Gemeente Best is al jarenlang bezig met ecologisch groenbeheer. In hoeverre deze zorg ook bijdraagt aan een rijkere fauna van bijen en andere bloembezoekers is niet goed bekend. De aandacht voor het belang van inheemse bloembezoekers voor bestuiving in brede zin, maar ook in het kader van de grote insectensterfte, is immers pas laatste jaren actueel geworden. Ecologica is gevraagd om, verspreid over een aantal jaren, de betekenis van het gemeentelijke ecologische groenbeheer voor wilde bijen in beeld te brengen. Hierbij wordt samengewerkt met de plantenwerkgroep van IVN Best die het bloemaanbod op de onderzoekslocaties in beeld brengt. Het daadwerkelijk bloemaanbod is een belangrijke sturende factor voor de lokale bijenfauna.
Dit jaar is het net nieuw ingerichte natuurpark de Scheeken onderzocht. De resultaten van dit onderzoek dienen als nulmeting aan de hand waarvan de toekomstige ontwikkeling van de bijenfauna kan worden gevolgd, maar geven deels ook nu al een indicatie of inrichting en beheer gunstig zijn voor bijen en andere bloembezoekers.
Dit rapport doet verslag van de resultaten van het meetjaar 2020.
Opdrachtgever voor het project is de gemeente Best met de heer Wilco van den Berg als contactpersoon. Vanuit Ecologica zijn de werkzaamheden uitgevoerd door Ivo Raemakers en Tim Faasen. Voor de samenwerking met de plantenwerkgroep van IVN Best trad Trudy aan den Toorn als contactpersoon op. Sjors de Kort verleende toestemming om enkele door het Brabants Landschap beheerde percelen te mogen bekijken. Wij danken alle betrokkenen voor hun bijdrage.
Best is al jarenlang actief aan de slag voor natuur en biodiversiteit in de gemeente. Zo worden bermen al minstens 15 jaar ecologisch beheerd. Nu de zorgen groeien omtrent de overleving van bloembezoekers en andere insecten in ons landschap, zowel landelijk als internationaal, rees de vraag in hoeverre bermen en andere gemeentelijke landschapselementen een positieve rol kunnen spelen in deze problematiek. Daarom is gemeente Best in 2018 gestart met langjarige natuurmonitoring van gemeentelijk groen en in deze monitoring staan wilde bijen en flora centraal. Tot dusverre zijn uitsluitend nulmetingen uitgevoerd op bermen, een tweetal geluidswallen, een groengebied rond een bergbezinkbassin en een grote overhoek langs de A2. In 2020 is het net nieuw ingerichte natuurpark De Scheeken onderzocht. De bevindingen van deze nulmetingen gaan dienen als ijkpunt aan de hand waarvan de toekomstige ontwikkeling van de bijenfauna en, in minder mate, de flora kan worden beoordeeld.
Bij de inventarisaties wordt steeds samengewerkt met de plantenwerkgroep van IVN Best. Zij brengen het bloemaanbod in beeld, vooral rond de momenten dat ook de bijenfauna wordt bemonsterd. Het vastleggen van het bloemaanbod gedurende de activiteitsperiode van wilde bijen is interessant vanwege de sterke samenhang tussen de bijenfauna enerzijds en de mate en diversiteit aan bloeiende planten anderzijds. Door naast bijen ook het bloemaanbod te monitoren, kunnen effecten van beheer en eventuele andere factoren beter worden ingeschat. Deze kennis zorgt er uiteindelijk voor dat er betere adviezen voor groenbeheer en inrichting kunnen worden opgesteld, zodanig dat de natuur- en biodiversiteitswaarde van het gemeentelijke groen behouden of vergroot kunnen worden.
De doelstelling van de langjarige monitoring van bijenen bloemaanbod in Best, is als volgt samen te vatten:
- - Het gestandaardiseerd vastleggen van de bijenfauna per onderzoekslocatie om de ontwikkelingen in de soortensamenstelling te kunnen volgen in de tijd.
- - Het gestandaardiseerd vastleggen van het bloemaanbod per onderzoekslocatie om die vervolgens te kunnen relateren aan de bijenfauna ter plekke.
- - Op basis van ter plekke vastgestelde gegevens en algemene gebiedskennis adviseren welke maatregelen kansrijk zijn om de situatie voor wilde bijen te verbeteren. Het gaat daarbij zowel om beheer- als inrichtingsmaatregelen, waarbij bijvoorbeeld ook gekeken wordt naar de potentie van het bevorderen van ontbrekende of schaarse voedselplanten.
Voor de nulmeting in natuurpark De Scheeken zijn de doelstellingen wat verder gespecificeerd. Een groot deel van de inrichtings- en beheermaatregelen van de Scheeken richten zich immers specifiek op natuurwaarde-ontwikkeling, terwijl in de meeste groenterreinen natuur meer een nevenfunctie is (bermen, geluidswallen). Voor De Scheeken zijn daarom de volgende, aanvullende monitoringsvragen geformuleerd:
- - Zorgt het op natuurwaarde-vergroting gerichte beheer van de graslanden, ook voor een toename in abundantie en soortendiversiteit van wilde bijen?
- - Hoe snel worden de deels speciaal voor bijen en wespen aangelegde leemsteilwandjes door bijen bewoond en om welke soorten en aantallen gaat het?
- - Hoe verloopt de ontwikkeling van de bijenfauna onder invloed van de herinrichting voor het gebied als geheel?
Bijeninventarisatie
Anders dan in voorgaande jaren, is de onderzoekslocatie van 2020, Natuurpark De Scheeken, te groot om op één dag goed en volledig te kunnen inventariseren. Om de bijenfauna van het gebied toch goed en objectief te kunnen monitoren, is gekozen voor een tweeledige aanpak. Op de eerste plaats is gewerkt met 8 transecten en wel 5 vegetatietransecten en 3 nestplektransecten. Hierbinnen zijn bijen gedurende een vaste tijdsperiode geïnventariseerd en is, op de vegetatietransecten, het aantal bloemen per plantensoort vastgelegd. De transecten zijn steeds uitgezet op plekken waar het natuurvriendelijke beheer op termijn de meeste winst voor de bijenfauna zou moeten gaan opleveren: op de graslanden, langs nieuw aangeplante struwelen en langs leemsteilwandjes en -hellingen die aantrekkelijk zouden moeten zijn als nestelplek. De transectbemonstering maakt een nauwkeurige monitoring van bijenaantallen, bijensoorten en bloeiende planten mogelijk, maar doet dat hoofdzakelijk voor de biotopen waar de transecten doorheen of langs lopen. Om ook zicht te krijgen op de ontwikkeling van de bijenfauna van De Scheeken als geheel, is, als tweede bemonsteringsmethodiek, het volledige gebied doorkruist op zoek naar bijen, waarbij vooral aandacht is besteed aan die biotopen waar aanvullende bijensoorten verwacht mogen worden ten opzichte van de transecten. Deze tweede methodiek richt zich dus specifiek op de soortsdiversiteit van de bijenfauna, niet op de aantallen per bijensoort.
Werkwijze transecten
De 5 vegetatietransecten zijn elk 150m lang en 3 m breed (= 1,5m aan weerszijden van de looproute). Bij de bijentelling wordt het transect in 3 secties van 50m lang verdeeld en elk van deze secties wordt 5 min op bijen bemonsterd door rustig heen en weer te lopen. Omdat de telling in secties van 50m gebeurt, is het niet noodzakelijk dat een transect één aangesloten strook van 150m lang vormt. Dankzij de secties bestaat de mogelijk om weinig of oninteressante terreindelen buiten beschouwing te laten of kleine, interessante terreindelen juist wel in een transect op te nemen. Van deze mogelijkheid om een transect te ‘versnipperen’ is op een paar plekken gebruik gemaakt. Honingbijen zijn bij het tellen steeds in klassen vastgelegd: 1-5, 6-25, 26-50, >50). Honingbijen zijn weliswaar geen wilde bijen, maar bij hogere dichtheden of beperkt bloemaanbod kunnen ze de wilde bijenfauna wel sterk beïnvloeden. Het vastleggen van hun aanwezigheid in klassen kost weinig tijd en biedt op termijn de mogelijkheid om na te gaan of hun aanwezigheid van invloed is geweest op de wilde bijenfauna.
Na uitvoering van de bijentelling op de 3 50m-secties, worden alle voor bijen relevante bloeiende bloemen in het volledige transect geteld of, bij zeer grote aantallen, geschat. Deze bloementelling per transect gebeurt zowel door de bijenteller als door de plantenwerkgroep van IVN Best. De bijenteller telt de bloemen zelf ook, omdat deze telling het best correspondeert met de daadwerkelijk aangetroffen bijen. De plantenwerkgroep telt juist op andere momenten dan dat de bijentelling wordt uitgevoerd. Hun tellingen geven aanvullende informatie over het verloop van de bloei en het totale soortenspectrum van bloeiende planten binnen het transect en geven zo meer zicht op de potentiële populatiegrootte en samenstelling van de bijenfauna op het transect.
