Gemeente Best is voornemens om in graslanden in het natuurontwikkelingsgebied ‘De Scheeken’ (voorheen Vleutse Broek) inrichtings- en beheermaatregelen te treffen ter bevordering van de biodiversiteit. Een belangrijke doelgroep voor de maatregelen vormen dagvlinders. Om inzicht te krijgen in de ontwikkelingen van dagvlinders in dit terrein, heeft de gemeente Best aan De Vlinderstichting opdracht gegeven hiervoor een nulmeting uit te voeren. In dit rapport staan de resultaten hiervan weergegeven, alsmede een advies voor het te voeren beheer.
Tijdens drie monitoringsronden in 2018 zijn op de vlinderroutes 26 dagvlinders van negen verschillende soorten gezien. Aanvullende doorkruising van het gehele gebied resulteerde in een totaallijst van 59 dagvlinders van 11 verschillende soorten (inclusief de resultaten van de vlinderroutes). Van de aangetroffen soorten gaat het om 6 soorten graslandvlinders, die 58% van het totaal aantal vlinders uitmaken. Alle aangetroffen vlindersoorten zijn in meer of mindere mate algemeen in Nederland.
Op basis van de resultaten van de nulmeting worden twee doelsoorten voorgesteld: het oranjetipje (een voorjaarsvlinder) en het oranje zandoogje (een zomervlinder). Gebaseerd op hun ecologische vereisten aan de leefomgeving worden concrete voorstellen gedaan voor de inrichting en het beheer van ‘De Scheeken’. Uitgangspunten hiervoor zijn het zorgen voor voldoende nectaraanbod gedurende het hele groeiseizoen (maart t/m oktober) en het zorgen voor voortplantingsmogelijkheden voor dagvlinders. Beide kunnen bereikt worden door het toepassen van gefaseerd maaibeheer, bijvoorbeeld middels de innovatieve beheermethode sinusbeheer. Deze methode wordt in dit rapport nader uitgewerkt.
Gemeente Best is voornemens om in graslanden in natuurontwikkelingsgebied ‘De Scheeken’ inrichtings- en beheermaatregelen te treffen ter bevordering van de biodiversiteit. Een belangrijke doelgroep voor de maatregelen vormen dagvlinders. Om inzicht te krijgen in de ontwikkelingen van dagvlinders in dit terrein, heeft de gemeente Best aan De Vlinderstichting opdracht gegeven hiervoor een nulmeting uit te voeren. In dit rapport staan de resultaten hiervan weergegeven, alsmede een advies voor het te voeren beheer.
Aanleiding
In het natuurontwikkelingsgebied ‘De Scheeken’ (Fig. 1) gaat gemeente Best vanaf september 2018 inrichtingsmaatregelen uitvoeren om een aantal graslanden (4.1 ha) om te vormen naar natuur en toegankelijk te maken voor extensieve recreatie, rechtdoend aan de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Er is behoefte aan specifieke doelsoorten om de inrichtings- en beheermaatregelen op af te stemmen en de effectiviteit van de ingrepen op biodiversiteit te kunnen volgen. Recent Duits onderzoek constateerde een forse afname in de biomassa aan insecten (Hallmann et al. 2017). Een aansprekende groep insecten, de dagvlinders, heeft een belangrijke indicatorwaarde voor een brede groep bloembezoekende insecten. Om die reden zijn dagvlinders binnen het project kansrijk als doelsoorten. Om een goed beeld te krijgen van de huidige verspreiding en aantallen dagvlinders in het terrein, is in 2018 een nulmeting uitgevoerd door experts van De Vlinderstichting. Op basis hiervan is een advies opgesteld voor beheermaatregelen die enkele vlindersoorten bevorderen.
Doelstelling
Op basis van een in 2018 uitgevoerde nulmeting voor dagvlinders in het natuurgebied Vleutse Broek adviseren over doelsoorten en het na te streven beheer in dit gebied.

