daklijsten.
Individuele aanpassingen, zoals grote dakopbouwen, op-toppingen en gevelwijzigingen maken het beeld minder uniform, maar de wijk blijft met name door de hoofdkleuren, een geheel. Het Oldenhof is een duidelijke architectonische eenheid met een collectief binnengebied.
Kampen Zuid
Hoofdvorm van de bebouwing bestaat voornamelijk uit één-en tweelaags arbeiders- en middenstandswoningen, onder zadel- en schilddaken in langsrichting, gecombineerd met steekkappen. Mansardekappen komen ook voor. De wijk vertoont een sterke onderlinge samenhang, o.a. door de gemetselde erfafscheidingen. Kenmerkend zijn de diverse poortjes met daarboven gevelstenen (van bouwer). De wijk is gebouwd in de typisch jaren ’30 stijl, met horizontale belijning, erkers, overkragende kappen en daklijsten, architectonische accenten in het metselwerk, balkons en loggia’s, rijk vormgegeven voordeuren en de toepassing van glas-in-lood. Meest gebruikte materialen zijn oranje, gesmoorde en incidenteel geglazuurde pannen en geel en rood metselwerk. Veel van de oorspronkelijk stalen kozijnen van de middenstandswoningen zijn in de loop van de jaren vervangen.
Monument Kampen Zuid
De woningen van Woningbouwvereniging Eigen Woon (Van Hasseltstraat, Lehmkuhlstraat, Noordtzijstraat) zijn een mooi voorbeeld van de Amsterdamse School met siermetselwerk (kantsteens), hoekpartijen geaccentueerd door in - en uitspringende bouwvolumes en het gebruik van rabatdelen. Ook de uitgemetselde verticale uitbouwen kunnen tot deze stijl gerekend worden, alsmede de bijzondere dakvormen, combinaties van schild- en zadeldaken, met doorgetrokken dakschilden.
Karakterisering Tuindorpen
In de Tuindorpen vormen de bouwblokken een samenhangend geheel, door eenduidig materiaalgebruik en doorlopende kappen en daklijsten. Het gebruik van symmetrie is opmerkelijk en versterkt de samenhang. De Amsterdamse School en jaren ’30 architectuur zijn herkenbaar in details en bijzondere elementen, zoals zorgvuldige vormgegeven hoeken, poortjes en voordeuren, erkers en loggia’s. Het complex van Eigen Woon is een monument en een gaaf voorbeeld van de Amsterdamse School. Kleine individuele aanpassingen, binnen het oorspronkelijke kleurpalet, doen geen afbreuk aan het totaalbeeld. Stijlaanpassingen, aantasting van de hoofdvorm en doorbreking van de symmetrie wel.
De voltooiing van Kampen-Zuid was net na de oorlog, met eenvoudige, sober vorm gegeven rijwoningen met langskappen. Dit waren oorspronkelijk duplexwoningen maar zijn inmiddels gemoderniseerd en verbouwd tot eengezinswoningen.
4. Wederopbouw en stempels t/m de jaren ’60
Schokkerbuurt, De Greente, Zandberg, Flevowijk en enkele kleinschalige invullingen.
De woningnood na WOII heeft een hoog bouwtempo teweeg gebracht. De economische situatie van die tijd is in de architectuur goed terug te zien, er werd sober en meer seriematig en uniform gebouwd. De naoorlogse uitbreidingswijken wijken zijn veelal wel ruim en groen van opzet en bestaan uit een combinatie van grondgebonden gezins-woningen en portiek- en galerijflats. De rijwoningen in open bouwblokken hebben voortuinen en staan aan een straat of (autovrij) plantsoen, de appartementengebouwen staan vrij in het groen. In de voorgevels is veel glas toegepast, in tegenstelling tot de vooroorlogse bouw gaat de bebouwing niet ‘de hoek om’ maar hebben de blokken dichte kopgevels.
Schokkerbuurt (1946)
Deze naoorlogse beneden-bovenwoningen in de wijk Brunnepe zijn sober vormgegeven, met zadeldaken en rode metselsteen. Op de hoeken is de bebouwing lager, de geclusterde voordeuren zijn geaccentueerd door een omlijsting en de oorspronkelijke dakkapellen zijn bescheiden en zorgvuldig vormgegeven. Deze kenmerken zijn terug te zien in de recente vervangende nieuwbouw.