Naast de vegetatietransecten zijn 3 transecten uitgezet op naar verwachting interessante nestellocaties: twee op speciaal voor bijen aangelegde leemsteilwanden en één op de steile helling van het Speeleiland. Van elk van deze nesttransecten is een stuk van circa 5m lang gedurende 10 minuten op nestelende bijen gecontroleerd. Bij de specifiek voor bijen en wespen bedoelde leemsteilwandjes is de volledige steilwandhoogte bemonsterd, bij de helling van het Speeleiland de bovenste 3 m vanaf de insteek van de helling. De bijen zijn op zicht (al dan niet na vangen) gedetermineerd en niet gedood. Soms betekent dit dat dieren hooguit tot op soortgroep of genus herkenbaar zijn. Bij lage aantallen individuen zijn absolute aantallen per bijentaxon geteld. Mochten de aantallen op termijn sterk toenemen dan zal worden overgestapt op schattingen in tientallen of honderdtallen.
Flora-inventarisatie
De leden van plantenwerkgroep van IVN Best hebben twee inventarisaties uitgevoerd:
- - het tellen van de bloei op de bijentransecten geteld op 25 mei en 3 augustus
- - een nulmeting van de flora van het gehele Natuurpark de Scheeken op 14, 18 en 20 mei
Laatstgenoemde inventarisatie was gericht op het vaststellen van zoveel mogelijk verschillende soorten. Alleen van zeldzame en voor het gebied karakteristieke plantensoorten zijn zoveel mogelijk groeiplaatsen gekarteerd. Voor de meeste soorten is echter volstaan met het eenmalig vaststellen van de aanwezigheid.
De bloeitellingen op de bijentransecten T1-T5 zijn uitgevoerd in mei en augustus omdat vooraf was ingeschat dat de bijentellingen zouden worden uitgevoerd in april, juni en juli. Insteek was dat de tellingen van de plantenwerkgroep het bloei-overzicht maximaal zouden completeren. Door een te late derde bijentelling in augustus is dit plan niet helemaal uit de verf gekomen.
Het hebben van een goed overzicht van het (potentiële) aanbod aan belangrijke voedselplanten geeft een belangrijke indicatie over de mogelijke samenstelling en de ontwikkelingsmogelijkheden van de bijenfauna. In deze rapportage zijn de floragegevens voor het gehele gebied alleen globaal bekeken. Pas na vervolginventarisaties en met een groeiende dataset wordt het steeds interessanter om de relaties tussen floristische diversiteit, bloei en de aanwezigheid van wilde bijen uitgebreider te analyseren.
Natuurpark De Scheeken (fig.1), ook wel bekend onder toponiem De Vleut, grenst aan natuurgebied De Scheeken dat onderdeel is van het Groene Woud. Typerend in deze streek is de aanwezigheid van Brabantse leem ondiep in de ondergrond, terwijl de toplaag van de bodem veelal uit lemig zand bestaat. De leemlagen in de ondergrond zorgen voor een hoge (schijn-)grondwaterspiegel en zeker in het winterhalfjaar staat het water tot aan of zelfs boven het bodemoppervlak. Samen zorgt dit voor een betere basenverzadiging van de bovengrond. De flora is hierdoor rijker dan in dekzandgebieden zonder zulke leemlagen. Vooral bos- en zoomsoorten springen in het oog zoals bosanemoon, welriekende agrimonie, eenbes, wegedoorn en vele mossoorten. Karakteristiek zijn ook de populieren die hier in het verleden over grote oppervlakten zijn aangeplant.
Op zeer bescheiden schaal is het hierboven beschreven beeld ook terug te zien in het natuurpark. Hoewel het gebied tot 2019 voornamelijk agrarisch werd gebruikt, waren bosanemoon, slanke sleutelbloem en adderwortel nog altijd te vinden in bermen en slootkanten, terwijl populieren vaak fungeerden als laanbomen. Vanaf winter 2018/2019 is een gebied van circa 13,5 ha groot heringericht en staan recreatie en natuur centraal (tabel 1). Er zijn nieuwe wandelpaden, een speeleiland, poelen, plasdras-situaties, insectenwanden, houtrillen en een vleermuiskelder aangelegd. Met een variatie aan inheemse soorten zijn struwelen, bosjes en houtsingels aangeplant en is het beheer op sommige graslanddelen geëxtensiveerd om ruigte tot ontwikkeling te laten komen. Ook is er veel ruimte gereserveerd voor bloemrijke graslanden. Vooralsnog wordt ingezet op spontane ontwikkeling van zulke bloemrijke graslanden door verschralend beheer. Om dit verschralingsproces te versnellen en zo mogelijk gebruik te maken van de nog aanwezige zaadbank in de bodem, is bij sommige graslandpercelen een deel van de bouwvoor afgeschraapt. Hoewel zeer voedselrijk, laat eerder uitgevoerd bodemonderzoek zien dat de vermesting van de bouwvoor niet zo extreem is als bij veel Nederlandse landbouwgronden. Ook zonder verwijdering van de bouwvoor, mag bij verschralingsbeheer op afzienbare termijn een verbetering van de graslandvegetatie worden verwacht.
Doordat het natuurpark nog maar net is heringericht, zijn natuurwaarden goeddeels beperkt tot de randen van bermen en sloten, en is de diversiteit aan flora en fauna nog bescheiden. Voor de bijendiversiteit vormt ook de winterse natheid van de bodem waarschijnlijk een belangrijke beperking omdat veel bijen in de bodem nestelen en juist van droogte en warmte houden. Naar verwachting zal de bijenfauna niet alleen profiteren van een toename van het voedselaanbod en de diversiteit daarvan, maar zeker ook van het beschikbaar komen van drogere nestelmogelijkheden door de aanleg van insectenwanden en het relatief hoog gelegen speeleiland.

Figuur 1: Begrenzing onderzoeksgebied op satellietfoto uit 2019. De herinrichting is al grotendeels klaar, maar onder andere de vleermuiskelder, de insectenwanden en enkele poelen ontbreken nog.
Verspreid over het natuurpark zijn 5 vegetatietransecten op bijen geïnventariseerd (fig. 2, T1-T5). De transecten liggen in grazige situaties, soms op de overgang naar andere vegetaties of landschapselementen. Bij T4 en T5 liggen de secties niet aansluitend, vooral om een extra begroeiingstype of perceel in de bemonstering te kunnen meenemen.

Figuur 2: Ligging van de vegetatietransecten (T1-T5) en leemwandtransecten (W1-W3).
Transect T1 volgt de noordoostzijde van een wandelpad en ligt hoofdzakelijk op de overgang naar een recent aangeplant soortenrijk struweel. Eén sectie, de meest zuidoostelijke, ligt ten zuiden van een oud bosje. Langs het jonge struweel bestaat de bemonsterde vegetatie vooral uit verruigend grasland dat nu nog rijk is aan voor bijen aantrekkelijke planten als moerasrolklaver, witte klaver, kruipende boterbloem en bosandoorn. De sectie langs het oude bosje betreft vooral ruigte met nogal wat akkerdistel, gewone berenklauw, kale jonker en braamstruweel. Tevens groeien hier enkele wilgenstruiken.

Figuur 3: Links: T1 ter hoogte van het oude bosje. Rechts: meest noordelijke sectie van T2.
Transect T2 loopt in zijn geheel langs jong, aangeplant struweel en de vegetatie is vergelijkbaar met het deel van T1 dat eveneens langs jong struweel loopt. Interessant voor bijen zijn ook hier moerasrolklaver, witte klaver en bosandoorn, maar daarnaast ook veel basterdwederik, grote kattenstaart en paardenbloem.
Transect T3 ligt volledig in een raaigras-perceel waarin nauwelijks bloeiende kruiden aanwezig zijn. Op enige afstand ligt een parallel aan het transect lopende, nieuw aangelegde houtril. Transect 3 staat model voor de graslandsituatie voordat de herinrichting plaats vond. De waarnemingen uit 2020 vormen een soort nulmeting waartegen toekomstige waarnemingen worden afgezet om te laten zien wat herinrichting en beheer voor bijen hebben opgeleverd.
Twee secties van transect T4 liggen parallel aan een verhoogd liggend zandpad. Het zuidgerichte talud van dit zandpad is waarschijnlijk van oudsher interessant als nestelplek voor bodembewonende bijen. Ook is er ouder braamstruweel aanwezig zodat er ook voor bovengronds nestelende bijen nestgelegenheid beschikbaar is. De twee secties zelf lopen door bloemarm raaigrasland, maar er zijn wel meer bloemen beschikbaar dan in T3, onder andere paardenbloem, Canadese fijnstraal en hondsdraf. De derde sectie loopt over het schouwpad langs een door het waterschap beheerde waterloop. Op deze sectie zijn enkele kruiden van wat vochtiger te milieu te vinden zoals pinksterbloem, smeerwortel en echte valeriaan maar ook jakobskruiskruid en boerenwormkruid.
Transect T5 ligt verspreid over twee percelen waarvan de bouwvoor verwijderd is. Het zuidelijke perceel met 1 sectie is relatief droog met echte kamille en witte klaver als belangrijkste bloeiende kruiden. Het noordelijke perceel is veel natter en rijk aan klavers (moerasroklaver, witte klaver, rode klaver, basterdklaver), maar tevens groeien er al andere interessante bijenplanten zoals heelblaadjes, echte koekoeksbloem en grote kattenstaart.

Figuur 4: Links: T3 gezien vanaf houtril. Rechts: T4 met verhoogd talud langs wegkant.

