1.. Het restant van een vordering wordt op verzoek van een debiteur met ingang van de maand volgend op die van zijn verzoek kwijtgescholden, als hij gedurende 36 maanden volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en tenminste 50% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan.

2.. De vordering kan geheel of gedeeltelijk kwijtgescholden worden als de debiteur gedurende 60 maanden niet of niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ook niet aannemelijk is dat hij op enig moment aan zijn betalingsverplichtingen zal voldoen.

3.. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, wordt de vordering niet kwijtgescholden als de debiteur kan beschikken over vermogen dat redelijkerwijze te gelde kan worden gemaakt of als de debiteur binnen een redelijke termijn redelijker wijze over vermogen kan gaan beschikken. Bij de vaststelling of de debiteur over vermogen beschikt is artikel 4, derde lid van overeenkomstige toepassing.

4.. Bij toepassing van het bepaalde in het eerste en tweede lid, worden perioden van verblijf in detentie of buitenland waarin de debiteur niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, niet meegeteld bij het bepalen van de 36-maandentermijn.