Zandberg IJsselmuiden
De jaren ’50 en 60 strokenbouw van Zandberg bestaat uit sober vormgegeven rijwoningen, open bouwblokken met stroken aan wigvormige plantsoenen. De bebouwing is tweelaags met rode en grijze langskap en soms een plat dak. De gevels hebben al dan niet houten paneelvullingen. De appartementengebouwen zijn 2-laags en 3-laags (portiek) op een plint.
Nieuwbouw in Schokkerbuurt.
De Greente (1960)
De Greente is een samenhangende eenheid van open bouwblokken (stroken) rijwoningen tussen plantsoenen met aan de oostrand twee appartementengebouwen in vier lagen. De vormgeving en detaillering is sober, met eenvoudige grote raamkozijnen in rood metselwerk gevels waarvan een deel wit geschilderd is. De flatgebouwen hebben een iets rijkere detaillering van het metselwerk.
Flevowijk: functionalistische wederopbouw
(Plan West I 1958, uitvoering 1959-1970)
De wijk is eenduidig van opzet, flats (in verschillende hoogtes) langs de randen en daarbinnen rijwoningen. Midden in de wijk ligt een brede, door groen omrande voorzieningen-strook en het winkelcentrum. Flevowijk is een typisch voorbeeld van planontwikkeling van de CIAM-beweging, met als uitgangspunten ‘licht-lucht-ruimte’, de scheiding van functies en de zogenaamde ‘stempels’, terugkerende identieke open blokverkavelingen.
De (repeterende) flats (waaronder een flatcomplex van Broekema) zijn gebouwd volgens een enkelvoudig architec-tuurconcept, met 4 tot 12 lagen op een dichte onderbouw. De rijwoningen zijn eveneens uniform en eenvoudig vormgegeven, tweelaags onder doorgaande zadeldaken of platte daken. De bebouwing heeft een sterk horizontale belijning. Kenmerkend zijn de grote glasvlakken, de paneelvullingen (hout en plaatmateriaal) en de dichte gemetselde kopgevels. Er is geen sprake van rijke detaillering, wel van eenduidig-heid. Het (toenemend) individueel woningbezit van de rijwoningen gaat gepaard met detailaanpassingen van luifels, voordeuren, roedeverdelingen, erkers en dakkapellen en toevoeging van kleur. Dit levert een minder eentonig beeld op maar kan, als het te ingrijpend is, ook de eenheid (te veel) verstoren.
Cellesbroek-Noord en Cellesbroek-Zuid
Alhoewel het stratenpatroon minder strak is dan in de Flevowijk, zijn de stempels ook hier zeer uniform. In de wijk staan alleen rijwoningen, gebouwd in voornamelijk lichte steen en grijze pan met incidenteel bergingen aan de voorkant. De gele horizontale banden in Cellesbroek-Noord zijn beeldbepalend. Individueel woningbezit zorgt ook hier voor meer diversiteit.
Horizontale belijning onderbroken door schilderwerk gevels
Europa Allee, hoofdontsluitingsroute en beelddrager.
Melmerhof en voormalige bedrijfswoningen
Nijverheidstraat en Constructieweg
Aan de noordkant van Kampen zijn in de jaren ’60 een aantal (half) vrijstaande woningen gebouwd, waarvan een deel als bedrijfswoning. Oorspronkelijke ging het om éénlaagse platte bebouwing, later zijn hier veelvuldig kappen aan toegevoegd. De vrijstaande woningen, met al een individueel karakter, vormen met deze aanpassing een nieuw, maar nog steeds gedifferentieerd beeld. De woningen zijn eenvoudig vormgegeven en gedetailleerd en alzijdig. Dit geldt ook voor de bungalows bij Kampen-Zuid, aan de Bovensingel, gebouwd rond 1965.