Figuur 5: Links: T4, sectie op schouwpad. Rechts: Zicht op zuidelijke sectie van T5.
Op drie plekken zijn leemhellingen op nestelende bijen bemonsterd (fig. 2, W1-W3). Twee van deze locaties, W1 en W3, betreffen vrijwel verticale leemwandjes die speciaal voor insecten zijn aangelegd met behulp van vrijgekomen materiaal uit nieuw aangelegde poelen. Vooral W3 is door erosie op veel plekken verzakt en op deze locatie is begroeiing op de leemwand vaak ook al vrij weelderig. Het bemonsterde deel van W1 was in 2020 nog nagenoeg vegetatieloos. Insectenwand W2 betreft een klein deel van de zuidoosthelling van het speeleiland. Deze helling is ingezaaid met zwenkgras om erosie te voorkomen en zodoende is er minder kale bodem aanwezig. Hoewel de samenstelling enigszins varieert, is bij alle drie de wandjes sprake van behoorlijk lemige bodem.

Figuur 6: Links: Leemwand W1. Rechts: helling van speeleiland W2.

Figuur 7: Leemwand W3. Hier trad meer erosie op dan op de andere locaties en in de loop van het seizoen raakte deze wand ook grotendeels begroeid.
In 2020 zijn in De Scheeken in totaal 188 exemplaren van 52 verschillende bijensoorten aangetroffen (zie tabel 1), tijdens veldbezoeken op 26 maart, 8 en 9 april, 25 juni en 2 augustus. Hiervan staan 6 soorten op de Rode Lijst. Er zijn dit jaar geen soorten vastgesteld die gelden als prioritair in het provinciale natuurbeleid. Driedoornige metselbij (zie voorkant rapport) en bruine slobkousbij staan nog te boek als zeer zeldzaam, maar beide soorten nemen de laatste jaren sterk in aantal en areaal toe. In Brabant is driedoornige metselbij nog steeds een grote zeldzaamheid, maar het verspreid door de provincie opduiken van deze soort, wijst er waarschijnlijk op dat ook hier een snelle toename valt te verwachten.
Het totaal aantal waargenomen bijenexemplaren is laag, maar dit is in overeenstemming met het gegeven dat Natuurpark De Scheeken pas sinds een klein jaar als zodanig is ingericht, terwijl het gebied tot die tijd intensief agrarisch is gebruikt. Ook het gebrek aan droge bodems, afgezien van de wat verhoogd liggende paden, is het gebied vlak en laaggelegen met zeker in de winter zeer natte, op veel plekken inunderende bodems. Vanuit dat perspectief is het totaal aantal waargenomen bijensoorten, 52, juist hoog. Ook al omdat de beschikbaarheid van bloeiende planten beperkt is, zowel in kwantiteit als diversiteit. Gezien de lage aantallen per soort, heeft een deel van de waargenomen soorten ongetwijfeld betrekking op exemplaren die het nieuw ingerichte gebied als zwerver bereikt hebben. Van een aantal soorten is echter duidelijk dat er kleine populaties in De Scheeken aanwezig zijn.

Figuur 8: Links: mannetje halfgladde dwergzandbij; rechts: vrouwtje lapse behangersbij.
Verder valt op dat het aandeel bovengronds nestelende soorten relatief hoog is ten opzichte van het aantal bodemnestelaars. De meest bijensoorten nestelen in de grond. Wanneer de hommels buiten beschouwing worden gelaten, die kunnen meestal zowel bovenals ondergronds nestelen, geldt voor de bijenfauna als geheel dat circa 1 op de 4 bovengronds nestelt. Voor de Scheeken is dit 1 op 3. Dit is in overeenstemming met het natte karakter van het gebied, maar de verhouding zou kunnen gaan verschuiven door de nieuwe inrichting van het gebied. Door de aanleg van een hoog gelegen speeleiland en enkele bijensteilwandjes in de buurt van enkele poelen, is het gebied waarschijnlijk toegankelijker geworden voor bodemnestelaars.
Het voorkomen van een paar bijensoorten verdient extra toelichting. Op de eerste plaats betreft dit de al eerder genoemde bruine slobkousbij en driedoornige metselbij die beide nog (zeer) zeldzaam zijn in Brabant. De aanwezigheid van een kleine populatie bruine slobkousbijen is opmerkelijk, omdat er vooralsnog maar een paar kleine groeiplekken met de exclusieve waardplant grote wederik in het gebied te vinden zijn. Deze groeiplekken liggen steeds in extensief beheerde greppels langs de paden. Met de nieuwe inrichting valt te verwachten dat zowel grote wederik als bruine slobkousbij zullen gaan toenemen. De waarneming van een stuifmeel verzamelend vrouwtje van de driedoornige metselbij is opmerkelijk omdat het een sterk warmteminnende soort betreft. Het natte en daardoor gemiddeld genomen wat koelere gebied De Scheeken is dus niet de eerste plaats waar je deze soort zou verwachten. Driedoornige metselbij is echter een vlinderbloemen-specialist en vlinderbloemigen waren al volop aanwezig op sommige afgeplagde graslandpercelen. Dit voedselaanbod, in combinatie met een droge en warme zomer waren blijkbaar voldoende om de soort het gebied in te lokken. Driedoornige metselbij nestelt overigens in verticale, kruidachtige, gedurende de winter overstaande stengels. Zulke stengels zijn langs de ruigere randen van graslanden en bosjes volop te vinden, zodat nestelgelegenheid niet zo snel een beperkende factor zal vormen.
Tabel 1: Totaaloverzicht van bijensoorten in 2020 met waargenomen aantallen per soort, RL = Rode Lijststatus (Reemer, 2018).
| Ned. naam | Wet. naam | RL | aantal | Ned. naam | Wet. naam | RL | aantal |
| Grasbij | Andrena flavipes | 16 | Gewone geurgroefbij | Lasioglossum calceatum | 1 | ||
| Roodgatje | Andrena haemorrhoa | 6 | Breedkaakgroefbij | Lasioglossum laticeps | 2 | ||
| Gewone dwergzandbij | Andrena minutula | 2 | Matte bandgroefbij | Lasioglossum leucozonium | 1 | ||
| Lichte wilgenzandbij | Andrena mitis | 2 | Groepjesgroefbij | Lasioglossum malachurum | 1 | ||
| Bremzandbij | Andrena ovatula | KW | 5 | Ingesnoerde groefbij | Lasioglossum minutissimum | 3 | |
| Halfgladde dwergzandbij | Andrena semilaevis | KW | 1 | Fijngestippelde groefbij | Lasioglossum punctatissimum | 4 | |
| Grijze zandbij | Andrena vaga | 1 | groefbij indet. | Lasioglossum spec. | 4 | ||
| Geelstaartklaverzandbij | Andrena wilkella | KW | 5 | Biggenkruidsgroefbij | Lasioglossum villosulum | 1 | |
| Kleine harsbij | Anthidiellum strigatum | 3 | Glanzende bandgroefbij | Lasioglossum zonulum | 6 | ||
| Grote wolbij | Anthidium manicatum | 3 | Gewone slobkousbij | Macropis europaea | 3 | ||
| Andoornbij | Anthophora furcata | 3 | Bruine slobkousbij | Macropis fulvipes | GE | 6 | |
| Tuinhommel | Bombus hortorum | 3 | Tuinbladsnijder | Megachile centuncularis | 3 | ||
| Steenhommel | Bombus lapidarius | 5 | Lathyrusbij | Megachile ericetorum | 1 | ||
| Veldhommel | Bombus lucorum | 1 | Lapse behangersbij | Megachile lapponica | KW | 1 | |
| Akkerhommel | Bombus pascuorum | 20 | Distelbehangersbij | Megachile ligniseca | 1 | ||
| Weidehommel | Bombus pratorum | 1 | Grote bladsnijder | Megachile willughbiella | 5 | ||
| Aardhommel | Bombus terrestris | 4 | Kattenstaartdikpoot | Melitta nigricans | 6 | ||
| Aardhommel-complex | Bombus terrestris-complex | 3 | Roodzwarte dubbeltand | Nomada fabriciana | 1 | ||
| Gewone kegelbij | Coelioxys inermis | 1 | Geelschouderwespbij | Nomada ferruginata | 1 | ||
| Wormkruidbij | Colletes daviesanus | 2 | Kortsprietwespbij | Nomada fucata | 13 | ||
| Pluimvoetbij | Dasypoda hirtipes | 1 | Gewone dubbeltand | Nomada ruficornis | 6 | ||
| Gewone viltbij | Epeolus variegatus | 1 | Signaalwespbij | Nomada signata | 1 | ||
| Roodpotige groefbij | Halictus rubicundus | 1 | Bosbloedbij | Sphecodes ephippius | 1 | ||
| Tronkenbij | Heriades truncorum | 1 | Glanzende dwergbloedbij | Sphecodes geoffrellus | 2 | ||
| Zwartgespoorde houtmetselbij | Hoplitis leucomelana | 3 | Kleine spitstandbloedbij | Sphecodes longulus | 2 | ||
| Driedoornige metselbij | Hoplitis tridentata | GE | 1 | Gewone dwergbloedbij | Sphecodes miniatus | 7 | |
| Gewone maskerbij | Hylaeus communis | 7 | bloedbij indet. | Sphecodes spec. | 1 | ||
| Zompmaskerbij | Hylaeus gredleri | 2 | Totaal aantal exemplaren | 188 | |||
| Totaal aantal soorten | 52 | ||||||
Naast de aanwezigheid van deze zeer zeldzame soorten, zijn ook de waarnemingen van groepjesgroefbij, zwartgespoorde houtmetselbij, distelbehangersbij en andoornbij interessant. Bruine slobkousbij past in het landschap. Vooral groepjesgroefbij is in de regio een grote bijzonderheid en waarschijnlijk zeldzamer dan bruine slobkousbij. In elk geval zijn in een ruime straal rond Best geen recente waarnemingen van deze soort bekend. Afgezien van de wat grotere warmtebehoefte, lijkt de verspreiding vooral beperkt te worden door de nestplekkeuze: onbegroeide, lemige, verdichte bodem. Zulke plekken zijn in Natuurpark de Scheeken ruim voorhanden, maar het is opmerkelijk dat de soort het gebied nu al heeft weten te vinden. Ook in dit geval spelen de mooie zomers van de laatste waarschijnlijk wel een rol. De overige soorten zijn in Nederland alle schaars en zijn als karakteristiek te beschouwen voor parkachtige landschappen met afwisseling van bosjes en struwelen met bloemrijke graslanden. Andoornbij is daarbij nog het meest karakteristiek voor landschappen wat voedselrijke bossen, zoals het Groene Woud, omdat de soort vooral foerageert op bosandoorn. Bosandoorn is kenmerken voor voedselrijkere bossen en bosranden. De andere soorten hebben een minder markante voedselkeuze. Zwartgespoorde houtmetselbij prefereert vlinderbloemigen en is vooral op de afgeplagde aangetroffen. Distelbehangers heeft een voorliefde voor distel, waarbinnen kale jonker een van de favorieten is. Andoornbij, zwartgespoorde houtmetselbij en distelbehangersbij nestelen bovengronds in dood hout of holle stengels en zijn daardoor ook in nattere milieus te vinden. In die zin horen ze dus thuis in Natuurpark de Scheeken en het is positief dat ze al in het eerste jaar zijn aangetroffen terwijl het minder algemene soorten betreft.