Figuur 1: Impressie van ‘De Scheeken’ in mei 2018. Foto is genomen op het westelijke perceel, in noordoostelijke richting. Foto Rene Manger.
De graslanden in ‘De Scheeken’, in totaal 4.1 ha beslaand (Fig. 2), zijn in 2018 driemaal onderzocht op aanwezige dagvlinders. Hiertoe zijn twee dagvlindermonitoringsroutes uitgezet in de graslanden van ongeveer 200 meter lengte en een breedte van vijf meter (Fig. 3). Op de routes zijn, onder goede weercondities, alle aanwezige dagvlinders genoteerd, conform het protocol in van Swaay et al. (2018). Om een goed beeld te krijgen van de verspreiding van de dagvlinders is tijdens de nulmeting het gebied aanvullend doorkruist.
Waargenomen dagvlinders zijn ter plekke met exacte coördinaten ingevoerd in de Nationale Databank Flora en Fauna. De monitoring is uitgevoerd door een expert van De Vlinderstichting. Bezoekdata waren: 9 mei, 26 mei en 12 juli 2018. Het bezoek van 9 mei stond aanvankelijk voor de laatste decade van april gepland, maar kon toen vanwege weersomstandigheden niet doorgaan. De telroutes kunnen na de nulmeting door een geïnteresseerde vrijwilliger geadopteerd worden om zo de aantalsontwikkeling van de dagvlinders in het terrein langjarig te volgen.

Figuur 2: Begrenzing van de onderzochte graslanden in ‘De Scheeken’. Bron: Gemeente Best.

Figuur 3: Locaties van de uitgezette en getelde vlinderroutes in ‘De Scheeken’ (rode lijnen). Bron: Google Earth.
Dataverwerking en analyse
Alle verzamelde gegevens zijn uitgewerkt en geanalyseerd in Excel en QGis. Op basis van de nulmeting en expert judgement van De Vlinderstichting zijn een aantal vlinderdoelsoorten voor het terrein bepaald.
Monitoring
Tijdens drie monitoringsrondes zijn op twee telroutes in ‘De Scheeken’ in totaal 26 dagvlinders waargenomen van negen verschillende soorten (Tabel 1). Het talrijkst op de routes was het oranje zandoogje (7 exemplaren), gevolgd door klein geaderd witje (6) en dagpauwoog (4). Samen met de losse waarnemingen zijn in totaal 59 dagvlinders waargenomen van 11 verschillende soorten.
Tabel 1: Resultaten van de beide monitoringsroutes (MON) en de losse waarnemingen in ‘De Scheeken’ (LOS). Graslandvlinders zijn aangegeven met een *.
| 9-5-2018 | 26-5-2018 | 12-7-2018 | Soorttotaal | ||||
| MON | LOS | MON | LOS | MON | LOS | ||
| Bont zandoogje | 1 | 1 | 2 | 1 | 5 | ||
| Bruin zandoogje* | 1 | 7 | 8 | ||||
| Citroenvlinder | 1 | 1 | |||||
| Dagpauwoog | 1 | 1 | 2 | 1 | 5 | ||
| Groot dikkopje* | 1 | 1 | |||||
| Groot koolwitje | 1 | 1 | 6 | 8 | |||
| Klein geaderd witje* | 2 | 6 | 3 | 11 | |||
| Klein koolwitje | 1 | 5 | 6 | ||||
| Koevinkje* | 2 | 3 | 5 | ||||
| Oranje zandoogje* | 7 | 1 | 8 | ||||
| Oranjetipje* | 1 | 1 | |||||
| Bezoektotaal | 2 | 5 | 2 | 1 | 22 | 27 | 59 |
Ongeveer de helft van het aantal aangetroffen soorten in ‘De Scheeken’ betreft graslandvlinders. In aantal maken zij 58% van het soortspectrum uit (34 exx). Het gaat om de soorten bruin zandoogje, groot dikkopje, klein geaderd witje, koevinkje, oranje zandoogje en oranjetipje (Tabel 1). Graslandvlinders als groep staan Europabreed onder druk (Van Swaay et al. 2016) met een gemiddelde populatieafname van 30% sinds 1990, voornamelijk vanwege intensivering en schaalvergroting van de landbouw. In Oost-Europa ook wel vanwege verlating van landbouwgronden en de verbossing die dit tot gevolg heeft. In Nederland en andere West-Europese landen zijn populaties van graslandvlinders tot een absoluut minimum afgenomen (Van Swaay et al. 2016).