Karakterisering Wederopbouw
Karakteristiek voor de wederopbouw periode is de eenvoudige bouw met enkelvoudige hoofdvormen, in series, stroken of stempels. De flats zijn sober en in hoge maten uniform, aanpassingen hebben altijd collectief plaats gevonden. De gelijkvormigheid van de rijwoningen, door hoofdvorm (tweelaags + langs - kap), eenduidige materiaalgebruik en de horizontale belijning kenmerkt de (series van) bouwblokken. Afwijkingen op detailniveau, zoals roedeverdeling, deuren, dakkapellen, luifels e.d. doorbreken de eenheid niet. Onderbreking van de horizontale belijning door bijvoorbeeld afwijkende kleur of materiaal van het hoofdvolume, of afwijkende dakopbouwen doorbreken de eenheid wel. De vrijstaande woningen uit deze periode zijn eenvoudig maar onderling verschillend.
5. Uitbreidingswijken periode 1970-2000
WOONERVEN ‘70 - ‘90
Cellesbroek-Middenwetering, Bovenbroek, Hagenbroek, Groenendael, Losse Landen en Zeegraven en enkele kleinschalige invullingen
In deze wijken is het organische wegenpatroon, met hoofdroutes en aftakkingen naar (introverte) woonerven kenmerkend. De wijken bestaan voornamelijk uit grondgebonden woningen, met slechts incidenteel gestapelde (rij) woningen. Van binnen naar buiten neemt de bebouwingsdichtheid over het algemeen af, van rijwoningen in het midden tot (half) vrijstaande woningen en bungalows aan de randen. De overgang openbaar-privé is in de woonerven geleidelijk en niet perse duidelijk, veel woningen hebben een berging of garage aan de voorkant en ook veel zijtuinen (met schuttingen) grenzen aan de straat. Het groen is in deze wijken kleinschalig en versnipperd. (met uitzondering van de Middenwetering en de groene open ruimte van een voormalige kolk aan de Dr. Kolfflaan zijn er geen grote pleinen of plantsoenen).
Het organische wegenpatroon wordt opgevangen met verspringende rooilijnen, schuin (45 graden) geplaatste blokken of knikkende gevels. Het merendeel van de woningen is één- en tweelaags met diverse dakvormen en hier en daar platte daken. De architectuur gaat van sober tot zeer uitgesproken. Bij de planvorming werd niet gewerkt met beeld-kwaliteitplannen maar doordat de wijken in relatief grote eenheden zijn ontwikkeld, is de materialisatie vaak eenduidig.
In Bovenbroek en Hagenbroek grenzen de achtertuinen van de buitenste woningen direct aan het openbaar (groen)gebied, in Cellesbroek-Middenwetering is dit deels niet het geval. In de wijken zijn geen winkelvoorzieningen, maar wel meerdere scholen.
Cellesbroek-Middenwetering
De bebouwing is divers, maar tweelaags onder een kap, voornamelijk zadeldaken in langsrichting, al dan niet asymmetrisch, is het meest voorkomende type.
Metselwerk is gecombineerd met houten gevelvlakken, die in de loop van de tijd in diverse kleuren zijn geschilderd. De dakbedekking bestaat overwegend uit donkergrijze pannen. De detaillering is sober en volgt de uniformiteit van de clusterbebouwing. De (half)vrijstaande woningen zijn divers qua dakvorm en detaillering. Over het algemeen vertonen de vrijstaande woningen een meer gevarieerde architectuur dan de rijenwoningen.
Recente nieuwbouw bij de entree van Cellesbroek-Middenwetering.
Bovenbroek bestaat voor een deel uit wooneilanden met (half)vrijstaande woningen, een deel rechte stroken eenvou-dige rijwoningen en in het midden van de wijk Esdoornhof. De (half)vrijstaande woningen vertonen diversiteit, met verschillende dakvormen, zowel symmetrisch, asymmetrisch als plat, en wisselend materiaalgebruik. De standaard rijwoningen zijn meer uniform en sober vormgegeven, twee-laags onder een kap in langsrichting met een sterk horizontale belijning, in gele baksteen en grijze pannen. Aan de noordkant zijn de woningen met de asymmetrische kappen als series vormgegeven, maar in de loop van de tijd individueel verschillend gemaakt. Het cluster met kubistische geschakelde woningen aan de Europa-allee heeft een geheel eigen karakter.