In de 5 graslandtransecten zijn in totaal 103 bijen behorende tot 24 verschillende bijensoorten geteld. Voor een net ingericht gebied valt dit zeker niet tegen. De verwachting is dat deze aantallen de komende jaren zullen toenemen, wanneer de graslanden gevarieerder en bloemrijker worden.
Het aantal bijenwaarnemingen varieert sterk per transect en per telronde (tabel 2). Zoals verwacht is het vrijwel kruidenloze, door raaigras gedomineerde t3 verreweg het bijenarmst. Dit is ook het enige transect waarin een telronde, ronde 3, geen enkele bij opleverde. De meeste bijen in één telronde, 18 exemplaren, zijn geteld in twee transecten, t1, het transect langs de bosrand, en t5, op het afgeplagde perceel aan de noordkant van het gebied. Het grootste aantal bijensoorten in één telronde, 9, is waargenomen in t4.
Naast bijen zijn in de transecten steeds ook alle bloemen geteld (tabel 2). Deze tellingen laten zien dat t3 duidelijk minder bloemen en minder bloeiende plantensoorten telt dan de andere transecten. Verder is er duidelijk variatie tussen de telrondes, maar deze variatie vertoont geen vast patroon. In welke ronde het aantal bloemen en bloeiende plantensoorten het hoogst is, hangt meer af van het transect dan van het jaargetijde. Uiteraard is niet elke bloeiende plant even interessant voor bijen en de mate van betekenis wisselt bovendien per bijensoort. Over deze variatie in ‘bijenwaarde’ is redelijk veel bekend en deze zal worden meegewogen, zodra de monitoring in de komende jaren laat zie hoe de bijenfauna van samenstelling verandert.
Tabel 2: Resultaat transecttellingen 2020 met waargenomen aantallen bijen, bijensoorten, bloeiende plantensoorten en aantal bloemen/bloemhoofdjes.
| transect | ronde | # bij individu | # bij soort | # bloem soort | # bloem |
| t1 | 1 | 3 | 3 | 14 | 658 |
| t1 | 2 | 7 | 4 | 15 | 1564 |
| t1 | 3 | 18 | 5 | 18 | 2340 |
| t2 | 1 | 3 | 3 | 9 | 976 |
| t2 | 2 | 12 | 4 | 12 | 2971 |
| t2 | 3 | 7 | 3 | 22 | 4355 |
| t3 | 1 | 2 | 1 | 10 | 347 |
| t3 | 2 | 1 | 1 | 6 | 258 |
| t3 | 3 | 0 | 0 | 3 | 32 |
| t4 | 1 | 15 | 9 | 16 | 1104 |
| t4 | 2 | 1 | 1 | 8 | 212 |
| t4 | 3 | 3 | 2 | 12 | 2741 |
| t5 | 1 | 2 | 2 | 10 | 780 |
| t5 | 2 | 18 | 5 | 20 | 4045 |
| t5 | 3 | 11 | 5 | 26 | 3026 |
Wanneer we de resultaten van de bijentellingen met bloemtellingen combineren, wordt duidelijk dat het credo ‘meer bloemen, meer bijen’ in De Scheeken zeker op gaat. Figuren 9 tot met 12 laten zien dat zowel het aantal bijen per transect, als het aantal bijensoorten positief gecorreleerd is met het aantal bloemen en het aantal bloeiende plantensoorten. In de figuren is een lineaire trendlijn weergegeven om deze relatie te verduidelijken. In werkelijkheid is de relatie tussen bijen en bloemen natuurlijk niet lineair, maar is er sprake van een verzadigingscurve.
Het is op zich niet gek dat deze verbanden goed herkenbaar zijn in situaties waarin het bloemaanbod klein en beperkend is, zoals in De Scheeken nog zeker het geval is. Van de andere kant zijn agrarische gebieden tegenwoordig meestal zo extreem bijen- en natuurarm, dat bijen en andere bloembezoekers nauwelijks in staat zijn om snel op een lokaal verbeterde situatie te reageren. Het ontbreekt in zo’n landschap dan simpelweg aan bijensoorten en -exemplaren om een snelle respons te kunnen krijgen. In dergelijke landschappen moet een verbeterd gebied eerst worden ontdekt zodat het zeker meer dan een jaar duurt voor een respons zichtbaar wordt, die de kwaliteit van het gebied realistischer weerspiegelt. De vrees bestond dat zo’n trage reactie zich ook bij De Scheeken voor zou doen, maar blijkbaar is het landschap rond De Scheeken nog niet zo extreem verarmd, wat ook wel klopt wanneer het ruimere landschap in ogenschouw wordt genomen. Mogelijk heeft ook de reeks van warme, droge zomers er voor gezorgd dat het landschap al beter dan normaal met bijen gevuld was, waarbij het mooie weer het over de omgeving uitzwerven van bijen bovendien vergemakkelijkte. Mogelijk is driedoornige metselbij hier een voorbeeld van.

Figuur 9: Relatie tussen het aantal bijen en bloemen op een transect. Elke punt staat voor 1 telling (5 transecten met elk 3 telronden).

Figuur 10: Relatie tussen het aantal bijen en het aantal bloeiende plantensoorten op een transect.

Figuur 11: Relatie tussen het aantal bijensoorten en het aantal bloemen per transect.

Figuur 12: Relatie tussen het aantal bijensoorten en het aantal bloeiende plantensoorten per transect.
De resultaten van de bijentellingen van de drie lemige steilwanden staan weergegeven in tabel 3. Zo kort na de aanleg zijn nog slechts weinig bijen gezien en van slechts een paar soorten kon nestelen worden vastgesteld. Zo bleek in de zomer dat op W1 en W3 kleine nestgroepjes van ingesnoerde groefbij aanwezig waren en op W2 bleek in elk geval de tweede generatie grasbij te nestelen. Verder zijn opvallend veel koekoeksbijen gesignaleerd, vooral bloedbijen. Tijdens de inventarisatie werd niet duidelijk of de aanwezigheid van deze parasitaire soorten ook daadwerkelijk samenhing met aanwezigheid van nesten van de gastsoort. Weliswaar viel te zien dat de koekoeksbijen gaatjes in de grond binnen gingen, maar of dit ook daadwerkelijk bijennesten waren kon niet worden vastgesteld. Hoewel bekend is dat koekoeksbijen op geurstoffen van hun gastsoorten reageren, is het vrijwel zeker ook zo dat ze vaak kansrijke landschapsstructuren afzoeken, zoals steilwandjes, ook wanneer daar weinig of geen gastsoorten nestelen.
In praktijk bleek het inventariseren van steilwandjes moeilijk. Nestelende bijen duiken bij aankomst vrijwel direct hun nestgang in en bij vertrek vliegen ze als een speer weg. De kans om een nestelend exemplaar te zien en te vangen dan wel op zicht te herkennen, is voor de meeste bijensoorten erg klein. Bovendien wordt dit vangen en herkennen verder bemoeilijkt door de aanwezigheid van graafwespen, die in zomer 2020 in elk geval veel talrijker aanwezig waren dan bijen.