Figuur 4: Tijdens de uitvoering van de monitoring bestonden de graslandpercelen uit bemeste Engels of Italiaans raaigraspercelen van homogene samenstelling en vrijwel zonder kruidenrijkdom. Foto René Manger.
Huidige potenties van het terrein
De huidige situatie van de onderzochte graslandpercelen in ‘De Scheeken’ is dat zij bestaan uit stevig bemeste, door Engels of Italiaans raaigras gedomineerde vegetaties (Fig. 4). De kruidenrijkdom is minimaal en vrijwel alle bloeiende planten zijn te vinden in de greppels en de perceelsranden (Fig. 5). Dit heeft gevolgen voor de huidige potenties van het terrein voor dagvlinders. Het aantal aangetroffen dagvlinders is aan de lage kant, zeker in de eerste twee meetronden. Veel van de aangetroffen soorten kunnen op dit moment alleen in beperkte mate foerageren in de perceelsranden. Op de percelen zelf is vanwege het intensieve beheer op dit moment geen ruimte voor succesvolle voortplanting. De perceelsranden bieden die ruimte wel, mits ze gefaseerd beheerd worden. Het gaat dan vooral om vlinders die voortplanten op brandnetel (uit de monitoringslijst: dagpauwoog) en verschillende soorten grassen (oranje zandoogje, koevinkje, groot dikkopje).

Figuur 5: Bloeiende kruiden zijn vrijwel beperkt tot de perceelsranden. Foto René Manger.
Doelsoorten
De inrichtingsmaatregelen die de gemeente Best gaat nemen, kunnen de situatie voor dagvlinders verbeteren, mits er ruimte komt voor twee belangrijke bouwstenen in het gebied: grote bloemrijkdom gedurende het hele groeiseizoen (maart t/m oktober) en voortplantingsmogelijkheden voor dagvlinders. Om hier meer grip op te krijgen, doen wij, op basis van de nulmeting, een voorstel voor het opnemen van twee specifieke doelsoorten: het oranjetipje en oranje zandoogje. Van beide soorten geven we een korte omschrijving van de ecologie en handvaten voor het beheer.

Figuur 6: De onderzijde van het oranjetipje heeft een opvallende groengemard vlekkenpatroon. Dit dient onder meer als schutkleur. Foto Albert Vliegenthart.
Doelsoort 1: Oranjetipje
Het oranjetipje is een goed herkenbare vlindersoort die in het voorjaar actief is. De mannetjes hebben kenmerkende oranje vleugeluiteinden. Vrouwtjes lijken sterk op de bekende witjes. Zowel mannetjes als vrouwtjes hebben op de onderkant van de vleugels een groengemarmerd patroon (Fig. 6). Hiermee onderscheiden ze zich van bijvoorbeeld het klein geaderd witje en klein koolwitje, soorten waarmee het vrouwtje oranjetipje op het eerste gezicht verward kan worden.
Het oranjetipje is een echte voorjaarsvlinder. In het zuiden van Nederland worden de eerste exemplaren geregeld in maart gezien. De hoofdmoot van de oranjetipjes vliegt in april, vaak ligt de piek heel toepasselijk rond Koningsdag. Eitjes worden afgezet op pinksterbloem, look-zonder-look en soms ook raapzaad. De rupsen eten wekenlang van de zaaddozen van de waardplant, waarna ze vóór de verpopping op zoek gaan naar nabijgelegen struweel (10-20m afstand van de waardplant). In dit struweel verpoppen de rupsen (ongeveer in juni), waarna ze hier als pop de winter doorbrengen. Pas in het volgende voorjaar komen uit de poppen weer nieuwe oranjetipjes.

Figuur 7: Baltsende oranjetipjes, met boven het mannetje en onder het vrouwtje.
Foto Albert Vliegenthart.
Keuzeafweging: Tijdens de nulmeting is er één oranjetipje gezien. Het is een voor een breed publiek herkenbare, mobiele vlindersoort die geschikt leefgebied snel kan koloniseren. De rups leeft in het grasland, maar de poppen hebben struweel nodig. Daarmee is het zowel een grasland- als struweelvlinder. Dit alles samen maakt het oranjetipje een geschikte doelsoort voor ‘De Scheeken’.
Handvaten voor inrichting: aanplanten/sparen van struweel rondom de graslanden. Dit biedt ruimte voor voortplanting van de doelsoort. Geadviseerd wordt om hiervoor soorten te gebruiken die tegen matig vochtige condities bestand zijn. Hierbij valt te denken aan wilgensoorten (grauwe wilg, boswilg; tevens nectarbron) of vuilboom (tevens nectarbron).
Handvaten voor beheer:
- - Graslanden niet voor begin juni maaien in de eerste snede.
- - Graslanden bij voorkeur gefaseerd maaien, dit zorgt voor een meer continue aanbod van bloeiende planten gedurende langere periode. Tevens behoudt dit voortplantingslocaties voor graslandvlinders.
- - Richtlijn voor fasering: per maaibeurt 15% van het oppervlak van de vegetatie laten overstaan, ook bij de laatste maaibeurt. De overstaande vegetatie rouleert door het terrein heen.
- - Let erop dat niet alleen beschaduwde terreindelen overstaande vegetatie bevatten, probeer het overstaande deel zo te situeren dat er ook zonbeschenen delen zijn.
- - Struweel alleen gefaseerd afzetten, met minimaal een cyclus van eens per 6 jaar en waar mogelijk eens per 10 jaar. Dit garandeert een continue aanbod van struweel waarin rupsen van het oranjetipje kunnen verpoppen.

