De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd
waarin de belanghebbende wethouder is geweest, doch ten minste
voor de duur van twee jaar en ten hoogste voor de duur van zes
jaar. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen
wethouder is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd
gedurende welke hij wethouder is geweest in een tijdvak,
laatstelijk voordat hij ophield wethouder te zijn, waarin zijn
wethouderschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak
is onderbroken.
In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend
voor de duur van ten hoogste zes maanden, indien belanghebbende
korter dan drie maanden wethouder is geweest.
In geval van tussentijds eindigen van de uitkering krachtens
artikel 7, onder c, wordt de volgende uitkering toegekend ten
minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering zou zijn
geëindigd ingeval artikel 7, onder c, buiten toepassing was
gebleven.
Hoofdstuk
Artikel 2
Normale duur van de uitkering
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Leusden