Figuur 1: Links: vrouwtje ingesnoerde groefbij, een soort die al nestelt in de leemwanden; rechts: vrouwtje gewone dwergbloedbij, een groefbijenparasiet, maar waarschijnlijk niet van ingesnoerde groefbij.
Deze aspecten zorgen er voor dat de kans op het optreden van waarnemerseffecten zeer groot is, wat het verzamelen van objectief vergelijkbare monitoringsgegevens sterk bemoeilijkt. Vooralsnog is hier geen bevredigende oplossing voor verzonnen, maar na de huidige ervaringen is onze inschatting dat vangen en doden uiteindelijk toch betere gegevens oplevert dan de werkwijze in 2020 waarbij de bijen niet werden gedood (om de populatie niet beïnvloeden) maar zo veel mogelijk ter plaatse op zicht op naam werden gebracht.
Tabel 3: Waargenomen bijen per steilwand in 2020.
| steilwand | ronde | Ned. Naam | Wet. Naam | geslacht | aantal | gedrag |
| w1 | 1 | - | - | - | ||
| w1 | 2 | Ingesnoerde groefbij | Lasioglossum minutissimum | f | 4 | |
| w1 | 2 | Ranonkelbij | Chelostoma florisomne | f | 1 | |
| w1 | 3 | Grote spitstandbloedbij | Sphecodes puncticeps | f | 1 | |
| w1 | 3 | Gewone dwergbloedbij | Sphecodes miniatus | m | 2 | |
| w1 | 3 | Ingesnoerde groefbij | Lasioglossum minutissimum | 4f, 2m | 6 | nestelend |
| w2 | 1 | Kortsprietwespbij | Nomada fucata | ? | 2 | |
| w2 | 1 | groefbij indet. | Lasioglossum spec. | f | 3 | |
| w2 | 1 | Gewone dwergbloedbij | Sphecodes miniatus | f | 1 | |
| w2 | 1 | bloedbij indet. | Sphecodes sp. | f | 1 | |
| w2 | 2 | Kortsprietwespbij | Nomada fucata | f | 1 | |
| w2 | 2 | Grasbij | Andrena flavipes | f | 1 | nestelend |
| w2 | 3 | - | - | - | geen bijen, veel nestelende graafwespen | |
| w3 | 1 | groefbij indet. | Lasioglossum spec. | f | 1 | |
| w3 | 1 | Roodzwarte dubbeltand | Nomada fabriciana | ? | 1 | |
| w3 | 1 | Gewone dwergbloedbij | Sphecodes miniatus | f | 1 | |
| w3 | 2 | Kortsprietwespbij | Nomada fucata | f | 1 | |
| w3 | 2 | groefbij indet. | Lasioglossum spec. | f | 1 | nestelend |
| w3 | 3 | Glanzende bandgroefbij | Lasioglossum zonulum | m | 1 | |
| w3 | 3 | Kleine spitsbloedbij | Sphecodes longulus | f | 1 | |
| w3 | 3 | Gewone dwergbloedbij | Sphecodes miniatus | m | 2 | |
| w3 | 3 | Ingesnoerde groefbij | Lasioglossum minutissimum | 1 f, 2m | 3 | |
Tabel 4 geeft een overzicht van planten waarop voedselzoekende bijen zijn aangetroffen. Het betreft zowel waarnemingen binnen als buiten de transecten. In totaal gaat het om 24 plantensoorten, 83 records van bloembezoekende bijen en 34 bijensoorten. In de tabel is geen onderscheid gemaakt tussen bloembezoek voor stuifmeel of alleen voor nectar. Ook is geen onderscheid gemaakt in het bloembezoek door de bijenmannetjes en bijenvrouwtjes. Ook moet bedacht worden dat buiten de transecten de aandacht steeds uitging naar het vinden van nog niet eerder in het gebied aangetroffen bijensoorten. Tijdens dat inventarisatie-onderdeel zijn vooral waarnemingen van meer bijzondere bijen en hun bloembezoek vastgesteld. Toch geeft het overzicht wel een redelijke indruk van het bloembezoek in de periodes dat het gebied bezocht is. In elk geval is het plantensoortenlijstje in grote lijnen goed vergelijkbaar met de resultaten die langjarige, landelijke data laten zien: vooral vlinderbloemigen (klavers), maar ook composieten, springen er qua aantallen bloembezoekers en bezoekende soorten uit en ook de lipbloemigen (andoorn, hondsdraf, dovenetel) doen goed mee. Daarnaast is braam een bekende bijenplant.
Dat bijen selectief zijn in hun bloembezoek blijkt verder wel uit bloemtellingen per transect. Niet alleen is het totaal aantal aangetroffen bloeiende plantensoorten (74) veel groter, maar ook is het aantal plantensoorten per transect voor drie transecten zelfs groter dan het aantal plantensoorten waarop daadwerkelijk bloembezoek is waargenomen in het hele gebied (tabel 5). Verder laat tabel 5 zien dat het aantal bloeiende plantensoorten per inventarisatieronde maar voor een klein deel overlapt en dat het aanbod aan bloeiende plantensoorten en het aantal bloeiwijzen in het voorjaar meestal lager ligt dan later in het jaar. Dit laatste geldt niet voor alle transecten en de verschillen tussen de transecten zijn bovendien aanzienlijk.
Ook de extra bloemtellingen op 25 mei en 3 augustus van de Plantenwerkgroep laten zien dat het bloemaanbod op de transecten sterk afhankelijk is van datum (Bijlage 3). Vooral hun telling van 25 mei laat soorten zien die tijdens de bijeninventarisatie niet zijn waargenomen. Omdat de laatste bijeninventarisatie niet omstreeks half juli maar pas op 2 augustus kon plaats vinden, zijn de bevindingen van 3 augustus grotendeels vergelijkbaar met die van de bijeninventarisatie. De implicaties van de aanvullende gegevens van deze extra flora-tellingen worden pas bij vervolginventarisaties verder geanalyseerd.
Tabel 4: Overzicht van het aantal bijenrecords per plantensoort.
| Ned. Naam | Wet. naam | exemplaren | soorten |
| witte klaver | Trifolium repens | 14 | 7 |
| moerasrolklaver | Lotus pedunculatus | 13 | 10 |
| paardenbloem | Taraxacum officinale s.l. | 7 | 5 |
| grote kattenstaart | Lythrum salicaria | 5 | 1 |
| bosandoorn | Stachys sylvatica | 5 | 4 |
| zevenblad | Aegopodium podagraria | 3 | 3 |
| akkerdistel | Cirsium arvense | 3 | 3 |
| heelblaadjes | Pulicaria dysenterica | 3 | 2 |
| paarse dovenetel | Lamium purpureum | 2 | 1 |
| hondsdraf | Glechoma hederacea | 2 | 1 |
| grote wederik | Lysimachia vulgaris | 2 | 1 |
| kruipende boterbloem | Ranunculus repens | 2 | 2 |
| braam | Rubus Sec. Rubus | 2 | 1 |
| knopig helmkruid | Scrophularia nodosa | 2 | 2 |
| boerenwormkruid | Tanacetum vulgare | 2 | 1 |
| basterdklaver | Trifolium hybridum | 2 | 1 |
| wilg | Salix spec. | 1 | 1 |
| gewone engelwortel | Angelica sylvestris | 1 | 1 |
| pinksterbloem | Cardamine pratensis | 1 | 1 |
| speerdistel | Cirsium vulgare | 1 | 1 |
| haagwinde | Convolvulus sepium | 1 | 1 |
| klein streepzaad | Crepis capillaris | 1 | 1 |
| grauwe wilg | Salix cinerea | 1 | 1 |
| echte koekoeksbloem | Silene flos-cuculi | 1 | 1 |
| 24 | 83 | 34 | |
Tabel 5: Het aantal bloeiende plantensoorten per transect (totalen in vet en aanvullend per transect opgesplitst naar inventarisatieronde).
| plantensoort | bloeiwijze | ||
| t1 | 1 2 3 | 37 14 15 18 | 4562 658 1564 2340 |
| t2 | 1 2 3 | 37 9 12 22 | 8302 976 2971 4355 |
| t3 | 1 2 3 | 18 10 6 3 | 637 347 258 32 |
| t4 | 1 2 3 | 31 16 8 12 | 4057 1104 212 2741 |
| t5 | 1 2 3 | 42 10 20 26 | 7851 780 4045 3026 |
| totaal | 74 | 25409 | |
De resultaten van de extra bloeitellingen op de transecten zijn te vinden in bijlage 3 en zijn kort besproken in §3.4. De resultaten van de nulmeting van de flora staan weergegeven in bijlage 2. Bij de nulmeting in mei zijn in totaal 141 plantentaxa vastgesteld. Dit aantal is later bij de bloemtellingen en de bijeninventarisatie nog wat verder uitgebreid. Voor de monitoring is het echter belangrijk om ook bij toekomstige inventarisatierondes vast te houden aan een gebiedsdekkend veldbezoek in de tweede helft van mei. Op die manier blijven de resultaten goed vergelijkbaar en wordt het beste inzicht verkregen in hoe de totale florasamenstelling zich ontwikkelt.
