1.. De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende zes maanden na de verzenddatum van dit besluit, gesteld op het bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de bijstandsperiode.

2.. Na afloop van de termijn van zes maanden of indien tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Pwet, IOAW of IOAZ, wordt de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 6, eerste lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld en maximale toeslag, dan wel de IOAW- of IOAZ-grondslag inclusief vakantiegeld.

3.. Als de terugvordering ziet op een fraudevordering die voor 1 januari 2013 is ontstaan of op een bestuurlijke boete, dan wordt de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit als bedoeld in het artikel 6, eerste lid, vermeerderd met 50% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld en maximale toeslag, dan wel de IOAW- of IOAZ-grondslag inclusief vakantiegeld.

4.. In afwijking van het tweede lid wordt, wanneer een ander inkomen wordt ontvangen dan een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ, maar waarbij dat inkomen inclusief vakantiegeld niet meer dan € 100,- per maand meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag, de aflossingsverplichting gesteld op 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag per maand inclusief vakantietoeslag.

5.. In afwijking van het tweede lid wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel zal kunnen worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt.

6.. De aflossingsverplichting wordt opgeschort gedurende de periode dat de debiteur enkel studiefinanciering op grond van de Wsf of WTOS ontvangt.

7.. Dit artikel is ook van toepassing op invordering van vorderingen ontstaan uit:

  • - Voorschotten;
  • - Onverschuldigde betalingen;
  • - Boetes.