Figuur 8: Het oranje zandoogje heeft kenmerkende oranje vleugels met een brede bruine band. Ze zonnen graag op struweel. Foto Albert Vliegenthart.
Doelsoort 2: Oranje zandoogje
Het oranje zandoogje is een echte zomervlinder. De bovenkant van de vleugels is kenmerkend oranje met een brede bruine band (Fig. 8). De onderzijde bestaat uit verschillende bruintinten met enkele witte en zwarte oogjes. Het oranje zandoogje is in de zomermaanden vanaf eind juni actief tot eind augustus. De soort heeft een opvallende verspreiding in Nederland, met een kern in Drenthe, Groningen en Overijssel en een zuidelijke kern in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Ertussen komt het oranje zandoogje niet voor. Het is een vlinder van tamelijk bloemrijke en structuurrijke graslanden en wegbermen, waarin vaak een zoomvegetatie van bijvoorbeeld braam en andere ruigteplantensoorten voorkomt. De vlinders houden ervan om op beschutte, zonbeschenen plekken in struiken, bomen of kruiden te zonnen. Het is een typische soort van halfopen tot gesloten landschappen met houtwallen of –singels, mantelzoomvegetaties of boselementen die worden afgewisseld met vaak wat ruigere, droge graslanden. Ook in landbouwgebieden waarin bovenstaande elementen aanwezig zijn, komt het oranje zandoogje voor.