Het meest opvallend in de resultaten van 2020 is de vertegenwoordiging van bosplanten van rijkere bossen (leembossen). Blijkbaar vinden deze planten in de slootkanten en lanen geschikte standplaatsen. Het betreft bosanemoon, veelstengelige salomonszegel, slanke sleutelbloem en bosandoorn. Ook de later aangetroffen, bijzondere zoomsoort welriekende agrimonie sluit aan bij deze leembossoorten. Behalve bossoorten zijn pioniers van veelal lemige bodem en de eveneens vaak op leembodems voorkomende soorten van periodiek natte graslanden al redelijk goed vertegenwoordigd. Dit betreft soorten als borstelbies, bosbies (kwel), echt duizendguldenkruid, liggend hertshooi, klein bronkruid, heelblaadjes, gevleugeld hertshooi en echte koekoeksbloem. Het grootste deel van deze soorten heeft ook duidelijk geprofiteerd van het afgraven van de bouwvoor op een aantal natte graslandpercelen. Al met al is er, in lage dichtheden, al een redelijk aantal minder algemene tot zeldzame, karakteristieke soorten in het gebied aanwezig.
Tijdens de transecttellingen zijn ook steeds dagvlinders genoteerd, maar dat leverde slechts een klein aantal waarnemingen op van koevinkje, hooibeestje, bruin zandoogje, groot dikkopje en klein koolwitje. Bij het doorkruisen van de rest van het gebied is nog een aantal andere soorten aangetroffen, onder andere landkaartje, oranje zandoogje en gewone eikenpage. Bijzondere dagvlinders zijn niet vastgesteld.
Overige vermeldenswaardige waarnemingen betreffen:
- - Bergveldwesp
- - Ivoorwesp
- - Haas
- - Oeverpriemkever
- - Kustsprinkhaan
- - Moerassprinkhaan
Natuurpark De Scheeken is momenteel volop in ontwikkeling. Bij de natuurdoelstellingen voor het gebied is al in belangrijke mate rekening gehouden met de wensen van ongewervelden in het algemeen en bijen in het bijzonder. Niet voor niets wordt er ingezet op de ontwikkeling van kruiden- en bloemrijke graslanden, gevarieerde ruigten, struwelen en bosranden en zijn er zelfs leemsteilwandjes aangelegd om onder andere bijen en wespen tot nestelen te verleiden. Doordat het park bij de start van deze inventarisatie nog geen jaar oud was, zullen de meeste resultaten van inrichting en beheer pas in de komende jaren duidelijk gaan. De inventarisatie van dit jaar was dan ook vooral nog een soort nulmeting al profiteren sommige bijen al duidelijk van toegenomen bloei, met name op percelen waarvan de bouwvoor was verwijderd.
Hoewel het nu dus nog grotendeels te vroeg is voor een evaluatie en adviezen ten aanzien van inrichting en beheer, is het op basis van de verzamelde data wel al mogelijk om een aantal (voorlopige) opmerkingen te plaatsen:
Afplaggen graslanden levert direct bloemrijke vegetaties op met meestal veel vlinderbloemigen die voor veel bloembezoekers erg aantrekkelijk zijn. Mocht de omvorming naar kruidenrijk grasland van niet geplagde percelen stagneren, dan kan plaggen (al dan niet kleinschalig) deze stagnatie waarschijnlijk doorbreken.
Leemwandjes die geheel of gedeeltelijk zijn opgebouwd uit voedselrijke grond, lijken op vrij korte termijn dicht begroeid te raken. Waarschijnlijk is dit een gevolg van de grote nutriëntenbeschikbaarheid, maar ook extra beschikbaarheid van zaden vanuit de zaadbank kan een rol spelen. Wanneer dit dicht begroeid raken niet voor de hele wand geldt, is het niet zo’n probleem. Is dit wel het geval, dan is het voor bijen en graafwespen waarschijnlijk verstandig om de wandjes periodiek bij te steken of door wat frequenter (3x per jaar) te maaien geschikt houden als nestplek. Ook valt te experimenteren met houtige beplanting bovenop de wandjes die ervoor kan zorgen dat de wanden zo droog worden dat er amper kruiden kunnen groeien. In dit laatste geval is het wel zaak dat de wanden niet volledig afgeschermd raken. Enige beschaduwing is voor veel soorten niet zo’n probleem en sommige soorten lijken beschaduwde steilwanden zelfs te prefereren, maar de takken die direct voor de wand hangen lijken de aantrekkelijkheid voor nestelen wel sterk te verkleinen.
Een belangrijke aanwinst voor de bijenfauna is de toename van ruigere, overstaande vegetaties met langjarig overstaande dode kruidachtige stengels en braamstruweel. Dit biedt extra voedselaanbod maar belangrijker is de extra nestgelegenheid voor een flink aantal bijen- en wespensoorten. Veel van de karakteristieke soorten van nattere gebieden nestelen in holle of merghoudende stengels.
Voor zover dit niet al gebeurd is, is het verstandig om nu al een werkplan op te stellen hoe deze ruigten en struwelen door gefaseerd beheer in stand gehouden kunnen worden, en wel op zo’n manier dat er jaarlijks voldoende geschikt areaal beschikbaar is. Zonder beheer volgt verdergaande struweelvorming en uiteindelijk bosvorming, waarbij de nestgelegenheid (en het extra voedselaanbod) weer verloren gaan en met een harde grens tussen grasland en bos tot gevolg.
- - In totaal zijn in 2020 52 bijensoorten vastgesteld in Natuurpark De Scheeken. Voor een nat, net heringericht gebied is dit geen slechte score.
- - Met uitzondering van een vrouwtje van de gedoornde metselbij, zijn er geen heel bijzondere bijen aangetroffen. De warmteminnende, op vlinderbloemigen gespecialiseerde gedoornde metselbij heeft waarschijnlijk geprofiteerd van de warme, zonnige zomer. Onverwacht is de aanwezigheid van bruine slobkousbij, groepjesgroefbij en andoornbij. Bruine slobkousbij past in het landschap, maar de voedselplant grote wederik is ter plekke zo schaars dat aanwezigheid onwaarschijnlijk leek. Andoornbij profiteert van de aanwezigheid van bosandoorn, een plant van rijkere bossen en boszomen, een plant die niet direct in een landbouwlandschap verwacht werd. Groepjesgroefbij nestelt graag in verdichte kale leembodem die in het natuurpark ruimschoots voorhanden is. In de wijde omgeving van Best zijn echter geen recente waarnemingen van deze soort bekend.
- - De tellingen op de bijentransecten maken nu al duidelijk dat het aantal bijen, zowel wat betreft soorten als exemplaren, positief is gecorreleerd met het bloemaanbod. Eenzelfde positieve correlatie is er met de diversiteit aan bloeiende planten.
- - Transect T3, gelegen op een raaigrasweide die de uitgangssituatie van het oorspronkelijke landbouwgebied het best benadert, telde vrijwel geen bijen of bloeiende kruiden. Vooral de transecten op de graslandpercelen waarvan de bouwvoor was verwijderd, leverden veel meer bijen en bloemen op.
- - Het aantal dagvlinders op de bijentransecten is nog zeer klein en betreft alleen zeer algemene soorten. Een analyse van de relatie met bloemaanbod en bloeidiversiteit is nog niet mogelijk.
- - Beide leemwandjes en de helling van het speeleiland bleken in 2020 al in gebruik als nestplek van bijen en wespen. Graafwespen lijken snellere kolonisatoren dan bijen. Bij de bijen is vooral ingesnoerde groefbij in wat grotere aantallen aangetroffen. De wandjes en helling werden relatief veel bezocht door koekoeksbijen, vooral bloedbijen.
- - De flora-nulmeting leverde 141 verschillende plantensoorten op. Tijdens bijeninventarisaties en bloemtellingen is dit aantal nog wat verder aangevuld. Opvallend is de aanwezigheid van nogal wat bijzondere planten van bos en bosranden, waaronder slanke sleutelbloem, bosanemoon en welriekende agrimonie. Verder zijn relatief veel bijzondere pioniers van natte leembodems aangetroffen: blauwe waterereprijs, borstelbies, echt duizendguldenkruid en liggend hertshooi.
- - Graslandpercelen waarvan de bouwvoor was afgegraven waren vaak erg bloemrijk. Voor bijen was het vooral interessant dat er vaak veel vlinderbloemigen uit de zaadbank opkwamen: moerasroklaver, witte klaver, rode klaver en basterdklaver.
- - Kleijn, D., T.P.M. Fijen, I. Raemakers & J. Scheper (2017). Het behoud van wilde bijen in het landelijk gebied: is bloemen zaaien de oplossing? De Levende Natuur 118(3): 98-104.
- - Raemakers, I., T. Faasen, M. Reemer & J. Smit (2018). Trends van wilde bijen in Noord-Brabant. Rapportage 2017. Ecologica, Maarheeze & EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden.
- - Raemakers, I. (2019). Wilde bijen in Best. Nulmeting 2018. Ecologica i.o.v. Gemeente Best.
- - Reemer, M. (2018). Basisrapport voor de Rode Lijst Bijen. EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden.
- - Peeters, T.M.J., H. Nieuwenhuijsen, J. Smit, F. van der Meer, I.P. Raemakers, W.R.B. Heitmans, C. van Achterberg, M. Kwak, A. J. Loonstra, J. de Rond, M. Roos & M. Reemer (2012). De Nederlandse bijen. Natuur in Nederland deel 11. Naturalis, EIS-Nederland & KNNV uitgeverij.