Hagenbroek: De rijwoningen zijn eenvormig en traditioneel: tweelaags onder een langskap, het stratenpatroon volgend. Richting de randen is de wijk gevarieerd, zonder eenduidigheid in hoofdvorm, kleurstelling en materiaalgebruik. Er is veel geëxperimenteerd in de wijk, wat te zien is aan piramide daken, lessenaarsdaken en éénlaagse patiowoningen.
Esdoornhof (heeft status Karakteristiek in Bestemmingsplan) De woonerven rond de Esdoornhof worden gekenmerkt door de geknikte, ritmisch geplaatste kappen - op basis van een zeshoekige doorsnede - en de informele ontsluitingen aan het erf, waar ook carports en keukenuitbouwen zijn opgenomen. De Esdoornhof is ontworpen volgens een uniform architectonisch concept. De bouwhoogte varieert van één-tot drielaags, waarvan sommigen iets boven het maaiveld opgetild. De kleurstelling van de woonerven is beige met bruin.
Groenendael en Losse Landen in IJsselmuiden vertonen de typische kenmerken van een jaren ’70-’80 woonwijk, met midden in de wijk voornamelijk rijwoningen en aan de randen (half)vrijstaande woningen. Zeegraven, met voornamelijk (particulier ontwikkelde) vrijstaande woningen heeft net als de randen van Groenendael en Losse Landen een grote diversiteit aan bebouwing.
Kleinschalige invullingen:
Abattoirterrein Bruneppe:
met karakteristieke piramide daken;
Herontwikkeling Hanzewijk jaren ’90:
kleurgebruik beeldbepalend;
Ariohof:
identieke woningen met stijle kappen rond een hof;
Van Gelderplantsoen:
haakse kappen en houten topgevels;
Van Diggelenerf IJsselmuiden:
half vrijstaande woningen in lichte steen en rood
gewolfd zadeldak.
Abattoir terrein
Herontwikkeling Hanzewijk jaren ’90
Karakterisering Woonerfwijken
De karakteristiek van de woonerfwijken wordt voor een groot deel bepaald door het organische wegen-patroon en de daaruit volgende versnipperde openbare ruimte en onduidelijke overgang tussen openbaar en privé. Verspringingen, hoekverdraaiingen en verschillende dakvormen versterken het gevarieerde beeld. De herkenbaarheid van de clusters kan hierdoor vertroebeld raken, maar meestal is wel sprake van een eenheid, mede door eenduidig materiaalgebruik. Individuele aanpassingen van een cluster doen door het heterogene karakter meestal geen afbreuk aan het totaal. Alleen daar waar een cluster een duidelijke architectonische eenheid vormt, bijvoorbeeld bij Esdoornhof, is eenheid in detaillering en materiaalgebruik behoudenswaardig. De (half) vrijstaande woningen vertonen een hoge mate van individualiteit en heterogeniteit
6. Wijken vanaf 2000
De meest recente wijken, De Maten, Hanzewijk, Het Onderdijks en Oosterholt-Noord en enkele kleinschalige invullingen, hebben (weer) een hiërarchische, gelede opbouw, met een duidelijke scheiding tussen openbaar en privé, een helder stratenpatroon, duidelijk vormgegeven openbare ruimtes met ruime groenstroken, waterpartijen en speelplekken. Meestal is gebruik gemaakt van een beeldkwaliteitplan of beeldregieplan waardoor de hoofdopzet en een eventueel thema van een wijk wordt ondersteund door architectuur, kleur en materiaalgebruik. Er is vaak een duidelijker totaalbeeld en kleurstelling, of een verloop daarvan. De wijken zijn (weer) een combinatie van grondgebonden woningen en appartementen.
De Maten: De basis van het plan voor De Maten wordt gevormd door kruisende assen, halfronde ruimtes, één centraal plein, waterpartijen en groenstroken. Voorzieningen zijn op prominente plekken gesitueerd, het appartementengebouw De Dirigent staat daar waar de assen een hoekverdraaiing maken. De wijk is ruim opgezet, met relatief weinig aaneengesloten bebouwing en veel (half) vrijstaande woningen met ruime voor- en zijtuinen. Water en groen zijn zeer beeldbepalend binnen de wijk, misschien wel meer dan de bebouwing, en het autoverkeer is ondergeschikt aan het fietsverkeer.