Figuur 9: Parende oranje zandoogjes in ‘De Scheeken’. Foto René Manger.
Oranje zandoogjes leggen hun eitjes op diverse grassoorten, zoals kropaar, rood zwenkgras en gewoon struisgras. De rupsen overwinteren verscholen in een graspol. Na de winter worden ze weer actief, eten ze van de grassen en verpoppen in juni. De vlinders hebben gedurende hun vliegtijd in juli-augustus veel nectar nodig, die ze drinken op braam, distels, koninginnekruid, struikheide en andere bloeiende planten. Oranje zandoogjes houden van overgangen van lage naar hoge vegetatie, waarschijnlijk vanwege het warmere microklimaat wat hierdoor ontstaat.
Keuzeafweging: Het oranje zandoogje is een vrij algemene vlindersoort van wat ruigere graslanden in een halfopen landschap, en daarmee typisch voor de zandgronden in Brabant. Dit landschap is in ‘De Scheeken’ aanwezig, ook na inrichtingsmaatregelen. Het oranje zandoogje is tijdens de nulmeting met acht exemplaren vastgesteld (Fig. 9). De soort is dus in het gebied aanwezig. Verder is het een zomervlinder, waardoor er geen overlap is in de vliegtijd met de andere doelsoort, het oranjetipje. Het oranje zandoogje is gebaat bij een voldoende groot nectaraanbod in juli en augustus. Wanneer dit aanwezig is, zullen tevens andere bloembezoekende insectensoorten (bijen, zweefvliegen, vlinders, kevers) hiervan profiteren. Daarmee staat het oranje zandoogje wat betreft habitateisen symbool voor een grotere groep bloembezoekende insecten. Het is daarom een goede doelsoort voor het beheer van ‘De Scheeken’.
Handvaten voor inrichting: streef naar (de ontwikkeling van) een bloemrijke vegetatie in de graslanden. Dit kan door ondiep verwijderen van de landbouwvoor (hoewel lokaal handhaven ervan belangrijk is voor het herstel van de bodemfauna) en het aansluitend enten van bloemrijk maaisel uit natuurgraslanden in de omgeving. Uit de zaden die in het maaisel zitten, kan zich in korte tijd een vegetatie ontwikkelen van het gewenste (bloemrijke) vegetatietype.
Handvaten voor het beheer:
- - Graslanden niet maaien voor half juni, vanwege het verpoppen van oranje zandoogjes.
- - Streef naar een continue aanbod van bloeiende kruiden, tenminste in de periode juni-augustus, maar bij voorkeur langer.
- - Beheer graslanden gefaseerd, waardoor voortplantingslocaties voor het oranje zandoogje en andere graslandvlinders niet verloren gaan.
- - Punten 2 en 3 kunnen tot uitvoer gebracht worden door het toepassen van sinusbeheer (zie verderop).
- - Gefaseerd maaibeheer waarbij per maaibeurt minstens 15% van het oppervlak van de vegetatie ongemaaid blijft, is aan te raden wanneer de mogelijkheden voor sinusbeheer ontbreken. Zie voor tips de handvaten bij het oranjetipje.
Gefaseerd maaibeheer middels sinusbeheer
De nieuw ingerichte percelen in ‘De Scheeken’ lenen zich voor de toepassing van gefaseerd maaibeheer, wat de gemeente Best volgens de laatste plannen ook voornemens is om toe te passen (pers. comm. Wilco van den Berg). Een vrij nieuwe, innovatieve vorm van gefaseerd maaibeheer staat bekend als sinusbeheer. Deze beheervorm is afkomstig uit Vlaanderen en is bedacht door Jurgen Couckuyt (Couckuyt 2015). Sinusbeheer bestaat feitelijk uit twee stappen, die eenmaal of meermalen per jaar doorlopen kunnen worden. De lokale situatie, zoals bodem, groeisnelheid van de vegetatie en weersinvloeden, bepalen of en hoeveel maaibeurten per jaar nodig zijn. De stappen zijn:
- - Maai een meanderend pad van ca. 2 meter breed. Dit pad heet het sinuspad. Het pad eindigt op dezelfde plek als waar het begint, zie onderstaande figuur. Richtlijn is dat het sinuspad zodanig wordt gesitueerd dat ongeveer 60% van de vegetatie binnen het sinuspad valt en 40% erbuiten. Die 40% blijft dus overstaan, daar wordt geen beheer op toegepast. Voer het maaisel af.

Figuur 10: Voorbeeld van de toepassing van sinusbeheer op een graslandperceel omzoomd door houtsingels of bos.
Uitvoering: maaien en afvoeren
Materieel: maaibalk of kleine, lichte trekken met frontmaaier van ca. 2 meter breed. Bij voorkeur maaisel direct na maaien afvoeren. Ofwel met de hand, ofwel met kleine opraapwagen.
Tijdstip: In een terrein waar normaal gesproken 1 maaibeurt per jaar uitgevoerd wordt, wordt het sinuspad in de periode april-juni gemaaid, afhankelijk van weer, groeisnelheid van de vegetatie e.d. Zijn normaal twee of meer maaibeurten per jaar nodig op de locatie, dan wordt het eerste sinuspad in de periode eind maart t/m mei gemaaid, en het tweede tussen juni en begin augustus.
- - Maai enkele weken na het sinuspad alle vegetatie aan de binnenzijde van het sinuspad. Laat het sinuspad zelf ongemoeid (hier hebben vlinders en andere insecten eitjes op afgezet). Voer het maaisel af.
Uitvoering: maaien en afvoeren
Materieel: maaien en afvoeren met licht materiaal (voorkomt bodemverdichting). Lichte trekker met frontmaaier of zijmaaier die wendbaar is. Maaisel afvoeren met opraapwagen.
Tijdstip: enkele weken na het maaien van het sinuspad, in veel gevallen in de periode eind mei-augustus (1 maaibeurt per jaar) of mei-juni voor de eerste keer en juli-september voor de tweede keer (bij 2 maaibeurten per jaar).