De uiteindelijke inrichting wijkt iets af van onderstaande planttekening. Zo is een poel gegraven in het meest noordelijke perceel en daar is tevens een leemwand gemaakt. De poel in het perceel eronder is naar het aangrenzende westelijke perceel verschoven.

Bron: Staro, bestekstekening 2018
| nederlandse naam | wetenschappelijke naam | nederlandse naam | wetenschappelijke naam | |||||
| Akkerdistel | Cirsium arvense | Klein kruiskruid | Senecio vulgaris | |||||
| Akkerkool | Lapsana communis | Kleine klaver | Trifolium dubium | |||||
| Basterdklaver | Trifolium hybridum | Kleine varkenskers | Lepidium didymum | |||||
| Bijvoet | Artemisia vulgaris | Kleine veldkers | Cardamine hirsuta | |||||
| Blaartrekkende boterbloem | Ranunculus sceleratus | Kluwenhoornbloem | Cerastium glomeratum | |||||
| Blauwe waterereprijs | Veronica anagallis-aquatica | Knopig helmkruid | Scrophularia nodosa | |||||
| Bleekgele droogbloem | Gnaphalium luteoalbum | Koninginnekruid | Eupatorium cannabinum | |||||
| Boerenwormkruid | Tanacetum vulgare | Kruipend zenegroen | Ajuga reptans | |||||
| Borstelbies | Isolepis setacea | Kruipende boterbloem | Ranunculus repens | |||||
| Bosandoorn | Stachys sylvatica | Krulzuring | Rumex crispus | |||||
| Bosbies | Scirpus sylvaticus | Lidrus | Equisetum palustre | |||||
| Bosveldkers | Cardamine flexuosa | Liggend hertshooi | Hypericum humifusum | |||||
| Boswilg | Salix caprea | Liggende vetmuur | Sagina procumbens | |||||
| Canadapopulier | Populus x canadensis | Look-zonder-look | Alliaria petiolata | |||||
| Canadese fijnstraal | Erigeron canadensis | Madeliefje | Bellis perennis | |||||
| Dagkoekoeksbloem | Silene dioica | Mannagras | Glyceria fluitans | |||||
| Echte kamille | Matricaria chamomilla | Melganzenvoet | Chenopodium album | |||||
| Echte koekoeksbloem | Silene flos-cuculi | Moerasdroogbloem | Gnaphalium uliginosum | |||||
| Echte valeriaan | Valeriana officinalis | Moeraskers | Rorippa palustris | |||||
| Egelantier | Rosa rubiginosa | Moerasspirea | Filipendula ulmaria | |||||
| Egelboterbloem | Ranunculus flammula | Noorse ganzerik | Potentilla norvegica | |||||
| Engels raaigras | Lolium perenne | Paardenbloem | Taraxacum officinale | |||||
| Fijne / Grote waterranonkel | Ranunculus aquatilis/peltatus | Paarse dovenetel | Lamium purpureum | |||||
| Fluitenkruid | Anthriscus sylvestris | Penningkruid | Lysimachia nummularia | |||||
| Geknikte vossenstaart | Alopecurus geniculatus | Perzikkruid | Persicaria maculosa | |||||
| Gekroesde melkdistel | Sonchus asper | Pinksterbloem | Cardamine pratensis | |||||
| Gelderse roos | Viburnum opulus | Pitrus | Juncus effusus | |||||
| Gele lis | Iris pseudacorus | Ratelpopulier | Populus tremula | |||||
| Gerst | Hordeum vulgare | Ridderzuring | Rumex obtusifolius | |||||
| Gestreepte witbol | Holcus lanatus | Riet | Phragmites australis | |||||
| Gevleugeld hertshooi | Hypericum tetrapterum | Ringelwikke | Vicia hirsuta | |||||
| Gewone / Glanzige hoornbloem | Cerastium fontanum | Rode klaver | Trifolium pratense | |||||
| Gewone berenklauw | Heracleum sphondylium | Rode schijnspurrie | Spergularia rubra | |||||
| Gewone ereprijs | Veronica chamaedrys | Rogge | Secale cereale | |||||
| Gewone hennepnetel | Galeopsis tetrahit | Rood zwenkgras | Festuca rubra | |||||
| Gewone kropaar | Dactylis glomerata | Ruw beemdgras | Poa trivialis | |||||
| Gewone melkdistel | Sonchus oleraceus | Ruwe berk | Betula pendula | |||||
| Gewone raket | Sisymbrium officinale | Schapenzuring | Rumex acetosella | |||||
| Gewone salomonszegel | Polygonatum multiflorum | Scherpe boterbloem | Ranunculus acris | |||||
| Gewone smeerwortel | Symphytum officinale | Schietwilg | Salix alba | |||||
| Gewone spurrie | Spergula arvensis | Sint-Janskruid | Hypericum perforatum | |||||
| Gewoon biggenkruid | Hypochaeris radicata | Slanke sleutelbloem | Primula elatior | |||||
| Gewoon speenkruid | Ficaria verna | Slipbladige ooievaarsbek | Geranium dissectum | |||||
| Gewoon varkensgras | Polygonum aviculare | Smalle / Vergeten / Voederwikke | Vicia sativa | |||||
| Glanshaver | Arrhenatherum elatius | Smalle weegbree | Plantago lanceolata | |||||
| Greppelrus | Juncus bufonius | Speerdistel | Cirsium vulgare | |||||
| Grote / Getande weegbree | Plantago major | Sterrenkroos (G) | Callitriche | |||||
| Grote brandnetel | Urtica dioica | Stijve klaverzuring | Oxalis stricta | |||||
| Grote kattenstaart | Lythrum salicaria | Straatgras | Poa annua | |||||
| Grote lisdodde | Typha latifolia | Tengere rus | Juncus tenuis | |||||
| Grote vossenstaart | Alopecurus pratensis | Tijmereprijs | Veronica serpyllifolia | |||||
| Grote waterranonkel | Ranunculus peltatus | Veelkleurig vergeet-mij-nietje | Myosotis discolor | |||||
| Grote waterweegbree | Alisma plantago-aquatica | Veldbeemdgras | Poa pratensis subsp. pratensis | |||||
| Grote weegbree | Plantago major subsp. major | Veldereprijs | Veronica arvensis | |||||
| Haagwinde | Convolvulus sepium | Veldzuring | Rumex acetosa | |||||
| Harig wilgenroosje | Epilobium hirsutum | Vlasbekje | Linaria vulgaris | |||||
| Hazelaar | Corylus avellana | Vogelkers | Prunus padus | |||||
| Hazenzegge | Carex leporina | Vogelmuur | Stellaria media | |||||
| Heelblaadjes | Pulicaria dysenterica | Watertorkruid | Oenanthe aquatica | |||||
| Heermoes | Equisetum arvense | Witte dovenetel | Lamium album | |||||
| Herderstasje | Capsella bursa-pastoris | Witte klaver | Trifolium repens | |||||
| Hondsdraf | Glechoma hederacea | Wolfspoot | Lycopus europaeus | |||||
| IJle dravik | Anisantha sterilis | Zachte dravik | Bromus hordeaceus | |||||
| IJle zegge | Carex remota | Zandraket | Arabidopsis thaliana | |||||
| Italiaans raaigras | Lolium multiflorum | Zevenblad | Aegopodium podagraria | |||||
| Jakobskruiskruid / Duinkruiskruid | Jacobaea vulgaris | Zoete kers | Prunus avium | |||||
| Kale jonker | Cirsium palustre | Zomereik | Quercus robur | |||||
| Kantig / Gevlekt hertshooi | Hypericum maculatum | Zomprus | Juncus articulatus | |||||
| Kleefkruid | Galium aparine | Zompvergeet-mij-nietje | Myosotis laxa subsp. cespitosa | |||||
| Klein bronkruid | Montia arvensis | Zwarte braam | Rubus sect. Rubus | |||||
| Klein hoefblad | Tussilago farfara | |||||||
| Locatie | de Scheeken transect 1 t/m 5 | |||||||
| Sectie | 1e Telling | |||||||