De invulling bestaat uit kleine, geclusterde - vaak symmetrische - bouweenheden. De woningen zijn per cluster eenvormig ontworpen, (met verschillende varianten, zoals gespiegeld of andere kleur). Het aantal bouwlagen is gemid-deld twee-, maar drie- en incidenteel vierlaags komt ook voor, de hoger opgetrokken woningen zijn vaak aan een hoofdas gesitueerd. De hoofdmassa is samengesteld en de dakvorm sterk gevarieerd, waarbij lessenaardaken, bollende daken en piramidedaken het meest opvallen.
Zadeldaken en schilddaken komen echter ook veel voor, soms met fantasievolle dakkapellen.
De detaillering is per serie herkenbaar, maar is vaak ook gevarieerd binnen een serie. Gele baksteen en zwarte pannen overheersen, maar andere kleuren, met name oranje pannen, komen ook voor.
Het Onderdijks
Onderdijks is een ruim opgezette woonwijk met herkenbare openbare ruimtes en in het hart een stedelijk karakter. Er is sprake van een mix van woningen waarbij de vrijstaande woningen aan de randen in particulier opdrachtgeverschap zijn ontwikkeld. Retro-architectuur, met veelal kappen, traditionele stijlkenmerken en navenante materialen, overheerst.
Oosterholt-Noord: Kleinschalige uitbreiding aan de oostkant van IJsselmuiden, waarbij gekozen is voor een herinterpretatie van klassieke woningtypen, met verschillende traditionele dakvormen, rode en bruine steen en grijze pannen.
Hanzewijk: Het stratenpatroon en het verkavelingsprincipe van de voormalige wederopbouwwijk is ‘hergebruikt’, maar gekozen is voor een andere typologie en vooral meer grondgebonden woningen. De wijk heeft hogere, formele buitenranden en informele woonbuurten, en ‘mee ontworpen’ erfafscheidingen.
De grondgebonden woningen hebben asymmetrische kappen en nadrukkelijk vormgegeven hoeken. De appartementengebouwen verwijzen in de vormgeving naar de wederopbouw portiekflats, met aandacht voor de hoeken en trappetjes naar de opgetilde plinten. Materiaal is gemêleerde rode en witgekeimde steen en grijze vlakke pannen. De wijk heeft een zeer duidelijke en eenduidige kleurstelling.
Kleinschalige ontwikkelingen:
Molenzicht: een combinatie van twee typen grondgebonden woningen en een appartementengebouw. Opvallend is het gemêleerde steengebruik en de steile kappen;
Sint Nicolaashof: half vrijstaande woningen in retro stijl in traditionele materialen;
Het Bos in IJsselmuiden: een nieuwbouwinvulling achter de Plasweg met half vrijstaande woningen met een gewolfd zadeldak;
Op het Berkterrein zijn vanaf 2000 nieuwbouwwoningen gerealiseerd rond enkele oude gebouwen van Berk Kampen. De appartementengebouwen en rijwoningen staan in dezelfde richting als de arbeiderswoningen, hebben platte daken en zijn uitgevoerd in donker en licht metselwerk in combinatie met rabatdelen.
Voormalige directeurswoning Berk Kampen.
Karakterisering Wijken vanaf 2000
De wijken van na 2000 zijn gevarieerd maar ook een geregisseerde eenheid, verbonden door sterk vormgegeven openbare ruimtes met onderscheid in hoofd-en bijroutes. De bebouwing is divers, van grote series tot eenlingen, vaak op basis van een beeldkwaliteit- of beeldregieplan met kleurenpalet en gebruik makend van thema’s en referenties. Bebouwing langs hoofdroutes is vaak bewust anders vormgegeven, van formele wanden tot expressieve dak beëindigingen, dan die in de binnengebieden. Veel afwisseling komt tot stand door het spiegelen, combineren en variëren van een beperkt aantal basismodellen. Hoe meer uitgesproken en gelijkvormig de architectuur van een serie, hoe storende en minder gewenst een afwijking. De appartementen hebben hoge architectonische kwaliteit en verdragen weinig individuele aanpassingen.
