Naar hoofdinhoud
1.. Als een lid van gedeputeerde staten bij het nemen van een besluit om stemming vraagt, wordt mondeling gestemd, tenzij het vierde lid wordt toegepast. 2.. De stemming vindt plaats in door voorzitter aan te geven volgorde. De voorzitter brengt als laatste zijn stem uit. 3.. Ieder lid brengt zijn stem uit met het woord “voor” of het woord “tegen”, eventueel voorzien van een beknopte stemverklaring. 4. . Indien een lid van het college dat verlangt, wordt bij het nemen van een besluit over een benoeming, voordracht of aanbeveling van personen gestemd bij gesloten en ongetekende briefjes. Indien daarbij de stemming één persoon betreft en de stemmen staken, wordt een tweede stemronde gehouden. Als ook dan de stemmen staken, beslist het lot. Indien in de overige gevallen bij een eerste stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, volgt een tweede stemronde. Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaatst tussen de twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemming op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt over welke twee personen de derde stemming zal lopen. Als bij de tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist het lot. Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen, tussen wie de beslissing moet plaatshebben door de secretaris op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven. Deze briefjes worden op gelijke wijze naar binnen gevouwen in een bus gedaan en omgeschud. Vervolgens wordt door de voorzitter één van die briefjes uit de bus genomen. Degene, wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen. Door de zorg van de secretaris worden de stembriefjes onmiddellijk na afloop van de vergadering vernietigd.

Rechtspraak bij dit artikel