| Onderzoeker(s) | PWG IVN-Best | |||||||
| Jaar | 2020 | |||||||
| Maand | mei | |||||||
| Dag | 25 | |||||||
| Naam | Familienaam | vak 1 | vak 2 | vak 3 | vak 4 | vak 5 | totaal | bloeiwijze telling |
| Akkerkool | Composietenfamilie | 0 | 0 | 3 | 0 | 0 | 3 | bloemhoofd |
| Avondkoekkoeksbloem | Anjerfamilie | 0 | 0 | 10 | 0 | 0 | 10 | bloem |
| Blauwe waterereprijs | Helmkruidfamilie | 0 | 0 | 0 | 10 | 12 | 22 | bloeistengel |
| Bosandoorn | Lipbloemenfamilie | 0 | 1 | 8 | 2 | 0 | 11 | Bloemaar |
| Braam (BB en DB) | Rozenfamilie | 40 | 130 | 60 | 215 | 0 | 445 | Bloem |
| Dagkoekoeksbloem | Anjerfamilie | 0 | 52 | 220 | 75 | 1 | 348 | bloem |
| Echte kamille | Composietenfamilie | 0 | 0 | 0 | 76 | 70 | 146 | bloem |
| Fluitekruid | Schermbloemenfamilie | 0 | 15 | 0 | 0 | 0 | 15 | bloeistengel |
| Gewone ereprijs | Helmkruidfamilie | 0 | 0 | 0 | 10 | 0 | 10 | bloeiaar |
| Gewone raket | Kruisbloemenfamilie | 0 | 2 | 165 | 4 | 0 | 171 | bloemhoofd |
| Gewone spurrie | Anjerfamilie | 0 | 0 | 0 | 100 | 0 | 100 | bloem |
| Herderstasje | Kruisbloemenfamilie | 25 | 3 | 20 | 38 | 30 | 116 | bloemhoofd |
| Hondsdraf | Lipbloemenfamilie | 0 | 0 | 85 | 0 | 0 | 85 | bloemstengel |
| kleine veldkers | Kruisbloemenfamilie | 4 | 7 | 0 | 0 | 0 | 11 | bloeistengel |
| Knopig helmkruid | Helmkruidfamilie | 0 | 0 | 2 | 1 | 0 | 3 | bloeistengel |
| Melkdistel | Sleutelbloemfamilie | 0 | 0 | 7 | 6 | 0 | 13 | bloemhoofd |
| Moeraskers | Kruisbloemenfamilie | 0 | 30 | 0 | 60 | 12 | 102 | bloemhoofd |
| Noorse ganzerik | Rozenfamilie | 0 | 0 | 0 | 0 | 5 | 5 | bloem |
| Paardebloem | Composietenfamilie | 0 | 1 | 0 | 4 | 0 | 5 | Bloem |
| Perzikkruid | Duizenknoopfamilie | 0 | 0 | 0 | 22 | 0 | 22 | bloeiaar |
| Pinksterbloem | Kruisbloemenfamilie | 0 | 0 | 0 | 0 | 25 | 25 | bloeistengel |
| Rode klaver | Vlinderbloemenfamilie | 0 | 25 | 0 | 0 | 325 | 350 | Hoofdjes |
| Smeerwortel | Ruwbladigenfamilie | 53 | 5 | 0 | 0 | 15 | 73 | bloeistengel |
| Tijmereprijs | Helmkruidfamilie | 0 | 0 | 0 | 0 | 60 | 60 | bloeistengel |
| Wikke | Vlinderbloemenfamilie | 0 | 0 | 0 | 0 | 6 | 6 | bloem |
| Witte dovenetel | Lipbloemenfamilie | 0 | 34 | 0 | 0 | 0 | 34 | bloeistengel |
| Witte klaver | Vlinderbloemenfamilie | 1540 | 1075 | 0 | 670 | 2100 | 5385 | Hoofdjes |
| Zevenblad | Schermbloemenfamilie | 0 | 28 | 0 | 0 | 0 | 28 | bloeistengel |
| Locatie | de Scheeken transect 1 t/m 5 | |||||||
| Sectie | 2e Telling | |||||||
| Onderzoeker(s) | PWG IVN-Best | |||||||
| Jaar | 2020 | |||||||
| Maand | augustus | |||||||
| Dag | 3 | |||||||
| Naam | Familienaam | vak 1 | vak 2 | vak 3 | vak 4 | vak 5 | totaal | bloeiwijze telling |
| Akkerdistel | Composietenfamilie | 235 | 40 | 0 | 8 | 81 | 364 | bloemhoofd |
| Akkermelkdistel | Composietenfamilie | 14 | 0 | 0 | 0 | 0 | 14 | bloemhoofd |
| Basterdwederik | Teunisbloemfamilie | 16 | 25 | 24 | 72 | 160 | 297 | bloem |
| Bezemkruiskruid | Composietenfamilie | 0 | 0 | 0 | 220 | 0 | 220 | bloemhoofd |
| Boerenwormkruid | Composietenfamilie | 0 | 0 | 0 | 300 | 0 | 300 | bloemhoofd |
| Braam (BB en DB) | Rozenfamilie | 0 | 5 | 0 | 0 | 0 | 5 | Bloem |
| Dagkoekoeksbloem | Anjerfamilie | 6 | 0 | 3 | 0 | 10 | 19 | bloem |
| Duizendblad | Composietenfamilie | 5 | 0 | 0 | 0 | 0 | 5 | Bloeistengel |
| Echte koekoeksbloem | Anjerfamilie | 0 | 0 | 0 | 0 | 50 | 50 | bloemhoofd |
| Gewone bereklauw | Schermbloemfamilie | 14 | 0 | 22 | 30 | 0 | 66 | bloemstengel |
| Gewone hennepnetel | Lipbloemfamilie | 0 | 17 | 44 | 0 | 0 | 61 | bloeistengel |
| Haagwinde | Windefamilie | 102 | 5 | 0 | 1 | 1 | 109 | bloem |
| Harig wilgenroosje | Teunisbloemfamilie | 10 | 0 | 0 | 0 | 7 | 17 | bloeistengel |
| Heelblaadjes | Composietenfamilie | 33 | 0 | 0 | 0 | 304 | 337 | bloemhoofd |
| Jacobskruiskruid | Composietenfamilie | 0 | 160 | 0 | 20 | 30 | 210 | bloemhoofdjes |
| Kattenstaart | Kattenstaartfamilie | 13 | 17 | 1 | 21 | 140 | 192 | bloeiaar |
| Klein streepzaad | Composietenfamilie | 110 | 10 | 0 | 36 | 0 | 156 | bloemhoofd |
| Koninginnekruid | Composietenfamilie | 2 | 8 | 12 | 0 | 44 | 66 | bloeistengel |
| Melkdistel | Sleutelbloemfamilie | 0 | 2 | 0 | 0 | 0 | 2 | bloemhoofd |
| Moerasandoorn | Lipbloemenfamilie | 6 | 2 | 1 | 0 | 6 | 15 | bloeistengel |
| Moeraskers | Kruisbloemenfamilie | 0 | 0 | 0 | 20 | 0 | 20 | bloemhoofd |
| Reukloze kamille | Composietenfamilie | 540 | 76 | 0 | 1450 | 0 | 2066 | bloemhoofd |
| Rode klaver | Vlinderbloemenfamilie | 0 | 0 | 0 | 3 | 10 | 13 | bloemhoofdjes |
| Rolklaver | Vlinderbloemenfamilie | 80 | 520 | 6 | 74 | 770 | 1450 | bloemhoofd |
| Sint Janskruid | Hertshooifamilie | 120 | 20 | 0 | 0 | 550 | 690 | bloemhoofdjes |
| Smeerwortel | Ruwbladigenfamilie | 33 | 0 | 0 | 0 | 0 | 33 | bloeistengel |
| Speerdistel | Composietenfamilie | 9 | 0 | 2 | 0 | 7 | 18 | bloemhoofd |
| Tandzaad | Composietenfamilie | 0 | 0 | 0 | 0 | 20 | 20 | bloemhoofd |
| Veldlathyrus | Vlinderbloemenfamilie | 0 | 0 | 0 | 0 | 9 | 9 | bloemhoofd |
| Vlasbekje | Helmkruidfamilie | 0 | 0 | 0 | 0 | 5 | 5 | Bloemhoofd |
| Vogelwikke | Vlinderbloemenfamilie | 80 | 583 | 0 | 47 | 37 | 747 | bloeiaar |
| Watermunt | Lipbloemenfamilie | 10 | 0 | 0 | 0 | 296 | 306 | bloemhoofdjes |
| Wederik | Sleutelbloemenfamilie | 0 | 0 | 0 | 0 | 1 | 1 | bloemhoofd |
| Witte klaver | Vlinderbloemenfamilie | 350 | 221 | 8 | 27 | 295 | 901 | Hoofdjes |
| Wolfspoot | Lipbloemenfamilie | 0 | 0 | 0 | 0 | 39 | 39 | bloeistengel |
| Zwarte nachtschade | Nachtschadefamilie | 0 | 0 | 100 | 0 | 0 | 100 | bloemhoofd |
| Meetpunt transect | x | y | ||||||
| t5.3noord | 155271 | 393943 | ||||||
| t5.3zuid | 155279 | 393900 | ||||||
| t5.1noord | 155233 | 393825 | ||||||
| t4.3oost | 155429 | 393648 | ||||||
| t4.2noordoost | 155404 | 393632 | ||||||
| t4.2west | 155359 | 393633 | ||||||
| t4.1zuidoost | 155330 | 393655 | ||||||
| t3.3zuid | 155268 | 393539 | ||||||
| t3.3noord | 155273 | 393560 | ||||||
| t3.2noord | 155298 | 393592 | ||||||
| t2.3oost | 155393 | 393436 | ||||||
| t2.3west | 155373 | 393435 | ||||||
| t2.1noord | 155376 | 393540 | ||||||
| t1.3noord | 155404 | 393271 | ||||||
| t1.2oost | 155443 | 393256 | ||||||
| t1.3zuid | 155439 | 393255 | ||||||
| t1.1west | 155486 | 393519 | ||||||
| t1.1oost | 155531 | 393292 | ||||||
| w1 zuidwest | 155270 | 393179 | ||||||
| w2 zuidwest | 155346 | 393519 | ||||||
| w3 midden | 155265 | 394083 | ||||||