Beleid woonwijken
Het welstandsbeleid is erop gericht de karakteristiek van de verschillende wijken te respecteren. Afhankelijk van het belang van een ensemble, cluster, straatwand of bouwblok doet een verandering afbreuk aan de karakteristieken en is al dan niet gewenst. De mate waarin eenvormigheid binnen de detaillering behouden dient te blijven, verloopt van grootschalige hoogbouw, via rijtjeswoningen, naar kleinschalige individuele woonhuizen. Gebouwen met een bijzondere functie, én winkelcentra, kantoorgebouwen en appartementengebouwen worden (ook) beoordeeld aan de hand van de algemene criteria paragraaf 3.3. Gebouwen langs de beelddragers vallen onder het reguliere welstandsniveau. Hiervoor is behouden en waar mogelijk versterken van de kwaliteit het uitgangspunt.
Criteria woonwijken
Plaatsing
De bebouwing is met de voorgevel naar de weg gekeerd;
Nieuwe bebouwing voegt zich in de bestaande structuur en sluit aan op de kaprichtingen;
Vrijstaande gebouwen zijn alzijdig.
Vormgeving
Bouwinitiatieven worden beoordeeld op de gevolgen ten aanzien van het gebouw, bouwblok, cluster, ensemble en/of straatwand. De karakteristieken van de bebouwing, zoals beschreven in de gebiedsomschrijving, dienen daarbij te worden gerespecteerd;
Een nieuw bouwvolume heeft een heldere hoofdvorm, in aansluiting op de belendingen;
Dakvormen sluiten op die van het bouwblok, serie of ensemble;
Nieuwe ontwikkelingen zijn gerelateerd aan de bestaande maat-schaal en hoog-laag verhoudingen;
Afwijkende nieuwbouw voor (half) vrijstaande woningen is mogelijk, maar dient minimaal gelijkwaardige architectonische kwaliteit te hebben als de directe omgeving.
Hoekpanden daar waar karakteristiek voor het gebied met extra aandacht vormgeven;
De plaats en de afmetingen van raam- en deuropeningen in de gevels is op elkaar afgestemd;
Aan- en uitbouwen zijn afgestemd op het bestaande gebouw of de architectonische eenheid;
De pui van woon-winkelpanden (buiten de winkelcentra) dient in samenhang met de gehele gevel te worden ontworpen met behoud van de verticale verdeling van de straatwand;
De kwaliteit van beeldbepalende panden bij verbouwingen en uitbreidingen behouden en waar mogelijk versterken. Een beeldbepalende pand heeft door plaats (entree van een wijk, op zichtlijn) of historisch verleden (voormalig schoolgebouw, boerderij of directeurswoning) bijzondere waarden voor een wijk of gebied;
Esdoornhof is een vroeg en gaaf voorbeeld van woon-erfbebouwing. Hier dient de oorspronkelijke eenvormigheid te worden behouden;
Tussen de historische lintbebouwing zijn modern invullingen toegestaan mits passend in de karakteristiek en het heterogene beeld zoals omschreven.
Detaillering, materiaal en kleur
Zorgvuldige en consequente detaillering toepassen;
De detaillering, materialen en kleuren sluiten aan op de bebouwing binnen het bouwblok, serie en/of ensemble. Het oorspronkelijke materiaalgebruik is daarbij het uitgangspunt. Uniforme detaillering is, afhankelijk van karakteristieken van een bepaald gebied, meer of minder gewenst;
De detaillering, materialen en kleuren van gestapelde woningen zijn (in hoge mate) uniform;
De detaillering, materialen en kleuren van rijtjes woningen zijn uniform voor wat betreft het muurwerk en de dakbedekking;
Voor vrijstaande woningen zijn diverse kleuren en materialen toegestaan.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.2.6
Woonwijken Kampen en IJsselmuiden
Onderdeel van Welstandsnota gemeente Kampen