Figuur 11: Voorbeeld van sinusbeheer toegepast in een Brabants natuurgrasland.
Links de niet-gemaaide buitenzijde, midden het sinuspad, rechts de recent gemaaide binnenzijde. Toepassing van sinusbeheer leidt zo op perceelsniveau tot grote variatie. Foto Anthonie Stip.
Aandachtspunten voor sinusbeheer
- - Zijn meerdere maaibeurten per jaar nodig, dan worden in plaats van elke conventionele maaibeurt beide stappen van sinusbeheer opnieuw doorlopen. Als er dus 2 maaibeurten per jaar nodig zijn, wordt er 2x per jaar een sinuspad uitgezet (telkens weer op een iets andere locatie) en 2x per jaar alles binnen het sinuspad gemaaid.
- - Let op: de locatie van het sinuspad stuurt de locatie van uitvoering in stap 2. Als er dus een haard met ‘ongewenste’ planten of lokale boomopslag verwijderd moeten worden, is het zaak de haard of boomopslag binnen het sinuspad te laten vallen, zodat in de tweede stap (wanneer alles binnen het sinuspad gemaaid wordt) deze planten meegemaaid worden. Dit vergt kennis van het te beheren terrein en de lokale flora en fauna.
- - Bij elke ronde van sinusbeheer blijft ca. 40% van de vegetatie ongemaaid. Op een areaal van 10 hectare betekent dit dat in stap 2 ongeveer 6 ha gemaaid wordt (lees: binnen het sinuspad valt) en 4 ha blijft staan.
- - Voor een nulmeting van dagvlinders in ‘De Scheeken’ zijn twee vlinderroutes uitgezet. Deze kunnen in de toekomst gebruikt blijven worden om effecten van inrichtings- en beheermaatregelen te volgen.
- - Tijdens drie monitoringsronden in 2018 zijn op de vlinderroutes 26 dagvlinders van negen verschillende soorten gezien.
- - Aanvullende doorkruising van het gehele gebied resulteerde in een totaallijst van 59 dagvlinders van 11 verschillende soorten (inclusief de resultaten van de vlinderroutes.
- - Van de aangetroffen soorten gaat het om 6 soorten graslandvlinders, die 58% van het totaal aantal vlinders uitmaken.
- - Op basis van de resultaten van de nulmeting worden twee doelsoorten voorgesteld: het oranjetipje (een voorjaarsvlinder) en het oranje zandoogje (een zomervlinder).
- - Op basis van de ecologische eisen van beide doelsoorten aan hun leefgebied worden concrete voorstellen gedaan voor de inrichting en het beheer van ‘De Scheeken’.
- - Belangrijkste uitgangspunten in het toekomstige beheer van ‘De Scheeken’ zijn het zorgen voor voldoende nectaraanbod gedurende het hele groeiseizoen (maart t/m oktober) en het zorgen voor voortplantingsmogelijkheden voor dagvlinders.
- - Beide bovenstaande voorwaarden kunnen bereikt worden door gefaseerd beheer van graslanden.
- - Een innovatieve manier van gefaseerd maaibeheer is het toepassen van sinusbeheer. Hiervoor worden uitgebreide handreikingen gegeven.
Hallmann CA, Sorg M, Jongejans E, Siepel H, Hofland N, et al. (2017). More than 75 percent decline over 27 years in total flying insect biomass in protected areas. PLOS ONE 12(10): e0185809. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0185809.
Van Swaay, C.A.M., Bos-Groenendijk, G.I., Deijk, J.R. van, Grunsven, R.H.A. van, Kok, J.M., Huskens, K. & Poot, M. (2018). Handleiding landelijke meetnetten vlinders, libellen en nachtvlinders. Rapport VS2018.011, De Vlinderstichting, Wageningen.
Van Swaay, C.A.M., Van Strien, A.J., Aghababyan, K., Åström, S., Botham, M., Brereton, T. Carlisle, B., Chambers, P., Collins, S., Dopagne, C., Escobés, R., Feldmann, R., Fernández-García, J.M., Fontaine, B., Goloshchapova, S., Gracianteparaluceta, A., Harpke, A., Heliölä, J., Khanamirian, G., Komac, B., Kühn, E., Lang, A., Leopold, P., Maes, D., Mestdagh, X., Monasterio, Y., Munguira, M.L., Murray, T., Musche, M., Õunap, E., Pettersson, L.B., Piqueray, J., Popoff, S., Prokofev, I., Roth, T., Roy, D.B., Schmucki, R., Settele, J., Stefanescu, C., Švitra, G., Teixeira, S.M., Tiitsaar, A., Verovnik, R., Warren, M.S. (2016). The European Butterfly Indicator for Grassland species 1990-2015. Report VS2016.019, De Vlinderstichting, Wageningen.